Affluenzatest

Jaren geleden heb ik me gewaagd aan een lessenserie over levensbeschouwing en economie onder de titel “Je geld of je leven”. Ik heb het ook enkele malen gegeven totdat de ruimte ervoor binnen het programma te krap werd. Wat me toen wel opviel is dat leerlingen bij dit thema de grootst mogelijke moeite hebben om buiten het gangbare systeem te denken. Binnen de themata van de tweede fase leggen we de leerlingen uit:

* In elke cultuur is er sprake van een dominant perspectief. Wat is dat t.a.v. dit thema?
* Zijn er alternatieven denkbaar, die je in plaats van het dominante denken kunt plaatsen?
* Wat is na zorgvuldige afweging van beide mogelijkheden voor mij het beste?

Het kan in de lessen levensbeschouwing niet de bedoeling zijn de leerlingen voor te houden welk perspectief het beste is. Het gaat erom bij beide perspectieven vragen te stellen die het mogelijk maken later een verantwoordere keuze voor een van beide te maken. Als ze aan het eind van de lessen voor het dominante perspectief kiezen, hebben ze het in ieder geval bewust gedaan. En daar is dan veel mee gewonnen.

Omdat de lessentabel van het vwo bijgesteld is, voor de eerste keer in vele jaren naar boven: van 120 naar 160 uur, komt er ruimte vrij om dit thema weer op de agenda te plaatsen. Al experimenterend met verschillende werkvormen heb ik een affluenzatest gemaakt. Het gaat om 15 uitspraken die over omgaan met geld en goed gaan, waarvan de antwoorden een bepaald punt opleveren en aan het eind weet de leerling of zhij licht of juist zeer zwaar met het affluenzavirus besmet is.


De vragen 1 t/m 9 en 15 leveren 20 punten voor JA, voor NEE 10 punten.
De vragen 10 t/m 14 leveren voor Ja 0 punten, voor NEE 20 punten op.

Uitslag:
100-150 punten: je bent redelijk ongevoelig voor het affluenza virus.
160-220 punten: je loopt serieus gevaar, tenminste 2 aspirines nemen.
230 – 300: je moet alle creditkaarten doorknippen en snel naar de dokter gaan.

De test is ook klassikaal te maken door de test via de beamer te projecteren en de leerlingen na elke uitspraak zelf een plusje of minnetje te laten schrijven. Daarna krijgen ze de puntentelling en noteren de uitkomst, die vervolgens door iedereen voorgelezen wordt.