Afscheid Jan van Lier

Beste Jan, geachte aanwezigen,

De keuze van de inleiders van dit symposium maakt meteen duidelijk, in welk circuit Jan van Lier meestentijds verkeerd heeft. Vier mannen voeren hier vanmiddag het woord: want Jan is immers al van voor de tweede feministische golf. Drie  mannen houden zich bezig met studie van de dagelijkse labeur van de godsdienstleerkracht, de docent katechese of de docent levensbeschouwing en hebben daar hele ware, wijze en soms erg wetenschappelijke woorden aan gewijd.  Als man van de werkvloer mag ik het woord voeren over de toekomst van het vak levensbeschouwing. Tussen deze drie wijze mannen en mijn veldwerkerspersoon staat Jan van Lier: in de positie van bemiddelaar tussen theorie en praktijk. Als iemand die zeer nauwgezet de merites van bepaalde wetenschappelijke opvattingen doordenkt en zich vervolgens afvraagt wat die te betekenen hebben voor de dagelijkse lespraktijk.

Wie klas na klas in zijn lokaal ziet verschijnen met de daaraan gekoppelde werkzaamheden, heeft na gedane arbeid helaas niet zo veel zin meer in een portie wetenschappelijke kost. Ook ik moet mezelf erop betrappen, dat na bijna 25 jaar ervaring met leerlingen de behoefte aan wetenschappelijke vertogen een stuk minder is geworden. Mijn ideeën over de toekomst van het vak levensbeschouwing komen dan ook voornamelijk uit de ervaringen met 360 verschillende jongeren per week.

Die jongeren groeien op in een samenleving, waarin levensbeschouwing tot een marginaal gebied is verklaard. Tegelijkertijd kun je de media niet open-slaan of bekijken, of je komt een massa levensbeschouwelijke en ethische zaken tegen. Ik doe een greep uit drie maanden kranten lezen:

Wekelijks melden de vakbladen de ontdekking van een nieuw gen, dat verantwoordelijk is voor een aandoening. Voorspellend erfelijkheidsonderzoek wordt steeds belangrijker. Krijgen we nu een genetische selectie door werkgevers en verzekeraars? Zieken vragen zich af: Ik heb een dochter van 17. Moet ik het haar vertellen? Moet zij zich laten testen?

Bij een groot aantal jongeren is de beweging ‘Ware liefde wacht..” een succes: zij wachten met seks tot het huwelijk.

Op de openbare scholengemeenschap Rijnlands Lyceum kunnen de vijfde klassers intekenen voor een werkgroep ‘Bijbel en literatuur’.

In de Verenigde Staten verkoopt esoterie beter dan wetenschap. Afgelopen tijd werd ik door leerlingen getracteerd op een kernwijsheid, die ze opgedoken hadden uit de zeer druk bekeken Veronicaserie X-files. The truth is out there, de waarheid ligt daarginds buiten.

Twee Taizébroeders organiseerden afgelopen maanden een tiental bijeenkomsten over Taizé in Nederland. Hun vraag was: wat te doen met zoveel jonge wijn, als er geen vat meer is om in te rijpen?

Salman Rushdie maakt zich bezorgd over Europese waarden. Hij zegt: dit nieuwe Europa komt op mij niet over als een beschaving, maar als één grote cynische onderneming. Europa exporteert liever vlees dan vrijheid.

In een recent boek over de verborgen geschiedenis van de wetenschap maken verschillende schrijvers duidelijk, dat wetenschap is wat de beoefenaren ervan maken. Mensenwerk, niet meer en niet minder. De wetenschappelijke gemeenschap  heeft net zo goed als ieder ander  blinde vlekken, lijdt aan vergeetachtigheid en is liever lui dan moe.

Minister Borst zegt dat ze zich kan voorstellen dat een buitenlandse vrouw in nood kan verkeren omdat ze een meisje verwacht.

Harry Premselaar richtte de stichting financiële wijsbegeerte op. Immers, beleggen geeft zin aan je leven, het maakt je tot een actief deelnemer in de maatschappij, want je bezit een deeltje van een onderneming. En dàt is een prettig gevoel.

Ik citeer Meerten ter Borg: naarmate het vanzelfsprekende traditionele geloof afneemt, praten mensen meer over levensbeschouwelijke zaken. En niemand gelooft meer dat we gelukkiger worden als we afrekenen met ouderwetse religie en steeds rationeler gaan leven. In toenemende mate zullen mensen van religie naar religie zappen. Het zou me niet verbazen dat neutrale kranten als de Volkskrant en NRC in de toekomst een pagina geestelijk leven of levensbeschouwing krijgen.

In zijn inauguratie sprak Bill Clinton over het land van de nieuwe belofte. Een analist meldde dat dat verdacht veel lijkt op de Celestijnse Belofte: we zullen het heil, de integratie van het individu in het geheel, vooral in onszelf moeten vinden.

Trouw op 22 januari  ”De topmanager van de toekomst moet sociaal begaafd zijn, helder kunnen spreken en schrijven, en zich verdiept hebben in religie, filosofie, psychologie en geschiedenis.

Promovendus van Bracht, TU Delft: Een universiteit is als een klooster, waarin niet novices, maar studenten, niet monniken maar docenten zich overgeven aan een geloof, het geloof dat we de wereld nog beter zullen begrijpen als we haar nog beter beschrijven. Echter, de wereld is als de liefde, zelfs een perfecte beschrijving mist volledig de kern.

Hoogleraar fysica Freeman Dyson zoekt naar criteria om aan te geven hoe natuurwetenschap en technologie ten kwade of ten goede worden aangewend.  Een citaat: de natuurwetenschap werkt ten kwade, als ze de rijken meer speelgoed bezorgt. Hij rekent op de macht van de ethiek, die hij belichaamd ziet in de milieubeweging en in de religie.

Instellingen voor thuiszorg moeten meer aandacht besteden aan de levensbeschouwelijke vragen van hulpverleners en cliënten. Zij krijgen te weinig informatie om concrete vragen over het ouder worden, sterven, eenzaamheid of de zin van ziek zijn goed te kunnen beantwoorden.

Onbekommerd verkondigt actrice Gerda Havertong haar geloof in een beschermengel, een overtuiging die ze deelt met vele andere aardbewoners. Ze wordt er niet om uitgelachen.

Enkele reacties op de afronding van het kennisdebat: de studentenvakbond LSVb denkt dat filosofie een schoolvak moet worden. Filosofie wapent het individu met oordeelsvermogen en kritische zin. Dat biedt de beste bescherming tegen manipulatie en stelt mensen in staat de informatiestroom te interpreteren en te begrijpen,

De werkgroep ‘alles begint met nix’: We leren op school van alles, maar waar het echt om draait in het leven, dat moeten we zelf maar uitzoeken. Daarom moet er voor schoolverlaters tussen de 16 en 21 een modern initiatieritueel komen dat tussen een week en drie maanden beslaat.

In het aprilnummer van Marie Claire schrijft Saskia Noort over de behoefte aan een handleiding voor het leven in onze ‘zoek-het-zelf-maar-uit-maatschappij. Ze noteert als harde conclusie: volgens mij is de reli-trend gewoon een moderne vorm van de katholieke aflaat: ik ben spiritueel bezig, ik vraag me dingen af en dus ben ik niet verantwoordelijk voor de ellende in de wereld.

Amerikaans onderzoek geeft aan, dat mensen die regelmatig naar de kerk gaan een lagere bloeddruk, minder hartkwalen en minder depressies hebben. Bidden heeft een gunstige uitwerking op de stresshormonen.

Deze kaleidoscoop van mtv-achtige levensbeschouwelijke clips is moeiteloos met tientallen uit te breiden. Binnen een dergelijk versplinterd en tegendraads geheel moeten jongeren hun levensbeschouwing bijeensprokkelen. Als de werkelijkheid voor ons al redelijk ingewikkeld  is, hoeveel te meer dan voor onze jongeren. Het zindert overal van levensbeschouwing, maar wel ongesystematiseerd, rijp en groen door elkaar.

Kijk ik vervolgens naar mijn eigen geschiedenis van docent godsdienst via catechese naar levensbeschouwing, dan valt mij met het toenemen der jaren ook een afname van het aantal uren op. Dus minder ruimte voor systematische aandacht voor levensbeschouwing in al zijn facetten, minder ruimte om de leerling te leren rijp en groen te onderscheiden.  Als vak achter de streep en zonder stok achter de deur vanuit het ministerie was en is ons vak een sappige lammetje, dat regelmatig  een stuk van zijn vlees kwijt raakte aan de hongerige wolven van de zogenaamde eindexamenvakken. Liever het weerloze lam offeren dan de strijd aanbinden met de wolven, moet menig staflid of commissie lessentabel gedacht hebben. Ik heb me ook vaak als vogelvrij verklaard, in de wiek geschoten en bijna afgeschoten zangvogeltje gevoeld.

De signalen uit de media  maken mij in ieder geval duidelijk, dat een samenleving die de levensbeschouwelijke vragen niet serieus neemt grote risico’s loopt. Een toenemend aantal mensen is daarvan doordrongen geraakt hetzij door na te denken over het spoor waarop de moderne samenleving zich bevindt danwel door de keiharde werkelijkheid van de eigen ervaringen. Maar omdat de school verdacht veel op België lijkt – sorry Jef- , gebeurt daar alles vijftig jaar later. Als de samenleving allang doordrongen is van het feit, dat aan het vermijden van de levensbeschouwelijke en ethische dialoog  een gigantisch prijskaartje hangt, moddert het onderwijs nog vrolijk verder met haar ‘kies exact’ en ‘geloof in de wetenschap’. De kans is niet denkbeeldig, dat wij als laatsten het levensbeschouwelijke licht uitdoen, waarna drie jaar later een vinnige discussie zal plaatsvinden over de noodzaak van goed levensbeschouwelijk onderwijs in onze scholen.

Terwijl het onderwijssysteem het goed mogelijk maakt om ruimte – en dat is meer dan een armzalig uurtje per week! – te creëren voor die zaken waarvan mensen die nadenken weten dat ze levensnoodzakelijk zijn voor de hen toevertrouwde kinderen. Ons type onderwijs levert uiteindelijk mensen op, die in alle rust gehoorzaam zijn aan de directieven van hun opdrachtgevers, of het nu gaat om medisch relevant onderzoek of een bijdrage aan biologische oorlogsvoering. Ik verwijs naar de discussie over genetisch onderzoek en de opmerking van Freeman eerder. Zo bijzonder is ons onderwijs, dat het mensen kan afleveren die zich geen seconde afvragen of wat zij doen wel of niet door hun ethische en levensbeschouwelijke beugel kan. Ze weten niet eens dat ze  die beugel hebben.

Als we de kaalslag toch overleven en het vak krijgt een faire kans, dan heb ik wel een idee wat ik van het vak levensbeschouwing verwacht om te kunnen functioneren. Het gaat mij dan in feite om drie zaken, mijn drie p’s heb ik ze genoemd. Het gaat mij om principe, partijdigheid en passie.

Principieel acht ik het noodzakelijk dat het vak de leerling volstrekt serieus neemt. Meer dan me druk te maken om de zogenaamde Bezugswissenschaft van mijn vak zie ik heil in het voortdurend peilen  waar de leerling mee bezig is, welke vragen hem en haar bezighouden, wat voor bewuste en onbewuste levensbeschouwelijke keuzes zij al gemaakt heeft, met wat voor identiteitsvragen hij rondloopt en daar zo veel mogelijk mee bezig zijn. Met het slinkend aantal uren heb ik er weinig aan om een fraai wetenschappelijk verantwoord curriculum op te zetten voor het vak, dat ik in feite nooit kan waarmaken. Ik kan op zijn best een eindje met de leerling meelopen, vragen stellen, hem kritisch weerwoord geven en dat ook van hem krijgen. Die intuïtie – het serieus nemen van de leerling als subject – is vooral de verdienste van de door velen verguisde ervaringskatechese geweest, die dezelfde principiële intentie had als het vak levensbeschouwing in mijn optiek. Wie het in 1977 mede door Jan van Lier geredigeerde ‘Werkboek katechese’ er op naslaat, staat verbaasd over de vele zaken die nog niets van hun actualiteit verloren hebben.

Partijdig moet het vak levensbeschouwing ook  zijn. Niet om een nieuw soort indoctrinatie te bewerkstelligen, maar wel om oog te hebben voor de mogelijke alternatieven die wij mensen hebben in deze moeizame tijden. In een ander verband heb ik gezegd, dat de tijd van de grote verhalen beslist niet voorbij is. De grote verhalen van de religieuze en politieke tradities van het westen zijn vervangen door de grote verhalen van het marktdenken en de onverschilligheid. De markt eist, de markt kan niet anders. Het zijn uitspraken die we eerder in een andere vorm ook al gehoord hebben. Als het hele leven onderworpen is aan de markt van vraag en aanbod, is het de taak van de katholieke school en als die zoals verwacht met die markt meegaat, voor de sectie levensbeschouwing  als spreekwoordelijke nar om de mogelijkheid van alternatieven voor deze verwoestende denk- en handelwijze aan de orde te stellen. Moet je alles wat de media, de verborgen verleiders, de markt je als absoluut noodzakelijk aanprijzen? Tot heil van wie en wat gebeurt dat alles?

Ook deze invalshoek is mede van Jan afkomstig. De gedachte van een per definitie partijdige levensbeschouwing ontleen ik met name aan het door hem en Fred Eijkman samengestelde ‘Dossier Bevrijdingskatechese’, een productie van het node gemiste HKI.

Passie is mijn derde p, die ik zeker verwacht van de docenten levensbeschouwing. Het moet leerlingen duidelijk voelbaar worden, dat het een groot goed is dat je over een dosis gezonde levensbeschouwing beschikt. Veel meer nog dan vroeger zal de docent levensbeschouwing als voorbeeldfiguur kunnen functioneren voor zoekende leerlingen. Zeker als helaas het gezin en andere vroegere socialiserende instanties het laten afweten. De docent levensbeschouwing neemt de leerling als zoeker serieus en laat hem zien dat het er  wel degelijk toe doet welke keuzes je maakt in het leven. Hij en zij zullen door de op de loer liggende onverschilligheid moeten breken en de leerlingen laten zien waar het werkelijk om gaat in het leven. Die zaken vormen de voornaamste gespreksthema’s voor de echte docent levensbeschouwing.

Een laatste opmerking: meermalen heeft men een pleidooi gehouden om het vak filosofie verplicht te stellen in het voortgezet onderwijs. Ook binnen confessionele scholen hoor je dat. En dat terwijl ons vak er niet voor schroomt een aantal filosofische kernvraagstukken aan de orde te stellen. Een aantal themata uit het eindexamenprogramma filosofie past naadloos in het vak levensbeschouwing. Tegelijk is dat filosofie-onderwijs beperkt door de vooral cognitieve rationele en immanente kanten ervan. Ik wijs het rationele denken niet af, integendeel, maar leerlingen hebben meer nodig, zoals ook de werkgroep ‘alles begint met nix’ al zei. Het gaat in het vak levensbeschouwing vooral om de vraag, hoe we samen het leven uit kunnen houden, hoe we met tenminste enige antwoorden op onze levensvragen de werkelijkheid van alledag aankunnen, die als zinvol kunnen ervaren, om kunnen gaan met de negatieve aspecten van het leven, vaardigheden kunnen ontwikkelen om ons levensgevoel ruimte te geven – ik denk aan tweede taal en rituelen.

Daar is filosofie toch te beperkt voor.

Het vak levensbeschouwing is mijn eigen passie, ik wil het niet ruilen voor maatschappijleer of filosofie, ik wil ook het gevoel van ‘er is meer’, zoals vele jongeren aangeven de ruimte geven, maar ook er kritisch mee omgaan. Als onze onderwijsbesluitvormers oog zouden krijgen voor wat in het vak levensbeschouwing allemaal mogelijk is, zou het morgen verplicht worden voor alle scholen. Tot lof en eer van Zijn Naam, tot welzijn van ons en en de leerling en in mijn ogen mede dankzij het werk voor en achter de schermen van Jan van Lier.

Jan, ik dank u.

(Bovenstaande tekst werd uitgesproken bij het afscheid van Jan van Lier op 7 april 1997)