Maandelijks archief: december 2014

Narthexartikel verslidedoct

Het artikel dat ik schreef voor de laatste aflevering van jaargang 2014 van Narthex bleek zonder noten, dus bronnen, gepubliceerd te zijn. Tegelijk vormde het werk van Nancy Duarte een uitdaging om te zien wat  er met haar slidedocidee mogelijk was. Daarom heb ik de stoute schoenen aangetrokken en van mijn eigen artikel een slidedoc gemaakt.

Het voordeel is dat je software gebruikt die ja al kent (meestal dan toch). Als het goed gaat en je werkt volgens haar opzet, levert het materiaal op, dat vaak attractiever is dan de langere documenten die je doorgaans voorgeschoteld krijgt. Als het om leerlingen zou gaan, zouden ze het materiaal zelf kunnen bekijken, er vragen over kunnen stellen en die mee naar de klas nemen, een soort van flipping classroom, volgens mij.

Ander voordeel is dat je in het materiaal koppelingen kunt opnemen, die verwijzen naar materiaal buiten de slidedoc, zodat de lezer daar een uitstapje naar toe kan nemen als zhij dat nodig vindt.

Nog een voordeel is dat powerpoint- en keynotebestanden snel geconverteerd kunnen worden naar pdf, waardoor een soort boekje ontstaat – de koppelingen blijven werken -, naar een mp4-film – de koppelingen zijn werkloos-, naar een html-pagina, waarbij de koppelingen uiteraard blijven werken of naar afbeeldingen, die weer koppelingloos blijven.

Mijn artikel heb ik op verschillende manieren geconverteerd: naar pdf, html en film. Daarnaast heb ik ook een keynoteversie (ik werk niet voor niets met een Mac), die geconverteerd is naar een powerpoint (pptx)versie. De downloadlinks vind je op de volgende pagina 

Slidedocs

Oudere docenten zoals ikzelf hebben weinig problemen met lange teksten en uitgebreide uitleg. Leerlingen hebben daar meer moeite mee. Jongere docenten eveneens. Het gevolg daarvan is een toename van het aantal powerpoints dat over leerlingen wordt uitgestort. Korte, onaffe zinnen, onder elkaar gezet en voorafgegaan door wat de Amerikanen zo mooi ‘bullets’ noemen. De informatie moet als kogels op de leerlingen afgevuurd worden. Het gevolg is dat de leerling zowel lange teksten niet meer aankan – want dat kost enige moeite – en dat diezelfde leerling powerpointmoe wordt – want de dia’s lijken allemaal op elkaar.

Tot ik  via via het werk van Nancy Duarte tegenkwam. Nancy is eigenaar of anders wel iets hoogs in de Duartefirma, die presentaties levert voor ongeveer alle grote namen in de Amerikaanse bedrijfswereld. Nancy Duarte is ook de auteur van een voor levensbeschouwers razend interessant boek , ‘Resonate’. Daarin laat ze zien dat het onderwerp van de presentatie, het publiek, de eigenlijke held dient te zijn en niet de presentator. Ze sluit aan bij het werk van Joseph Campbell, The Hero’s Journey, waarin hij laat zien dat alle mythologische en heldenverhalen in alle wereldculturen volgens eenzelfde schema zijn opgebouwd. Hij onderscheidt 18 stadia, die de verhalenanalist Chistopher Vogler, schrijver van The Writer’s Journey, teruggebracht heeft tot 12 stadia. Het zijn ook de stadia die je in alle goede romans en films zult tegenkomen.

Hoewel ik het boek van Duarte nog niet helemaal gelezen, maar wel goed gescand heb, durf ik te zeggen dat levensbeschouwelijke lessen en lessencycli heel veel kunnen profiteren van haar werk en inzichten.

Duarte is ook de schrijfster van Slide:ology, waarin ze spreekt over het scheppen van een nieuwe dia-ideologie. Ze roept op om “geen carrière suislide te plegen”, maar de powerpoint bullets en vinkjes door iets beters te vervangen. Ook een kennisname met dit boek door docenten kan voor leerlingen aangenaam werkende presentaties opleveren.

Haar laatste vondst is die van slidedocs. Ze geeft de volgende definitie: “A slidedoc is a document created using presentation software, where visuals and words unite to illustrate one clear point per page. The result is a medium that can be read and digested more quickly than either a document or a presentation. Slidedocs are meant to be printed or distributed and read on screen without the accompaniment of a presenter. “

Zij gebruikt het model van de slidedoc om haar ideeën naar voren te brengen en doet dat in 165 slidedocs. Ze gebruikt gewoon programma’s als Powerpoint of Keynote, die op dit moment op meer dan een miljard computers en tablets geïnstalleerd zijn, maar waar slechts een minimum van de mogelijkheden gebruikt worden.  Belangrijk in onze beeldcultuur is natuurlijk ook de illustratie, waar ze ruim gebruik van maakt. Uit de manier waarop ze de illustraties gebruikt blijkt dat tekst en beeld op elkaar betrokken worden. De een ondersteunt de ander en ze verhelderen elkaar.

Haar slidedoc is te vinden op http://www.duarte.com/slidedocs/.

Waarom levensbeschouwing een partijdig vak is

Levensbeschouwing is een partijdig vak

Bij het afscheid van eveneens weer Jan van Lier is er een liber amicorum verschenen, waarin velen die met Jan gewerkt hebben hun licht op bepaalde aspecten van het vak levensbeschouwing hebben laten schijnen. Mijn bijdrage ging inderdaad over de partijdigheid die het vak levensbeschouwing mijns inziens moet hebben.

Het kan niet zijn dat levensbeschouwing het dominante perspectief bevestigt. Wil je leerlingen helpen autonoom te zijn, dan moet die leerling ook keuzemogelijkheden hebben. Dat betekent dat een docent bereid moet zijn om taboe-onderwerpen aan te pakken en niet daarvoor zijn kop in het zand moet steken. Ik kan me nog goed de negatieve reacties van verschillende kanten herinneren, toen ik van mening was en nog steeds ben, dat een thema als zelfdoding een plaats in het curriculum moet hebben. Leerlingen waren het er niet mee eens, een gesprek met een schoolleider was onvermijdelijk en een moeder schreef een brief aan de rector om dit soort van lessen te weren en meer aan gelukskunde te doen.

In deze zogenaamde postmoderne tijd is de geloofwaardigheid van de grote verhalen verdwenen, zegt men. Maar een verhaal dat voor zoete koek wordt geslikt en dat concrete mensen en de mensheid veel kwaad kan en zal berokkenen is de neo-liberale tijdgeest, die zich onbetwist en arrogant als vanzelfsprekend nieuw groot verhaal presenteert.

Waarom levensbeschouwing een partijdig vak moet zijn, lees je in

http://www.uitgeverijwvandenoever.com/blog/blog/2014/12/levensbeschouwing-is-een-partijdig-vak/

Mijn drie P’s

Mijn drie P’s

In 1997 is mij gevraagd een speech te houden bij het afscheid van Jan van Lier, die als geen ander inspirerend is geweest in de zeventig en tachtiger jaren, zowel als begeleider van trainingen alsook als HKI-man, die de basis heeft gelegd voor een verantwoording van het vak levensbeschouwing, dat toen nog als godsdienst of catechese in de schooltabellen voorkwam.

Ik mocht als werkvloerman mijn zegje doen en heb aangegeven waar het mij in het vak om te doen is. Ik noemde die zaken de drie P’s, namelijk principe, partijdigheid en passie.

De hele tekst is te lezen via http://www.uitgeverijwvandenoever.com/blog/blog/2014/12/afscheid-jan-van-lier/

Gezonde achterdocht

Mijn  schatplichtigheid aan de zogenaamde materialistische bijbellezing kan niet sterk genoeg benadrukt worden. Deze manier van kijken naar verhalen heeft voor een gezonde achterdocht gezorgd, waar ik de rest van mijn levensbeschouwelijke lespraktijk, maar ook daarbuiten veel voordeel van heb gehad. Je kunt het op allerlei manieren zeggen: Woorden zijn nooit neutraal, er is geen waardevrij spreken en denken, er bestaat geen naïef lezen, als de vos de passie preekt, boer, pas op je kippen; wiens brood men eet, diens woord men spreekt. En zo voort.

In dit oude artikel laat ik zien, hoe verschillende posities in de samenleving ertoe leidden dat men een parabel als die van barmhartige Samaritaan op verschillende manieren heeft uitgelegd.

De tekst is te vinden op http://www.uitgeverijwvandenoever.com/blog/blog/2014/12/er-bestaat-geen-naief-lezen/

Wijs geworden?

Jaargang 14 van Narthex, tijdschrift voor levensbeschouwing en educatie, heeft zich op een originele manier met levensbeschouwing beziggehouden.

Nummer 1 heeft als titel: “Wat jongen docenten het vak te bieden hebben”. Aan het woord komen in een aantal interviews en losse bijdragen jonge beginnende docenten die zich een eigen stem dienen te verwerven in het koor dat levensbeschouwing heet.

In nummer 2 heeft een aantal schrijvers, wetenschappers en docenten, zich beziggehouden met de visie die Paul Vermeer een aflevering eerder ontvouwd had. In ‘Meer dan Concepten’ reageren leraren over de uitdaging van de religiewetenschap, die Paul Vermeer ziet als Bezugswissenschaft voor het vak levensbeschouwing.

Nummer 3, “Bouwen aan concepten” is ingeruimd voor de mensen die op verschillende plaatsen de nieuwe docenten opleiden. Ook zij reageren allemaal op een eigen manier op het verhaal van Paul Vermeer in Narthex en later op de studiedag van de VDLG 2014.

De laatste aflevering heeft de redactie “Wijs geworden?” genoemd,met als ondertitel “Van ervaren docenten, de dingen die zij leerden…” Ook daarin een aantal interviews met oudere docenten, waarbij wijselijk vergeten is de leeftijden te vermelden. In ieder geval zijn het allemaal mensen die een groot aantal jaren voor de klas hebben gestaan of dat nog doen.

Mijn eigen bijdrage werd getiteld” Levensbeschouwelijk leren denken en voelen”. Het verzoek om een artikel leverde een mooie kans op om je achteraf nog eens de vraag te stellen, waarom en waarvoor je de dingen hebt gedaan zoals je ze gedaan hebt.  Het werd een boeiende tocht, waarin allerlei stukken in elkaar vielen en de onbewust al opgeloste puzzel ineens scherper naar voren kwam.

Wie wat bewaart, heeft wat, geldt ook hier. In het verleden heb ik op verschillende plaatsen en manieren uitgesproken en uitgewerkt, wat voor mij de kern van het vak levensbeschouwing inhoudt en daarmee kon ik putten uit eigen werk. Mezelf citeren deed me eigenlijk wel deugd. In het verleden heb ik in artikelen soms moeten uitleggen dat ik met de ogen van nu toentertijd verkeerde keuzes heb gemaakt. Een ongemakkelijk gevoel. Wat het vak levensbeschouwing betreft kan ik zeggen dat de bewoordingen die ik ben tegengekomen steeds variaties op hetzelfde thema waren, m.a.w. dat mijn oorspronkelijke gevoel van levensbeschouwelijk onderwijs me nooit verlaten heeft.

Helaas heeft de eindredactie verzuimd de voetnoten mee te laten opnemen, zodat voor de argeloze lezer het bij beweringen blijft. In deze LIA wil ik die nalatigheid corrigeren, zodat men zich een eigen beeld kan vormen.

Mijn verhaal kwam in feite neer op drie constanten die ik in mijn lespraktijk opgemerkt heb:

  • de bevrijdingscatechese
  • De leerling staat principieel centraal
  • Identiteitsontwikkeling

Er bestaat geen naïef lezen

Materialistisch lezen van de bijbel kent verschillende aspecten. Allereerst is er de opvatting, dat een tekst niet losstaat van de sociaal-economische werkelijkheid, waarin die tekst tot stand komt. Voor het evangelie van Lucas wil dat zeggen, dat we onderzoeken binnen welk politiek en economisch milieu dit boek tot stand is gekomen, voor welke mensen het geschreven is en tot welke maatschappelijke klasse de schrijver heeft behoord. Mijn probleem daarbij is, dat ik geen exegeet ben, dat ik niet in staat ben binnen enkele weken een beschrijving te geven van de facetten die hierboven genoemd zijn. Daar komt ook voor de exegeet zelf het probleem bij, dat nogal wat zaken omtrent het evangelie van Lucas niet vaststaan: er zijn verschillen van mening over het tijdstip van ontstaan, over de plaats van ontstaan en over de groep voor wie Lucas heeft geschreven. Over Lucas zelf is ook niet veel bekend.

Stel, dat het goed mogelijk is een economische, politieke en ideologische analyse te geven van het milieu van het Lucasevangelie, dan kan dat een en ander verhelderen. Zo kan het van belang zijn te weten uit wat voor klassen de maatschappij ten tijde van Lucas bestaat. Dan is het mo­ gelijk in het evangelie van Lucas te achterhalen welke klassen er daar voorkomen en op welke manier daarover gesproken wordt. Dat levert gegevens op voor het politiek lezen van Jezus’ boodschap, gezien vanuit de opvattingen van Lucas.

Vragen bij een verhaal

Elders in dit nummer geeft Joop Smit een aantal vragen, die gesteld kunnen worden om verschillende elementen in een verhaal op te sporen. Hij noemt: de figuren, tijd en ruimte, de handeling en de idee van het verhaal. Zo bezig zijnde wordt in ieder geval aan een belangrijk gegeven van de materialistische lezing voldaan: je moet het verhaal nemen in zijn materialiteit, je moet het leven zoals het nu voor ons ligt. Maar voor een materialistische lezing zonder meer mis ik het verder vragen naar de maatschap­pelijke context, waarbinnen het verhaal speelt. Door deze vraag niet uitdrukkelijk te stellen loop je het gevaar, dat het verhaal in de lucht blijft hangen. De structuuranalyse, die hij zich voorstelt, kun je niet loskoppelen van de maat­schappelijke omgeving van het verhaal. Ook mis ik een vraag als: hoe verhouden de figuren zich tot elkaar, niet alleen in het verhaal, maar ook in de sociaal-economische werkelijkheid van die tijd. Wanneer een lezer niet weet, welke rol de priesters en levieten spelen in de joodse samenleving, kan hij ook niets zeggen over het al dan niet verstrekkende gehalte van de tekst. In feite gaat Smit hier wel op in als hij schrijft over ‘Wat er staat (IV)’. Daar geeft hij weer wat de maatschappelijke positie van de priester en de Samaritaan is. Ditzelfde is ook van belang als het gaat om anderen die in het evangelie voorkomen.

Mensen zijn nu eenmaal in een concrete maatschap­ pelijke samenhang geworteld en het verhaal zou een heel andere rol gaan spelen als de rollen in het verhaal omgekeerd waren geweest.

 

Ons lezen is ook bepaald

Behalve de vraag naar de sociaal-economische positie van het evangelie in zijn tijd is voor de materialistische lezing ook belangrijk de vraag naar de sociaal-economische situatie, waarbinnen het verhaal gelezen en uitgelegd wordt. Voortdurend moeten wij ons voor ogen houden, dat ook vandaag een evangelietekst niet ins Blaue hinein wordt gelezen, maar door concrete mensen in concrete situaties. Elke lezing is een politieke lezing, heb ik elders pogen duidelijk te maken 1). Dit voorondersteld zal het ook aannemelijk zijn, dat onze lezing van de bijbel een po­litieke lezing is. Belangrijke taak voor de materialistische lezing is voortdurend kritisch te zijn op de wijze, waarop het evangelie ge-, maar nog vaker misbruikt wordt door te wijzen op het politieke gehalte van de uitspraken die mensen doen.

Een voorbeeld van een lezing, die op verschil­lende manieren maatschappelijke gevolgen heeft, is die van Luther 2).

‘De mens valt in handen van rovers: d.w.z. de eindeloze stoet van mensen die het menselijke geslacht vormt, wordt door de duivel gewond, beroofd en geslagen. Tenslotte laat de duivel deze mens halfdood langs de weg liggen. Wij zijn mensen zonder gerechtigheid en waarheid en halfdood en daarom kunnen we onszelf niet helpen. Eigenlijk “leeft alleen het lichaam, dat alles zoekt, wat het nodig heeft, maar de ziel is dood. De mens is halfdood en maakt zich geen zorgen om hemelse dingen, en toch zijn we ervoor geschapen dat wij op aarde niet alleen aards, maar ook he­ mels zullen leven. Maar de duivel rooft ons het hemelse en laat ons met het aardse zitten. De mens kan zichzelf niet helpen. Dan komen de priesters en de leviet voorbij, d.w.z. de leraars. Maar dan komt tenslotte ook Christus, de Samaritaan, in de wereld. Hij komt naar deze mens toe en doet alles wat de parabel vertelt’. Een stukje verder in deze allegorische uitleg: ‘Vervolgens brengt hij ons naar de herberg, d.w.z. de christelijke kerk: daar laat hij zich dopen en het sacrament ontvangen, daar beveelt hij ons de pastores aan en geeft hun de beide Testamenten, opdat zij de mensen zullen verzorgen in hun “geloof, liefde en geduld’.

Weg zijn in dit verhaal de concrete mensen in hun concrete samenhang. Het gaat ineens over alle mensen, hun dode zielen en de duivel. Wat Luther doet is zijn eigen godsdienstige opvattingen teruglezen in de tekst. Het tot tweemaal toe herhaalde ‘de mens kan zichzelf niet helpen’ wijst heel duidelijk in de richting van zijn opvatting, dat de mens alleen door de genade Gods gered kan worden. Deze opvatting kan er maatschappelijk toe leiden, dat mensen passief worden, zich niet wensen in te zetten voor concrete veranderingen e.d. Het verhaal wordt geheel allegorisch opgepakt, komt in een geestelijke sfeer terecht en laat Christus al het werk doen. Het is Christus die ons redt door zijn kruisoffer van de valsigheden van de duivel. Nergens wordt meer gerept over datgene wat de Samaritaan doet. Jezus wordt zo plaatsvervangend gezien, het accent van de parabel verschuift en wordt afleidingsmanoeuvre. Het gaat om het handelen van Christus, de concrete mens komt er steeds verder vanaf te staan. Het toppunt van inlegkunde is de vergelijking van de herberg met de christelijke kerk. Dat ontneemt de angel volkomen aan het venijn, dat de parabel toch nog steeds in zich draagt. Wie de positie van de. priester en leviet maatschappelijk en politiek ziet, weet dat hier sprake is van de aloude tegenstelling tussen de priester en de profeet, de cultus en de gerechtigheid. De priester heeft, zoals Joop Smit zegt, belangrijker dingen te doen: hij moet offeren en kan dus volgens de reinheidswetten niet in aanraking met bloed of dode komen. En geloof maar, dat de gewonde langs de weg gebloed zal hebben!

Het verwijzen van Luther naar de herberg als de christelijke kerk is dan ook het tegendeel beweren van wat de parabel zou kunnen zeggen. Op deze manier wordt de parabel gebruikt ter rechtvaardiging van bepaalde zaken, die er helemaal niet in te lezen zijn.

Op deze wijze jezelf rekenschap geven van hetgeen er politiek en maatschappelijk meespeelt in de uitleg van iemand, kan zeer verhelderend werken en met name valse rechtvaardigingen doen opsporen. Luther is nog een aardige jongen vergeleken bij de dominees en priesters, die in de eerste wereldoorlog hun ‘volkse preken’ hielden: zij zagen in de barmhartige Samaritaan dikwijls de soldaten aan het front, die het vaderland – gevallen in de handen van Engelse, Russische en Franse roversbenden- redden, terwijl priester en leviet (d.w.z. pacifisten) voorbijgingen.

Een geweldig toneelstuk in drie bedrijven

Een andere lezing – even politiek als die van Luther – heeft Jean Cardonnel, een strijdbare Franse dominicaan gegeven 3):’Het wezenlijke verschil tussen de Samaritaan, de gewone man, de man uit het volk, en de priesters, economen, psychologen en machts- en gezagsdeskundigen ligt hierin, dat de eerstgenoemde geen religie, leer of nauwkeurige terreinverkenning nodig heeft om lief te kunnen hebben en om solidair te zijn. De parabel van die man uit Samaria, die man zonder vooraf vereist geloof en zonder godsdienstige voorgeschiedenis, heeft de opbouw van een geweldig toneelstuk in drie bedrijven. Het eerste bedrijf begint met de aankomst van de rovers. Het beeldt een naakt feit uit, n.l. dat geweld het weefsel van de geschiedenis is’.

Het eerste bedrijf van de parabel van de Samaritaan voert heel de geschiedenis of liever gezegd de voorgeschiedenis die zich in het teken van het geweld afspeelt ten tonele. In alle fabrieken ter wereld wordt de mens massaal geweld aangedaan. Het loonstelsel en daarmee medeplichtig de school en het gezin als kiemcel en grondeenheid van een samenleving, die geheel rond de productie is gebouwd, vormt de grimmige herleiding van de mens tot wat nodig is voor zijn onmiddellijke lijfsbehoud. Met een pakkende samenvatting tekent de bisschop van het Franse Atrecht, mgr. Huyghe aan: ‘Geen enkele arbeider is zeker van zijn werk. Hij kan onmiddellijk worden ontslagen, zonder enige mogelijkheid van beroep en om welk motief dan ook. Nog voor hij wordt aangenomen wordt hij gedwongen heel zijn leven op te biechten en zijn overtuigingen bekend te maken. En hij kan worden ontslagen om redenen die zijn geweten aangaan.

Sommigen beweren dat er op dit ogenblik geen klassen meer bestaan. Anderen betreuren de klassenstrijd. Ik voor mij stel vast, dat er tenminste twee klassen van mensen bestaan: de mensen die vragen om werk dat zij van vandaag op morgen kunnen verliezen, en de mensen die de absolute macht bezitten anderen te ontslaan’.

Het tweede bedrijf van de parabel bestaat In het stiekem voorbijgaan van de priester en de leviet, en met hen van allen, die zich afkeren van de ene echte werkelijkheid: de kreet van de verdrukte mens, die slachtoffer is van de geschiedenis van geweld. Een actueel voorbeeld geeft Yvonne Keuls in haar ontroerend boek Jan Rap en zijn Maat. Zij heeft op zich genomen om bij een groot bedrijf tweeduizend gulden los te peuteren, die voor het opvangcentrum, waar zij werkt, nodig zijn. Ze neemt een cliënt mee, Klaasje, een zestienjarige jongen, die alle vertrouwen in zijn medemensen heeft verloren na een aantal kindertehuisjaren en een scène met zijn pleegmoeder, die hem wegens tabaksgebruik een klap met de hondenriem over zijn gezicht geeft en hem dwingt het pakje shag op te eten. ‘Een hoge Piet van het eerste bedrijf dat ik wilde bezoeken had zich bereid verklaard mij om twee uur te ontvangen. Hij bleek best een aardige man. Hij liet mij praten en praten, vroeg eens wat, luisterde weer en schudde af en toe zijn hoofd over zoveel ellende en kwam dadelijk tot de conclusie, dat wij daar met zijn allen een stelletje idealistische idioten moesten zijn, on­ gevaarlijk zolang hij ons op een afstand kon houden. De beste methode daartoe leek hem het schenken van die tweeduizend gulden. ‘Dank u wel, meneer’ zei ik, ‘en dan is er nog iets’. Hij fronste meteen zijn wenkbrauwen, want hij vond mij maar knap lastig worden. Ik legde hem het geval Klaasje uit en toen werd die aardige man opeens een heel nare man. Die tweeduizend gulden okee, ze gaven wel meer geld aan goede doelen, bovendien…fiscaal nietwaar…maar een opleiding en de verantwoording dragen over zo’n jongen, die toch uiteindelijk… nietwaar… hij is toch in alles mislukt…nee, daar begon hij niet aan. Zo’n jongen kon bovendien de hele boel opruien en dat konden ze daar helemaal niet hebben’. Met andere woorden, kapitaal gaat nog steeds boven kansen voor kapotte mensen.

Dan begint voor Cardonnel het derde bedrijf. Nu de fatsoenlijke mensen het erbij hebben laten liggen, is het de beurt van de Naastenliefde om op het toneel te komen. Maar de man uit Samaria, de Naastenliefde, komt pas nà de strijd. De ellende van Caritas, Rode Kruis, Katholieke Hulp en dergelijke is dat zij zich niet om de oorzaken bekommeren. Verzorg en houd je mond. Hetzelfde wat ook tegen Yvonne Keuls wordt gezegd. Cardonnel: ‘Daarom stel ik de enige echte vraag: wat gebeurt er als de Naastenliefde niet na maar tijdens het gevecht aankomt? Mijn poging tot omkeer in Christus zal me ertoe brengen de vraag radicaal om te draaien: als ik er niet heenga wat zal er dan met hèm gebeuren, ja zelfs, als ik er niet heenga, wat zal er dan met mij gebeuren?’

De laatste vraag van Jezus wordt anders gesteld dan wij zouden verwachten gezien de vraag van de schriftgeleerde: wie is mijn naaste? Niet, wie van de drie in de gewonde de naaste heeft gezien die geholpen moet worden. Nee, hij vraagt, wie zich de naaste heeft gemaakt van de onbekende. Het gaat om een handeling van mezelf, een concrete actie in een concrete situatie.

De kracht van de interpretatie van Cardonnel, die zonder meer een ‘materialistische’ interpretatie genoemd mag worden, ligt in het feit, dat hij bij zijn uitleg de sociaal- economische horizon niet uit het oog verliest. Het gaat er Jezus niet om – zoals ook Joop Smit opmerkt – een vroom Rode Kruisverhaal te vertellen, maar een verhaal, dat de maatschappelijke opvattingen van zijn dagen radicaal omkeert. Dat weet je als je weet hebt van de maatschappelijke posities van de hoofdfiguren in het’ drama. Het is dan ook niet meer dan terecht, dat je bij een actualisatie naar vandaag  toe eveneens rekening houdt met de sociaal-economische werkelijkheid waarin we leven.

Niet de theorie, maar de praxis bevrijdt

De Italiaanse theoloog Giorgio Girardet heeft in een boekje over het evangelie van Lucas, het evangelie van de bevrijding, Jezus’ handelen in dit verband politiek-maatschappelijk geplaatst. Het gaat volgens hem om een concreet verhaal, waarmee Jezus zegt: ‘Jullie doctoren van de wet, priesters en mannen van de kerk, kunnen niet begrijpen wat de liefde tot de naaste is, de solidariteit, die je als mens verschuldigd bent tegenover anderen, omdat jullie maatschappelijke positie, jullie klassenpositie je oordeel verduistert en verhindert in de ander je naaste te zien. Maar de Samaritaan, juist omdat hij behoort tot een vervloekt en afgescheiden ras, juist omdat hij maatschappelijk lager staat dan de joden, die aan de Romeinen onderworpen waren, is in staat de situatie te begrijpen van de man die op straat is achtergelaten. Hij hoeft ook niet bang te zijn zich te verontreinigen, hij is al onrein, hij staat al buiten de maatschappij’.

Jezus theoretiseert niet: hij vertelt verhalen, hij maakt het concreet. Het is niet de theorie die de mens bevrijdt, maar een praxis, die ingebed ligt in een keuze die het hele leven betreft.

Zolang de Nederlandse christen niet in de gaten heeft hoezeer machtsfactoren vanuit de economie en politiek zijn handelen en denken, en dus ook zijn denken over de bijbel bepalen, zal het moeilijk blijven gevoelig te worden voor de politieke lezing van de barmhartige Samaritaan. Geen partijpolitieke lezing, maar een lezing, die rekening houdt met het verweven zijn van ons denken met machtsstructuren. De eerste pastor of catecheet in een middenstandswijk, die op goede gronden in de vakbeweging een moderne versie van de barmhartige Samaritaan ziet, moet ik helaas nog tegenkomen. Hij is meteen verdacht, verdacht in de ogen van de machthebbers, die zich nog steeds comfortabel voelen in hun christelijk jasje. Of hij verdacht zou zijn bij de mensen, die geen machthebber zijn, is niet van belang.

Immers, wiens brood men eet, diens woord men spreekt, die harde volkswaarheid geldt ook voor de Nederlandse kerk en de manier waarop ze nog steeds met het proletenboek, dat de bijbel is, omgaat.

 

Noten:

1. Hoe politiek is het evangelie? Ecclesia, tijdschrift voor kerkelijk groepswerk, 32e jaargang, nr.2, De Horstink, Amersfoort, 1977.

2. Dr.J.G.B.Jansen, De barmhartige Samaritaan in rovershanden? Apeldoorn 1974. In dit boekje vindt de lezer 25 interpretatiemodellen van de parabel van de barmhartige Samaritaan.

3. Dr.J.G.B.Jansen, a.w., pg.219-225.

Uit: School en Godsdienst 33(1979)1, 8-11. De materialistische bijbelbenadering kan mogelijkheden bieden voor een nieuw gebruik van de bijbel binnen de bevrijdingskatechese. In dit artikel laat de schrijver zien hoe je b.v. de parabel van de barmhartige Samaritaan politiek kunt lezen als een verhaal van onze tijd.

 

Levensbeschouwing is een partijdig vak

Een van de gevaren die het vak levensbeschouwing bedreigen is dat van supertolerantie, laissez-fairedenken en handelen. Wie de doelstellingen van brochure B er op naslaat, komt daarin weinig formuleringen tegen, die gewag maken van een kritische houding die ontwikkeld zou moeten worden. In de praktijk zie je ook meermalen levensbeschouwelijk onderwijs, dat handelt in de geest van ‘alles mag, niets moet.’  Het raamleerplan van de VDL voor de tweede fase is er wel duidelijker over: ‘de leerlingen kunnen zowel cognitief als emotioneel tot een zekere autonomie t.a.v. zingeving en ethiek komen…’  Dat gaat een bepaalde richting uit.  Dat betekent in mijn ogen: je leven in eigen hand durven nemen, durf hebben om subject te zijn; bereid zijn je weerbaar op te stellen, autonoom zijn met alle gevolgen die daaraan verbonden kunnen zijn.

Vervreemding

Voor mezelf koppel ik daar de ooit geroemde noties van de bevrijdingskatechese (HKI, 1979) aan vast: we leven in een werkelijkheid die vervreemdt en waar mechanismen functioneren die er op uit zijn ons minder mens te maken dan we zouden kunnen zijn.    Docenten levensbeschouwing zijn in mijn visie mensen die in de gaten hebben gekregen dat  het subject worden van de leerling voorop in het onderwijs dient te staan. Ze hebben geen bisschoppelijke accoordverklaring meer nodig om hun geloofsbrieven te kunnen tonen.

Hun geloofsbrieven bestaan uit de serieuze aandacht van de leerlingen, die bereid zijn na te denken over hun levensbeschouwelijke kaders en de keuzes die ze daarbinnen voor hun leven willen maken.  De serieuze dialoog met de leerlingen zal te allen tijde het uitgangspunt van lessen levensbeschouwing zijn. Niet voor niets is communicatie een van de belangrijkste doelstellingen in ons vak. Dat dient machtsvrije communicatie te zijn, zoals Habermas ooit stelde. Docenten en leerlingen zijn in dat opzicht elkaars gelijken. Beiden zijn subject van de communicatie. Niemand is de meerdere. Dat is in mijn ogen de bevrijdende impuls van goede lessen levensbeschouwing. Samen denkend, samen kritiek formulerend komen we een eind verder in onze speurtocht  naar de waarheid.

Gerechtigheid

En gerechtigheid zou ik daaraan willen toevoegen. Mijn bevrijdingskatechetische inspiratie die ik zeker ook in het vak levensbeschouwing kwijt wil, geeft me deze keuze in Levensbeschouwing is geen neutraal vak, maar moet in mijn ogen ,keuzes maken. Autonomie met het oog waarop, moeten we vragen. Een autonomie die naadloos past in een individualistische, hedonistische˙levensstijl heeft mijn waardering geenszins. Autonomie met het oog op een menselijker bestaan en een betere wereld heeft wel wat. Dus zal ik mijn vak op een bepaalde manier moeten inrichten,  want levensbeschouwing is een partijdig vak. In mijn lessen moet ik de vraag stellen, hoe mensen tot hun recht kunnen komen.  Zowel persoonlijk als maatschappelijk. Daarom maak ik ook keuzes in de themata van mijn lessen, omdat ik denk en hoop dat die keuzes meer dan andere mijn leerlingen kunnen helpen zicht te krijgen op de vraag, welke bijdrage hun levensbeschouwing levert aan de humanisering en bevrijding van zichzelf en de wereld.

Taboes

Ik maak een keuze voor bepaalde persoonlijke thema’s. Levensbeschouwing dient  taboes aan de orde te stellen. Taboes zoals dood, zelfdoding en het verschijnsel levensbeschouwing zelf. De meeste leerlingen zitten niet te wachten op deze themata en zullen die klassikaal ook niet snel kiezen. Omdat de docent [de schrijver van deze tekst is man, dus gebruik ik verder voor het gemak de hijvorm!] weet, wat er kan gebeuren als bepaalde zaken niet aan de oppervlakte mogen komen, is hij de aangewezen persoon om die thema’s aan de orde te stellen vanuit zijn zorg voor de volwassenwording van de leerling.  Het zijn vaak ook ouders, die zich zorgen maken over de gemoedsgesteldheid van hun kind, dat aan zulke existentiële zaken blootgesteld wordt. Het lijkt veiliger om over dood en verdriet, angst en eenzaamheid te zwijgen. Wat niet weet, dat niet deert. Maar ouders vergeten dat de kinderen wel weten en er vaak hevig mee worstelen. Dus is de docent levensbeschouwing een van de personen, die deze zaken bespreekbaar kan maken in de klas. Om kunnen gaan met negativiteit in het leven vergroot de kans op een gezondere volwassenheid is mijn stellige  overtuiging. Daarom zal iedere leerling er aan moeten geloven. Niet omdat ik hem of haar angstig op de kast wil krijgen, maar omdat het proces van nadenken over bijvoorbeeld zelfdoding de leerling een betere en heldere kijk op zijn eigen staan in de wereld geeft. Daarmee is hij ook weer een stukje meer subject geworden.

Samenleving

Ik maak keuzes voor maatschappelijke thema’s.  Een van de hoofdstukken in mijn Sprokkelen 2 gaat over protest. Een bijzonder fraai voorbeeld van protest is te zien in de grootse film Novecento.  Atilla de voorman en fascistenleider is afgegaan omdat Olmo’s dochter hem paardenstront in het gezicht gegooid heeft, een voorbeeld dat de rest van de aanwezigen volgde en besmeurd met uitwerpselen moet de fascist het veld ruimen. Hij komt terug met zijn kornuiten en een aantal dorpelingen wordt bijeengedreven en enkelen doodgeschoten. Een arbeider begint het socialistenlied ‘Bandiera Rossa’ te fluiten. Hij fluit door als Atilla hem met een pistool nadert. Daarop wordt hij doodgeschoten.  De gesprekken na de fragmenten gaan over de vraag, wat de man bezielt om deze keuze te maken en wat de zin ervan zou kunnen zijn.  Het gesprek gaat dan verder over de vraag, wat de leerling zelf zou doen, hoever hij zou gaan.  Een concrete aanleiding was het afschaffen van het carnavalsfeest dat al tientallen jaren op onze school gehouden werd. Omdat de staf vermoedde dat er vorig jaar mogelijk drugs gebruikt waren, schafte ze met een pennenstreek het gebeuren af. In een 5V kwam deze vorm van machtsmisbruik ter sprake. Op de vraag wie er het voortouw wilde nemen om zoiets moois als een staking te organiseren, bleef het opvallend stil. Je nek uitsteken voor anderen, solidair zijn met elkaar, het bleek allemaal erg ver van het bed te zijn. De  confrontatie met de Italiaanse arbeider maakte helaas niets los in de leerlingen. Het was vooral: het helpt toch niets, je moet zo’n hoop energie investeren, waarom zou ik me druk maken!

Gevaarlijke grote verhalen

Op zulke momenten bedenk ik weer, dat de tijd van de grote verhalen nog steeds niet voorbij is: het is nog steeds het grote verhaal van onverschilligheid en kortzichtigheid, dat het nog altijd beter doet dan een concrete en actieve inzet voor een betere school of omgeving. Dat een ander groot verhaal nog springlevend is, merk ik, als ik de leerlingen confronteer met opvattingen, die te maken hebben met versobering,  consuminderen, tijd en aandacht inruimen in plaats van achter je pinpas en chipknip aan te hollen. Het grote verhaal van de markteconomie, die alles doordringt, wordt dan steevast weer van stal gehaald.  Meneer, het kan niet, want niemand doet het. Waarom zouden we niet genieten van de luxe die we krijgen? Wat hebben we met het milieu en de derde wereld te maken? Het zal mijn tijd wel duren en voor wie ben ik dan verantwoordelijk meneer? Dat er wel degelijk grote groepen mensen zijn, die de waarde van onthaasting, consuminderen en  soberheid inzien, is te veel voor sommigen en ze beginnen te schelden. Mijn bescheiden maatschappij-analyse zegt, dat momenteel deze grote, in mijn visie gevaarlijke verhalen de plaats hebben ingenomen van wat vroeger de grote verhalen werden genoemd.  Ze oefenen een anonieme macht uit, die  veel leerlingen niet in de gaten hebben. Die vanzelfsprekendheid van de moderne grote verhalen problematiseren is een vreugdevolle opdracht voor een docent levensbeschouwing. Het is soms zwaar trappen, maar wel uitermate boeiend om in communicatie met de leerlingen die vragen aan de orde te stellen waar het volgens de tradities van de menselijkheid nog steeds om gaat. Vragen als: ben ik mijn broeders hoeder? Wie is de mens? Wie is mijn naaste? Waar gaat het uiteindelijk om in het leven?  Voor het aan de orde stellen en beantwoorden van die vragen hebben we gelukkig nog steeds de beschikking over een heleboel kleine verhalen uit de joods-christelijke en humanistische traditie. Ben ik even blij, dat ik ooit als catecheet begonnen ben!

Bron: Peter van den Aardweg & Jan Simons, Godgeleerd, ’s Hertogenbosch, 1997, pg. 161-164. Het boek verscheen ter gelegenheid van het afscheid van Jan van Lier als medewerker bij het KPC, voorheen bij het HKI.

Afscheid Jan van Lier

Beste Jan, geachte aanwezigen,

De keuze van de inleiders van dit symposium maakt meteen duidelijk, in welk circuit Jan van Lier meestentijds verkeerd heeft. Vier mannen voeren hier vanmiddag het woord: want Jan is immers al van voor de tweede feministische golf. Drie  mannen houden zich bezig met studie van de dagelijkse labeur van de godsdienstleerkracht, de docent katechese of de docent levensbeschouwing en hebben daar hele ware, wijze en soms erg wetenschappelijke woorden aan gewijd.  Als man van de werkvloer mag ik het woord voeren over de toekomst van het vak levensbeschouwing. Tussen deze drie wijze mannen en mijn veldwerkerspersoon staat Jan van Lier: in de positie van bemiddelaar tussen theorie en praktijk. Als iemand die zeer nauwgezet de merites van bepaalde wetenschappelijke opvattingen doordenkt en zich vervolgens afvraagt wat die te betekenen hebben voor de dagelijkse lespraktijk.

Wie klas na klas in zijn lokaal ziet verschijnen met de daaraan gekoppelde werkzaamheden, heeft na gedane arbeid helaas niet zo veel zin meer in een portie wetenschappelijke kost. Ook ik moet mezelf erop betrappen, dat na bijna 25 jaar ervaring met leerlingen de behoefte aan wetenschappelijke vertogen een stuk minder is geworden. Mijn ideeën over de toekomst van het vak levensbeschouwing komen dan ook voornamelijk uit de ervaringen met 360 verschillende jongeren per week.

Die jongeren groeien op in een samenleving, waarin levensbeschouwing tot een marginaal gebied is verklaard. Tegelijkertijd kun je de media niet open-slaan of bekijken, of je komt een massa levensbeschouwelijke en ethische zaken tegen. Ik doe een greep uit drie maanden kranten lezen:

Wekelijks melden de vakbladen de ontdekking van een nieuw gen, dat verantwoordelijk is voor een aandoening. Voorspellend erfelijkheidsonderzoek wordt steeds belangrijker. Krijgen we nu een genetische selectie door werkgevers en verzekeraars? Zieken vragen zich af: Ik heb een dochter van 17. Moet ik het haar vertellen? Moet zij zich laten testen?

Bij een groot aantal jongeren is de beweging ‘Ware liefde wacht..” een succes: zij wachten met seks tot het huwelijk.

Op de openbare scholengemeenschap Rijnlands Lyceum kunnen de vijfde klassers intekenen voor een werkgroep ‘Bijbel en literatuur’.

In de Verenigde Staten verkoopt esoterie beter dan wetenschap. Afgelopen tijd werd ik door leerlingen getracteerd op een kernwijsheid, die ze opgedoken hadden uit de zeer druk bekeken Veronicaserie X-files. The truth is out there, de waarheid ligt daarginds buiten.

Twee Taizébroeders organiseerden afgelopen maanden een tiental bijeenkomsten over Taizé in Nederland. Hun vraag was: wat te doen met zoveel jonge wijn, als er geen vat meer is om in te rijpen?

Salman Rushdie maakt zich bezorgd over Europese waarden. Hij zegt: dit nieuwe Europa komt op mij niet over als een beschaving, maar als één grote cynische onderneming. Europa exporteert liever vlees dan vrijheid.

In een recent boek over de verborgen geschiedenis van de wetenschap maken verschillende schrijvers duidelijk, dat wetenschap is wat de beoefenaren ervan maken. Mensenwerk, niet meer en niet minder. De wetenschappelijke gemeenschap  heeft net zo goed als ieder ander  blinde vlekken, lijdt aan vergeetachtigheid en is liever lui dan moe.

Minister Borst zegt dat ze zich kan voorstellen dat een buitenlandse vrouw in nood kan verkeren omdat ze een meisje verwacht.

Harry Premselaar richtte de stichting financiële wijsbegeerte op. Immers, beleggen geeft zin aan je leven, het maakt je tot een actief deelnemer in de maatschappij, want je bezit een deeltje van een onderneming. En dàt is een prettig gevoel.

Ik citeer Meerten ter Borg: naarmate het vanzelfsprekende traditionele geloof afneemt, praten mensen meer over levensbeschouwelijke zaken. En niemand gelooft meer dat we gelukkiger worden als we afrekenen met ouderwetse religie en steeds rationeler gaan leven. In toenemende mate zullen mensen van religie naar religie zappen. Het zou me niet verbazen dat neutrale kranten als de Volkskrant en NRC in de toekomst een pagina geestelijk leven of levensbeschouwing krijgen.

In zijn inauguratie sprak Bill Clinton over het land van de nieuwe belofte. Een analist meldde dat dat verdacht veel lijkt op de Celestijnse Belofte: we zullen het heil, de integratie van het individu in het geheel, vooral in onszelf moeten vinden.

Trouw op 22 januari  ”De topmanager van de toekomst moet sociaal begaafd zijn, helder kunnen spreken en schrijven, en zich verdiept hebben in religie, filosofie, psychologie en geschiedenis.

Promovendus van Bracht, TU Delft: Een universiteit is als een klooster, waarin niet novices, maar studenten, niet monniken maar docenten zich overgeven aan een geloof, het geloof dat we de wereld nog beter zullen begrijpen als we haar nog beter beschrijven. Echter, de wereld is als de liefde, zelfs een perfecte beschrijving mist volledig de kern.

Hoogleraar fysica Freeman Dyson zoekt naar criteria om aan te geven hoe natuurwetenschap en technologie ten kwade of ten goede worden aangewend.  Een citaat: de natuurwetenschap werkt ten kwade, als ze de rijken meer speelgoed bezorgt. Hij rekent op de macht van de ethiek, die hij belichaamd ziet in de milieubeweging en in de religie.

Instellingen voor thuiszorg moeten meer aandacht besteden aan de levensbeschouwelijke vragen van hulpverleners en cliënten. Zij krijgen te weinig informatie om concrete vragen over het ouder worden, sterven, eenzaamheid of de zin van ziek zijn goed te kunnen beantwoorden.

Onbekommerd verkondigt actrice Gerda Havertong haar geloof in een beschermengel, een overtuiging die ze deelt met vele andere aardbewoners. Ze wordt er niet om uitgelachen.

Enkele reacties op de afronding van het kennisdebat: de studentenvakbond LSVb denkt dat filosofie een schoolvak moet worden. Filosofie wapent het individu met oordeelsvermogen en kritische zin. Dat biedt de beste bescherming tegen manipulatie en stelt mensen in staat de informatiestroom te interpreteren en te begrijpen,

De werkgroep ‘alles begint met nix’: We leren op school van alles, maar waar het echt om draait in het leven, dat moeten we zelf maar uitzoeken. Daarom moet er voor schoolverlaters tussen de 16 en 21 een modern initiatieritueel komen dat tussen een week en drie maanden beslaat.

In het aprilnummer van Marie Claire schrijft Saskia Noort over de behoefte aan een handleiding voor het leven in onze ‘zoek-het-zelf-maar-uit-maatschappij. Ze noteert als harde conclusie: volgens mij is de reli-trend gewoon een moderne vorm van de katholieke aflaat: ik ben spiritueel bezig, ik vraag me dingen af en dus ben ik niet verantwoordelijk voor de ellende in de wereld.

Amerikaans onderzoek geeft aan, dat mensen die regelmatig naar de kerk gaan een lagere bloeddruk, minder hartkwalen en minder depressies hebben. Bidden heeft een gunstige uitwerking op de stresshormonen.

Deze kaleidoscoop van mtv-achtige levensbeschouwelijke clips is moeiteloos met tientallen uit te breiden. Binnen een dergelijk versplinterd en tegendraads geheel moeten jongeren hun levensbeschouwing bijeensprokkelen. Als de werkelijkheid voor ons al redelijk ingewikkeld  is, hoeveel te meer dan voor onze jongeren. Het zindert overal van levensbeschouwing, maar wel ongesystematiseerd, rijp en groen door elkaar.

Kijk ik vervolgens naar mijn eigen geschiedenis van docent godsdienst via catechese naar levensbeschouwing, dan valt mij met het toenemen der jaren ook een afname van het aantal uren op. Dus minder ruimte voor systematische aandacht voor levensbeschouwing in al zijn facetten, minder ruimte om de leerling te leren rijp en groen te onderscheiden.  Als vak achter de streep en zonder stok achter de deur vanuit het ministerie was en is ons vak een sappige lammetje, dat regelmatig  een stuk van zijn vlees kwijt raakte aan de hongerige wolven van de zogenaamde eindexamenvakken. Liever het weerloze lam offeren dan de strijd aanbinden met de wolven, moet menig staflid of commissie lessentabel gedacht hebben. Ik heb me ook vaak als vogelvrij verklaard, in de wiek geschoten en bijna afgeschoten zangvogeltje gevoeld.

De signalen uit de media  maken mij in ieder geval duidelijk, dat een samenleving die de levensbeschouwelijke vragen niet serieus neemt grote risico’s loopt. Een toenemend aantal mensen is daarvan doordrongen geraakt hetzij door na te denken over het spoor waarop de moderne samenleving zich bevindt danwel door de keiharde werkelijkheid van de eigen ervaringen. Maar omdat de school verdacht veel op België lijkt – sorry Jef- , gebeurt daar alles vijftig jaar later. Als de samenleving allang doordrongen is van het feit, dat aan het vermijden van de levensbeschouwelijke en ethische dialoog  een gigantisch prijskaartje hangt, moddert het onderwijs nog vrolijk verder met haar ‘kies exact’ en ‘geloof in de wetenschap’. De kans is niet denkbeeldig, dat wij als laatsten het levensbeschouwelijke licht uitdoen, waarna drie jaar later een vinnige discussie zal plaatsvinden over de noodzaak van goed levensbeschouwelijk onderwijs in onze scholen.

Terwijl het onderwijssysteem het goed mogelijk maakt om ruimte – en dat is meer dan een armzalig uurtje per week! – te creëren voor die zaken waarvan mensen die nadenken weten dat ze levensnoodzakelijk zijn voor de hen toevertrouwde kinderen. Ons type onderwijs levert uiteindelijk mensen op, die in alle rust gehoorzaam zijn aan de directieven van hun opdrachtgevers, of het nu gaat om medisch relevant onderzoek of een bijdrage aan biologische oorlogsvoering. Ik verwijs naar de discussie over genetisch onderzoek en de opmerking van Freeman eerder. Zo bijzonder is ons onderwijs, dat het mensen kan afleveren die zich geen seconde afvragen of wat zij doen wel of niet door hun ethische en levensbeschouwelijke beugel kan. Ze weten niet eens dat ze  die beugel hebben.

Als we de kaalslag toch overleven en het vak krijgt een faire kans, dan heb ik wel een idee wat ik van het vak levensbeschouwing verwacht om te kunnen functioneren. Het gaat mij dan in feite om drie zaken, mijn drie p’s heb ik ze genoemd. Het gaat mij om principe, partijdigheid en passie.

Principieel acht ik het noodzakelijk dat het vak de leerling volstrekt serieus neemt. Meer dan me druk te maken om de zogenaamde Bezugswissenschaft van mijn vak zie ik heil in het voortdurend peilen  waar de leerling mee bezig is, welke vragen hem en haar bezighouden, wat voor bewuste en onbewuste levensbeschouwelijke keuzes zij al gemaakt heeft, met wat voor identiteitsvragen hij rondloopt en daar zo veel mogelijk mee bezig zijn. Met het slinkend aantal uren heb ik er weinig aan om een fraai wetenschappelijk verantwoord curriculum op te zetten voor het vak, dat ik in feite nooit kan waarmaken. Ik kan op zijn best een eindje met de leerling meelopen, vragen stellen, hem kritisch weerwoord geven en dat ook van hem krijgen. Die intuïtie – het serieus nemen van de leerling als subject – is vooral de verdienste van de door velen verguisde ervaringskatechese geweest, die dezelfde principiële intentie had als het vak levensbeschouwing in mijn optiek. Wie het in 1977 mede door Jan van Lier geredigeerde ‘Werkboek katechese’ er op naslaat, staat verbaasd over de vele zaken die nog niets van hun actualiteit verloren hebben.

Partijdig moet het vak levensbeschouwing ook  zijn. Niet om een nieuw soort indoctrinatie te bewerkstelligen, maar wel om oog te hebben voor de mogelijke alternatieven die wij mensen hebben in deze moeizame tijden. In een ander verband heb ik gezegd, dat de tijd van de grote verhalen beslist niet voorbij is. De grote verhalen van de religieuze en politieke tradities van het westen zijn vervangen door de grote verhalen van het marktdenken en de onverschilligheid. De markt eist, de markt kan niet anders. Het zijn uitspraken die we eerder in een andere vorm ook al gehoord hebben. Als het hele leven onderworpen is aan de markt van vraag en aanbod, is het de taak van de katholieke school en als die zoals verwacht met die markt meegaat, voor de sectie levensbeschouwing  als spreekwoordelijke nar om de mogelijkheid van alternatieven voor deze verwoestende denk- en handelwijze aan de orde te stellen. Moet je alles wat de media, de verborgen verleiders, de markt je als absoluut noodzakelijk aanprijzen? Tot heil van wie en wat gebeurt dat alles?

Ook deze invalshoek is mede van Jan afkomstig. De gedachte van een per definitie partijdige levensbeschouwing ontleen ik met name aan het door hem en Fred Eijkman samengestelde ‘Dossier Bevrijdingskatechese’, een productie van het node gemiste HKI.

Passie is mijn derde p, die ik zeker verwacht van de docenten levensbeschouwing. Het moet leerlingen duidelijk voelbaar worden, dat het een groot goed is dat je over een dosis gezonde levensbeschouwing beschikt. Veel meer nog dan vroeger zal de docent levensbeschouwing als voorbeeldfiguur kunnen functioneren voor zoekende leerlingen. Zeker als helaas het gezin en andere vroegere socialiserende instanties het laten afweten. De docent levensbeschouwing neemt de leerling als zoeker serieus en laat hem zien dat het er  wel degelijk toe doet welke keuzes je maakt in het leven. Hij en zij zullen door de op de loer liggende onverschilligheid moeten breken en de leerlingen laten zien waar het werkelijk om gaat in het leven. Die zaken vormen de voornaamste gespreksthema’s voor de echte docent levensbeschouwing.

Een laatste opmerking: meermalen heeft men een pleidooi gehouden om het vak filosofie verplicht te stellen in het voortgezet onderwijs. Ook binnen confessionele scholen hoor je dat. En dat terwijl ons vak er niet voor schroomt een aantal filosofische kernvraagstukken aan de orde te stellen. Een aantal themata uit het eindexamenprogramma filosofie past naadloos in het vak levensbeschouwing. Tegelijk is dat filosofie-onderwijs beperkt door de vooral cognitieve rationele en immanente kanten ervan. Ik wijs het rationele denken niet af, integendeel, maar leerlingen hebben meer nodig, zoals ook de werkgroep ‘alles begint met nix’ al zei. Het gaat in het vak levensbeschouwing vooral om de vraag, hoe we samen het leven uit kunnen houden, hoe we met tenminste enige antwoorden op onze levensvragen de werkelijkheid van alledag aankunnen, die als zinvol kunnen ervaren, om kunnen gaan met de negatieve aspecten van het leven, vaardigheden kunnen ontwikkelen om ons levensgevoel ruimte te geven – ik denk aan tweede taal en rituelen.

Daar is filosofie toch te beperkt voor.

Het vak levensbeschouwing is mijn eigen passie, ik wil het niet ruilen voor maatschappijleer of filosofie, ik wil ook het gevoel van ‘er is meer’, zoals vele jongeren aangeven de ruimte geven, maar ook er kritisch mee omgaan. Als onze onderwijsbesluitvormers oog zouden krijgen voor wat in het vak levensbeschouwing allemaal mogelijk is, zou het morgen verplicht worden voor alle scholen. Tot lof en eer van Zijn Naam, tot welzijn van ons en en de leerling en in mijn ogen mede dankzij het werk voor en achter de schermen van Jan van Lier.

Jan, ik dank u.

(Bovenstaande tekst werd uitgesproken bij het afscheid van Jan van Lier op 7 april 1997)