Categorie archief: boeken

Oscar en oma Rozerood

Oscar is een jongen van tien, die zo ongeveer in het ziekenhuis woont, want hij heeft leukemie en men doet er alles aan om hem beter te maken. Hij observeert scherp: “Het ziekenhuis is onwijs leuk, als je een patiënt bent waar ze blij mee zijn. Maar ze zijn niet meer blij met mij. Sinds mijn beenmergtransplantatie merk ik heel duidelijk dat ze niet meer blij met me zijn.”

Hij heeft vriendjes in het ziekenhuis die ook voor ernstige ziekten onder behandeling zijn: Bacon, Einstein en Popcorn. Er zijn allemaal mevrouwen in rozerode schorten die met de kinderen willen spelen.

Oma Rozerood is de enige die zichzelf gebleven is ondanks de negatieve sfeer die Oscar is gaan ervaren, nu “ik een slechte zieke ben geworden, een zieke die je belet te geloven dat dokters alles kunnen.”

Omdat iedereen ‘doof’ wordt als hij vraagt of hij doodgaat, vraagt hij het oma Rozerood. Tegen zijn verwachting in zegt ze: ”Waarom wil je dat ze je het vertellen als je het al weet, Oscar?”

“Oma Rozerood, is mijn operatie mislukt?”

Oma Rozerood geeft geen antwoord. Dat was haar manier om ja te zeggen.

Oma Rozerood geeft hem het advies een brief aan God te schrijven. Daar wil Oscar eigenlijk niets van weten en er ontstaat een discussie. Mooi fragment daarin is:

“ ‘En waarom zou ik God schrijven?’

‘Omdat je je dan minder alleen zult voelen.’

‘Minder alleen met iemand die niet bestaat?’

‘Zorg dan dat hij wel bestaat.’

Ze boog zich naar me toe.

‘Elke keer als je in hem gelooft, zal hij een beetje meer gaan bestaan, Als je maar lang genoeg volhoudt, zal hij helemaal bestaan. En dan zal hij je helpen.’

‘Wat kan ik hem dan schrijven?’

‘Vertel hem wat je denkt. Gedachten die je voor je houdt, zijn gedachten die op je drukken, die zich in je hoofd nestelen, die een last voor je zijn. Die je verlammen, die de plaats innemen van nieuwe ideeën en die je ziek maken. Als je er niet over praat, wordt je een vuilnisbak vol oude gedachten die gaan stinken.’

Verhalen van een worstelaarster

Het boek van Schmitt over Oscar bevat de brieven die Oscar in de loop van zijn laatste levensfase aan God heeft geschreven: open, met een verrassende kijk op de wereld en vaak heel humoristisch. Volgens oma Rozerood mag je bij God een wens doen, een per dag, niet voor hebbedingen, maar voor zaken die met je innerlijk te maken hebben. Enkele brieven later eindigt Oscar met: “Vandaag geen wens. Kun jij ook eens uitrusten.”

Oscar ruikt onraad als zijn ouders op een andere dag dan zondag naar het ziekenhuis komen. Hij luistert hun gesprek met dokter Düsseldorf af, ze willen hem niet opzoeken omdat ze te zeer gegrepen zijn door het doodvonnis, maar Oscar vindt hen maar lafaards. Hij wordt weer rustig als oma Rozerood langs komt en met hem praat en zelfs een kus op zijn wang geeft. Als Oscar hoort dat ze maar twee keer per week mag komen, bezweert hij haar langs dokter Düsseldorf te gaan en te vragen of zij hem dagelijks mag zien, want hij realiseert zich dat hij nu echt iemand nodig heeft als steun en toeverlaat. Ze komt terug met de mededeling dat ze de komende 12 dagen iedere dag hem mag komen bezoeken. Ze vraagt hem ook een spelletje met haar te spelen. “Vanaf vandaag moet je elke dag goed opletten en je voorstellen dat die dag voor tien jaar telt.”

Een belangrijk onderdeel van oma Rozeroods gesprekken gaat over haar verleden als worstelaarster met vele verschillende vrouwen op zeer verschillende plaatsen.

Ze gebruikt haar worstelverhalen om Oscar anders te laten denken en doen, zodat hij de moeite neemt om een medepatiëntje, Peggy Blue, te zeggen dat hij haar leuk vindt.

Oma Rozerood redt hem als hij een nacht met Peggy doorbrengt, naast haar in bed liggend, waar ze de volgende ochtend door de hoofdzuster worden betrapt. Tegen de tierende vrouw valt ze uit: “Willen jullie die kinderen weleens met rust laten! Waarvoor zijn jullie hier eigenlijk, om op de kinderen te passen of op de regels? Ik heb geen donder met jullie regels te maken, die regels van jullie kunnen me gestolen worden.”

Oma Rozerood neemt hem mee naar de kapel, waar hij het halfnaakte, gepijnigde Christusbeeld ziet en tegen haar zegt:”even serieus, oma Rozerood: u bent worstelaarster, u bent een beroemd kampioene geweest, dan gaat u toch zeker niet in zoiets geloven?”

“Waarom niet Oscar? Zou je meer geloven in God als je een bodybuilder zag met een getraind lijf, dikke spierbundels, zijn huid glimmend van de olie, kortgeknipt haar en een flatteus minislipje?”

‘Eh’

‘Denk eens na, Oscar. Wie staat er dichter bij je, naar je gevoel? Een god die geen beproevingen doorstaat of een God die pijn lijdt?’

‘Een God die pijn lijdt, natuurlijk. Maar als ik hem was, als ik God was, als ik net als hij de mogelijkheden had, zou ik ervoor hebben gezorgd, dat ik geen pijn hoefde te lijden.’

‘Niemand kan er voor zorgen dat hij geen pijn hoeft te lijden. God net zo min als jij. Je ouders net zo min als ik.’ (55)

Levensvragen

Op kerstmiddag weet Oscar zich te verstoppen in de auto van oma Rozerood en rijdt zonder dat ze het in de gaten heeft met haar mee naar haar huis. Hij valt in slaap en wordt wakker als het donker is. Koud en verkleumd probeert hij aan te bellen en op de stoep vindt oma Rozerood hem. Ze neemt hem mee naar binnen, waarschuwt het ziekenhuis waar groot alarm geslagen is en wachten op de ouders van Oscar. Oscar en oma praten over ouders en Oscar begrijpt nu dat zijn ouders niet bang voor hem zijn, maar voor zijn ziekte. Hij begrijpt dat hun angst ook met de angst voor de eigen dood te maken heeft en laat zich tijdens het kerstfeest bij oma Rozerood van een andere kant zien. Daardoor kan hij zich met hen verzoenen en wenst hij die avond dat zijn ouders altijd zo blijven als vanavond.

Als Oscar ‘tussen de zeventig en de tachtig is’, leest hij met Peggy de medische encyclopedie.

“Ik heb gekeken naar de woorden die mij interesseren:‘Leven’, ‘Dood’ ‘Geloof’, ‘God’. Je houdt het niet voor mogelijk, maar ze stonden er niet in. Nou, dat bewijst al dat het geen ziektes zijn, het leven niet, de dood niet, het geloof niet en jij ook niet. Op zich is dat goed nieuws. Maar in zo’n serieus boek zou je toch een antwoord moeten vinden op de meest serieuze vragen van het leven, vind je ook niet?

‘Oma Rozerood, ik heb de indruk dat er in de Medische Encyclopedie alleen maar speciale dingen staan, problemen die bepaalde mensen kunnen overkomen. Maar de dingen die voor ons allemaal belangrijk zijn – het Leven, de Dood, Het Geloof en God,- die staan er niet in.’

‘Die staan misschien in een Filosofische Encyclopedie, Oscar. Maar ook al vind je daarin de begrippen die je zoekt, dan nog loop je de kans dat je teleurgesteld wordt. Voor elk begrip worden daarin namelijk heel verschillende antwoorden gegeven.’

‘Hoe kan dat?’

‘De meest interessante vragen blijven vragen. Ze dragen een geheim in zich. Bij elk antwoord hoort een ‘misschien’.Alleen onbelangrijke vragen hebben een duidelijk antwoord.’

‘Bedoelt u dat er geen oplossing voor het begrip Leven is?’

‘Ik bedoel dat er voor Leven verschillende oplossingen zijn, dus geen oplossing.’ (82)

God ervaren

Als hij ‘negentig’ is wordt hij ‘s morgens wakker en realiseert zich de aanwezigheid van God. Tegen de ochtend kijkend naar de sneeuw ervaart hij Gods aanwezigheid in het aanbreken van de dag, de gang van de seizoenen, de   komst en aanwezigheid van zijn medemensen.

”Ik begreep dat jij er was. Dat je me jouw geheim vertelde: bekijk de wereld elke dag alsof het de eerste keer is.

En toen heb ik je raad opgevolgd en ik heb mijn best gedaan. De eerste keer. Ik keek naar het licht, de kleuren, de bomen, de vogels, de dieren. Ik voelde de lucht door mijn neusgaten binnenstromen en mijn longen vullen. Ik hoorde stemmen die in de gang opstegen als naar het gewelf van een kathedraal. Ik voelde mezelf leven. Ik trilde van pure vreugde. Ik was gelukkig dat ik bestond. Het was geweldig.” (87)

Twee dagen later, als hij ‘honderdtien’ is, sterft Oscar. De laatste brief aan God is geschreven door oma Rozerood, waaruit het volgende fragment:

“Hij is vanmorgen gestorven, tijdens het half uurtje dat ik met zijn ouders even koffie was gaan drinken. Hij heeft het zonder ons gedaan. IK denk dat hij daarop heeft gewacht om ons te ontzien. Alsof hij ons de hevige emotie van zijn levenseinde wilde besparen. Eigenlijk was hij degene die over ons waakte (…)

Bedankt dat ik Oscar heb leren kennen. Dankzij hem was ik grappig, verzon ik verhalen, kreeg ik zelfs verstand van worstelen. Dankzij hem heb ik gelachen en vreugde gekend. Hij heeft mij geholpen in jou te geloven. Ik ben vol van liefde, ik gloei ervan, hij heeft me er zoveel van gegeven dat ik genoeg heb voor de rest van mijn leven.”

De laatste alinea:

“PS. De laatste drie dagen had Oscar een bordje op zijn nachtkastje neergezet. Ik geloof dat het voor jou was. Hij had erop geschreven: ‘Alleen God mag me wakker maken.’” (92)

Eric-Emmanuel Schmitt, Oscar en oma Rozerood

2002, Nederlandse vertaling 2013

Aanknopingspunten

  • Dit boek van Eric-Emmanuel Schmitt is een aanrader voor onze leerlingen. Leerlingen die een serieus, ontroerend en grappig geschreven boek van minder dan honderd pagina’s willen lezen hebben met dit boek een gouden greep.
  • Een recensie ervan in de schoolkrant met de oproep om het eens te lezen kan sommigen misschien over de streep trekken.
  • Diverse fragmenten in mijn stuk hierboven, maar zeer zeker ook andere – want iedereen heeft zijn eigen voorkeuren – kunnen als extra-materiaal,  opdrachtje bij veel levensbeschouwelijk lesmateriaal gebruikt worden.
  • Op dezelfde pagina komen de hermeneutische knooppunten in dit boek volgens de redactie neer op vragen als
    • Wat is lijden?
    • Waarom is er lijden in de wereld?
    • Welke soorten lijden bestaan er allemaal?
    • Is een God verantwoordelijk voor het lijden in de wereld?
    • Wat is een godsbeeld?
    • Wat is een goed godsbeeld?
    • Welke godsbeelden bestaan er in de christelijke traditie?
    • Hebben andere religieuze tradities ook godsbeelden en hoe zien die er dan uit?
    • Wat is hoop?
    • Is de hoop sterker dan de dood?
  • De pagina vermeldt ook enkele impulsen alvorens met het verhaal aan de slag te gaan.
  • Tot slot volgen ook didactische suggesties om bijvoorbeeld het verhaal van Job hieraan te koppelen.
  • Wie van het verhaal uit wil gaan, maar het niet wil lezen, maar zien kan ook met de film die in 2009 gemaakt is, werken. “Oscar et la dame rose’. De regie is in handen van de schrijver zelf. Een recensie ervan vind je op http://www.fransefilms.nl/oscar-et-la-dame-rose/. Hij duurt 90 minuten. Bol.com heeft hem in voorraad. Prijs is €8,99.

Coming of Age

Een belangrijk thema, zowel in romans als in films, is het volwassen worden van jongeren. Op velerlei wijzen is dit proces gethematiseerd en in de grote meerderheid van de gevallen is het een verhaal met een positieve uitkomst, zij het meestal na enige strubbelingen die de spanning erin moeten brengen.

Een heel apart verhaal is de roman ‘Staal’ van de jonge Italiaanse schrijfster Silvia Avallone, die in Italië met enkele prijzen ging slepen en een hele tijd op nummer 1 van de bestsellerlijst heeft gestaan. Al is dat zeker geen garantie voor een authentieke roman, ik durf te zeggen, dat ze een fraaie prestatie geleverd heeft en een roman heeft geschreven die je blijft boeien.

Het is het verhaal van Anne en Francesca, twee dertienjarige meisjes, die ontdekken dat hun zich ontwikkelende lichaam hen tot het middelpunt van de kleine wereld van Piombino maakt. Piombino is een stad met een fikse staalindustrie aan de Middelllandse Zee en ligt tegenover Elba. De meeste mensen zijn nog nooit naar Elba geweest, het is het gebied van de toeristen en de rijken; en zij wonen en werken in Piombino in naargeestige woonkazernes, waar de verdovende middelen het leven een stuk veraangenamen. In Dante’s termen: Elba is de hemel, Piombino is op zjn best het vagevuur en op zijn slechtst de hel.

Anna en Francesca zag ik regelmatig in mijn klas en elke docent kent ze: enkele zeer van zichzelf bewuste meiden in ieder geval wat hun lichamelijkheid betreft, die een leidende rol in een klas kunnen spelen, omdat ze het testosteron van de jongens kunnen richten en ze zich de arrogantie aan kunnen meten zich boven andere minder bedeelde meiden te verheffen. In feite zijn het zielige onzekere meiden die de voortdurende bewondering van anderen nodig hebben om te denken dat ze iets betekenen. Narcisme ten top, en als binnen afzienbare tijd de belangstelling van de omgeving naar andere meiden gaat, vallen ze in een diep gat.

In haar roman laat Avallone de sociale achtergrond sterk meewegen. Je bent in Piombino geboren en ook al behoor je tot de top twee van je leeftijd, je zult genadeloos ingehaald worden en je leven op een ander niveau in Piombino slijten dan je op 13-jarige leeftijd gedacht hebt. Het gaat in haar roman over mensen die nergens meer in geloven; het enige wat ze kunnen en doen, is het creëren van een valse wereld door drugs, seks en drank. Alleen de moeder van Anna blijft geloven in het ideaal van de gelijke mens en deelt pamfletten uit op bepaalde plaatsen en tijden. Alle anderen praten over een beter leven, maar laten door een vorm van zelfdestructief gedrag zien, dat ze er diep van binnen niets van geloven.

Het is geen prettige volwassenheid waarin Avallone de beide meiden laat eindigen. Anna wordt verliefd op een oude vriend van haar broer Alessio, heeft er anderhalf jaar een complete seksuele relatie mee, maar raakt wel gedesillusioneerd. Op een leeftijd, waarin je aan alle kanten geestelijk en lichamelijk aan het ontwikkelen bent een leven leiden dat bijna uitsluitend volwassen is, moet wel sporen nalaten in iemand volwassenwording. Francesca en haar moeder worden lens geslagen door haar vader, zij ontdekt haar lesbische kant in zich en ontwikkelt een flinke mannenhaat. Dat maakt het haar mogelijk om kil en zakelijk te gaan optreden in een stripbar en zo haar geld te verdienen.

Beide meiden groeien uit elkaar en aan het eind komen ze elkaar bij Anna thuis weer tegen. Sandra, Anna’s moeder, stelt hen voor een tochtje naar Elba te maken, wat gemakkelijk kan op een dag. Dat is het enige hoopgevende aan het eind van de roman: als de meiden de werkelijkheid van Elba ondergaan hebben, zal blijken dat het eiland helemaal niet de hemel is, maar een andere werkelijkheid, waar het ook ploeteren en werken is om er het leven mogelijk te maken. Misschien lukt het de meisjes zo om een realistischer beeld van zichzelf en de wereld te krijgen.
[Silvia Avallone, Staal (Italiaanse titel: ‘Acciaio’, De Bezige Bij, 2010, 19,90]

Eigen keuze wordt vergemakkelijkt

Wie in zijn eigen tempo de verschillende projecten bekijkt, zal spoedig merken dat er in meerdere projecten hetzelfde materiaal te vinden is. Ze zijn de versies van Te Denken Geven versie 2010 opgenomen naast die van 2011. Alleen het project voor de tweede klas over de mensen van het boek is dit jaar ongewijzigd gebleven, alle andere projecten hebben een inhoudelijke verandering ondergaan. In jaar een hebben we een andere opzet gekozen in samenwerking met sectie levensbeschouwing van de KSE. Verderop wordt de opzet uitgelegd. In klas drie bleken we te veel materiaal te hebben en is de levensbeschouwelijke filmanalyse naar jaar 4 gegaan. Daar vonden we een mooie plaats achter het hoofdstuk over levensbeschouwing en cultuur. Hebben we in de eerste hoofdstukken de leerlingen laten ontdekken dat ze toch wel duidelijk postmoderne mensen zijn, voor wie de grote verhalen hun geloofwaardigheid hebben verloren en die op zoek gaan naar kleinere verhalen voor hun zingeving, dan komt in het hoofdstuk over levensbeschouwing en cultuur naar voren, dat popmuziek, film, cabaret en andere kleine verhalen veel mensen antwoorden op hun levensvragen kunnen geven. In dat kader kan het hoofdstuk over levensbeschouwing en film goed geplaatst worden.
Bij sommige jaren zijn toch maar bepaalde onderdelen geschrapt, meestal wegens tijdgebrek, soms omdat niet de juiste ingang tot de leerling te vinden was. Andere keren hebben we een thema weer uitgebreid of juist kleiner gemaakt, omdat bepaalde onderdelen niet hebben gewerkt in onze setting. Soms hebben we plotseling het licht gezien en een werkvorm gevonden die uitdagend is voor de leerlingen.
Een ander onderdeel zijn de projecten van de KSE. De sectie levensbeschouwing heeft met Queeste een heel andere invalshoek gekozen dan de sectie van het Newmancollege. In de tweede fase is wel een aantal jaren samengewerkt en hebben we de tdgtf-projecten samen opgezet. Wie deze projecten bekijkt en vervolgens het materiaal van Newman en KSE vergelijkt, ziet dat beide secties toch een eigen kant zijn opgegaan met het beschikbare materiaal.
Het is deze manier van werken die tot vruchtbaarheid kan leiden. Mensen van de ene sectie zien wat de andere sectie gedaan heeft en denken daar zelf nog eens over na. Vervolgens kan men op een eigen manier het beschikbare materiaal assembleren tot een eigen curriculum, al dan niet aangevuld met eigen materialen.
Docenten die een eigen versie van TDG willen samenstellen kunnen dankzij de flashbestanden gemakkelijk een eigen keuze maken!

Overzicht beschikbare projecten

Docenten willen zich graag breed oriënteren op datgene wat er levensbeschouwelijk op de markt komt. Zo kunnen ze op basis van het beschikbare materiaal en hun eigen ideeën over het vak een verantwoorde keuze maken voor een nieuwe methode of een boek voor een bepaald leerjaar.
Helaas zit er een kostenplaatje aan als je alle beschikbare middelen in de sectiekast wil hebben staan, want het speelveld is groot en de beschikbare middelen pover.

We zijn blij dat we een manier gevonden hebben om docenten levensbeschouwing een beeld van ons levensbeschouwelijk lesmateriaal te kunnen tonen zonder dat het hen een cent kost.
Dat hebben we bereikt door de beschikbare projecten als flashbestand aan te bieden, die zonder problemen via internet gelezen en doorgebladerd kunnen worden. Op die manier krijgt elke docent een compleet beeld van ons levensbeschouwelijk lesmateriaal en kan zhij gemakkelijk met collegae overleggen wat voor hen een zinnige keuze zou kunnen zijn.

We hebben een overzichtspagina gemaakt, waarop alle beschikbare projecten onder elkaar staan, verdeeld in vier subgroepen.
Via de link onder de miniatuurvoorpagina kan iemand door naar de informatiepagina over dat project. Op die pagina vind je een overzicht van de inhouden, werkvormen en prijzen.
Onderaan de pagina is de link naar het flashbestand te vinden. Klikken opent het flashbestand, dat even nodig heeft om te openen en de docent kan met de navigatiepijlen naar voren en achter bladeren. De zoomfunctie geeft de mogelijkheid de pagina te vergroten.
De bestanden kunnen ook op andere soorten monitors gelezen worden, bijvoorbeeld op een Ipad of een andere tablet.
De overzichtspagina is te vinden op http://www.uitgeverijwvdoever.nl/projecten/index.html

Mozes als schepper van Amerika

Eind 2009 verscheen het gelijknamige boek van de New York Times’ journalist Bruce Feiler. Het is een opmerkelijk verhaal, getuige de beschrijving van de inhoud van het boek: “Het exodusverhaal is het verhaal van Amerika. Mozes is onze echte grondlegger, stichter van de VS. Bruce Feiler reist door de toetsstenen in de Amerikaanse geschiedenis en spoort de invloed van de bijbelse profeet op van de Mayflower tot vandaag. Feiler bezoekt het eiland waar de Pilgrim Fathers hun eerste sabbath doorbrachten, beklimt de klokkentoren waar de Liberty Bell een inscriptie van Mozes kreeg, gaat terug naar de Underground Railroad, waar ‘Go down, Mozes’ het volkslied van de slaven was en trekt de mantel aan die Charlton Heston droeg in de “Tien Geboden’.
Deels een avonturenverhaal, deels een literair detectiveverhaal, deels een onderzoek naar het geloof in het hedendaagse leven, neemt Amemerica’s Prophet ons mee van Gettybury naar Selma, van de Silver Screen naar de Oval Office om te begrijpen hoe Mozes het karakter van de natie schiep.”

Fraai ethisch dilemma

Tegen de tijd dat je de pensioengerechtigde leeftijd nadert ga je nadenken over projecten die dan de moeite waard zijn. Een zo’n project ben ik vorig jaar begonnen, toen ik de VB Detective en Thrillergids in handen kreeg. Een snelle blik leverde op dat er gemiddeld een zeventig boeken een vier- of vijfsterrenkwalificatie kregen. Daarvan een lijst gemaakt en die vervolgens gecheckt met de boeken in de bieb. Vorig jaar naderde ik langzaam maar zeker de laatste tien boeken, totdat er een nieuwe versie van de VN-gids verscheen en ik weer bij tachtig uitkwam.
Tegelijk blijf je al lezend toch docent levensbeschouwing en kom je soms heel mooie situaties tegen die de moeite van het bespreken in de klas waard kunnen zijn. Vooral als het gaat om ethische vragen, zijn sommige boeken een goudmijn. Het slot van een van de beste boeken die ik het afgelopen jaar gelezen heb, had een hartverscheurend ethisch dilemma. Ik zal de titel niet noemen, anders verraad ik de clou. De feitelijke gegevens zijn de volgende:

– Een heel jong meisje wordt ontvoerd. Haar grootmoeder zet twee privé-detectives aan het werk, een koppel zowel privé als zakelijk. De moeder van het kind zorgt slecht voor haar dochter, gebruikt allerlei zaken en brengt het kind soms in gevaar.

– Aan het eind komt het volgende aan het licht: de opa heeft met hulp van politie-agenten zijn kleinkind ontvoerd, omdat de moeder het al een keer door nalatigheid in levensgevaar gebracht, maar ook met veel pijn opgezadeld heeft. Het meisje wordt nu liefdevol verzorgd door een kinderloos politie-echtpaar, dat weet dat het kind ontvoerd is.

– Detectives en politie ontdekken de plaats waar het kind nu opgevoed wordt en de volgende vraag wordt urgent: vergeten we wat we hier zien en laten we het kind in goede handen achter, zonder dat de ontvoerders ervoor gepakt worden of nemen we de legale weg, dat een kind naar haar rechtmatige ouders moet worden teruggebracht, de ontvoerders opgepakt worden en het kind terug bij haar moeder opnieuw grote risico’s loopt.

– De vrouwelijke detective kiest voor model 1 en zegt tegen de anderen, allen mannen: “Ik zal jullie haten als je dat kind geen geluk gunt.” De anderen nemen toch de beslissing om volgens de wet te handelen en brengen het kind weer terug naar de moeder. De vrouwelijke detective verbreekt de relatie met haar vriend. Als deze aan het eind van het boek op bezoek bij de moeder van het kind gaat, begint de verwaarlozing al weer op te vallen.

Het lijkt me een mooie situatie om leerlingen uit te dagen na te denken wat ze zouden kiezen of welke keuze zij in deze situatie het liefst hadden gehad. Tegenover elkaar staan de waarden als ouderschap, al dan niet vanuit de wet, en het recht van een kind om gelukkig te worden zonder angst en pijn. Het zou goed zijn als de leerlingen konden redeneren in de trant van “Van de ene kant.., maar van de andere kant… en dat in beide gevallen. Waardoor weer eens duidelijk wordt, dat ethische keuzes meestal het kiezen tussen twee kwaden inhoudt. En wat is dan het minste kwaad?
[Wie toch wil weten, hoe het boek heet, omdat zhij nieuwsgierig is geworden: ook al weet je het eind, dan nog is het een boek om niet weg te leggen voor het uit is, laat het even weten en je krijgt bericht.]

Gone baby gone door Dennis Lehane

Wie ben ik boek

Ik! Wie is dat?

Uit de achterflap: “In het boek “Ik! Wie is dat?’ word je aangespoord om na te denken over wie je bent en wat jij nu juist jou maakt. We willen allemaal iemand zijn of iemand worden. Maar wie en waarom? Ben je wel wie je wilt zijn of speel je een rol?……”
Het boek is speciaal voor jongeren vanaf tien geschreven door professoren van de Kinderuniversiteit van Tilburg.
ISBN: 978 90 487 0653 2 Prijs 14,95
www.dekinderuniversiteit.nl
www.zwijsen.nl

Deze tekst is ook als pdf te downloaden: IK!_Wie_is_dat.pdf

Mijn oordeel
Een fijn boek om aan puberende zoon of neef danwel dochter of nichtje te geven.
Een boek dat een aantal themata aanroert, waarvan de docent levensbeschouwing zich duidelijk af moet vragen of ze in zijn curriculum aanwezig zijn.
Een boek dat duidelijk maakt dat levensbeschouwing uiteindelijk het schrijven van je eigen levensverhaal is.
Een boek dat duidelijk maakt dat het levensbeschouwelijk dagboek een integrerend bestanddeel van een levensbeschouwelijk portfolio dient te zijn.
Een boek dat ook laat zien dat voor levensbeschouwing een groot aantal Bezugswissenschaften aanwezig dienen te zijn om leerlingen verantwoord in te leiden in de wereld van hun eigen levensbeschouwelijke ontwikkeling.

Wie meer over de inhoud wil weten, kan hieronder een samenvatting van de verschillende hoofdstukken vinden.

Ik ben wie ik ben en wie ik wil zijn [Wie ben ik?]
Het antwoord op de vraag ‘wie ben ik?’ is afhankelijk van de plaats, tijd en persoon die de vraag stelt. De psychologen Kuhn en Portland vroegen mensen in 20 verschillende situaties antwoord op de vraag te geven. Als je kijkt naar de punten die op alle lijstjes staan, kom je toch tot een soort kern van jezelf, volgens hen.
Wie ik kan zeggen, heeft zelfbewustzijn ontwikkeld: een kind van twee noemt zichzelf bij de voornaam, zal het niet over ik hebben; een kind van vier al veel meer.
Waar dat zelfbewustzijn zit, is niet precies aan te geven; het blijkt in ieder geval niet op één plaats te zitten.
Je ben ik, van top tot teen. Als je een teen verliest, ben je dan nog jij? De meeste mensen zeggen ja, maar als je een beroemde toptennisser bent en door het verlies van die teen geen bal meer raak slaat, verandert dan je ik?
We leven in een tijd, waarin niet meer anderen zoals ouders en omgeving bepalen wat jij doet en gaat worden en denken, maar we leven in een iktijdperk. Wie je bent, je identiteit, bepaal je steeds meer zelf. Je identiteit is een optelsom van wat je gegeven is, wat je overkomt en wat je er zelf van maakt.
We hebben verschillende ikken in ons leven, met andere woorden, we spelen verschillende rollen, afhankelijk van de positie die we telkens innemen. Tegelijk kijken we niet naar anderen als mensen die rollen spelen: “Alles wat iemand doet en zegt, schrijven we toe aan die persoon.”

Je bent nooit alleen op de wereld [Ik, jij en wij]
Al in de oertijd leefden mensen in groepen. Dat was nodig om samen te jagen en samen te vechten tegen gevaarlijke gebeurtenissen of dieren of mensen.
Lid zijn van een groep bepaalt een deel van je identiteit. Je vertelt dat je dit bent, maar tegelijk ook, dat je dat niet bent.
Bij groepsgevoel hoort ook een ‘wij tegen zij’ gevoel. Je vindt dat de mensen in jouw groep slimmer, eerlijker en mooier zijn dan de mensen in een andere groep. Dat betekent dat jij dus ook mooier, slimmer etc, bent, want jij behoort tot die groep. Op die manier krik je je gevoel van eigenwaarde op.
We komen er dan ook sneller toe om de negatieve dingen aan HEN toe te schrijven, want WIJ doen zulke dingen niet.
We willen ook graag erbij horen, we zijn niet graag buitenbeentje. Mensen gaan heel ver om niet van de groep af te wijken. Het experiment van Asch laat zien dat mensen geneigd zijn de meerderheid van de groep te volgen, ook al is het zonneklaar dat het antwoord van die meerderheid fout is.
Wie zich niet wil aanpassen aan de groepsdruk, heeft het niet altijd gemakkelijk en moet over een positief zelfbeeld beschikken. Als je bereid bent, aan te geven dat je het er niet mee eens bent, is de kans groot, dat anderen ineens het met je eens durven te zijn. Opmerkelijk t.a.v. een positief zelfbeeld is, dat mooie mensen niet altijd gelukkiger of zelfverzekerder zijn dan minder mooie mensen. Hun probleem is dat ze vaak niet weten of ze gewaardeerd worden wegens hun mooie uiterlijk of om wat ze gepresteerd hebben. Daardoor twijfelen deze mensen vaak aan hun kunnen.
Ook in de verschillende groepen waartoe je behoort speel je altijd sociale rollen.

De oma van je oma, van je oma, van je oma [Ben ik een aap]
Honderdduizend oma’s geleden komen we uit bij een vrouw die twee miljoen jaar geleden leefde, een Australopithecus, een aapmens. Nog verder terug vinden we de mensaap-oma, die twee kinderen kreeg. De ene is stammoeder van de mens, de ander van de chimpansee, met wie we 99 procent van het DNA delen.
Dankzij de evolutie hebben de mensen zich kunnen aanpassen aan de veranderende omstandigheden, waardoor ze niet ten onder zijn gegaan, zoals andere diersoorten, die zich niet konden aanpassen.
Wat de mens is is een discussiepunt. Voorbeeld is het eten van vlees. Volgens de darwinisten is vlees eten natuurlijk, want de energie die uit vlees komt hebben we nodig gehad om onze grotere hersenen te ontwikkelen.
Daar staan de kantianen tegenover: mens is wie nee kan zeggen tegen zijn natuurlijke neigingen.
Darwin zegt we onszelf gerust een aap kunnen noemen. Kant zegt dat de mens een zelfbewust wezen is met een vrije wil, met verantwoordelijkheid. Dat heeft een dier niet. Als een hond een kind bijt, wordt niet de hond maar de eigenaar aansprakelijk en verantwoordelijk gesteld.

Stamppot of Allah [Wij en zij]
Twintig procent van de Nederlanders heeft buitenlandse wortels. Dat was honderd jaar geleden heel anders. Je woonde in een kleine gemeenschap, trouwde werkte en stierf in die gemeenschap en je kwam zelden buiten die gemeenschap. Dat is nu anders. En aan mensen die niet dezelfde achtergrond als zijzelf hadden moesten veel Nederlanders erg wennen. Anders zijn is een rare zaak, vonden ze. Hun vertrouwde beelden van Nederland en de Nederlander verdwenen en dat maakte hen onzeker en ze voelden zich onveilig.
We zullen nu moeten leren leven met de multiculturaliteit van de Nederlandse samenleving. Als mensen elkaar ontmoeten en elkaars gewoonten leren kennen en begrijpen, wordt de kloof al snel minder breed. Maar vaak wonen allochtonen en autochtonen in verschillende wijken en bezoeken verschillende scholen.
Hieraan gekoppeld is het gevoel van meer dan vijftig procent van de allochtonen dat ze weleens gediscrimineerd worden, vooral op hun werk. Onderzoek van de Universiteit van Tilburg bracht aan het licht, dat mensen het meest gediscrimineerd worden op de plaatsen waar bazen zeggen dat iedereen gelijk is. “Juist in die bedrijven gelooft niemand dat iemand anders (ongelijk) behandeld worden en kan er dus niet over gepraat worden.”

God en ik, ik en God [Waarin geloof je?]
God is een behoorlijk twistpunt tussen mensen. iedereen denkt dat hij gelijk heeft en dat heeft soms tot bloedige twisten geleid. Ook is waar dat mensen veel aan hun geloof hebben. Alle geloven hebben gemeenschappelijk dat ze lessen in het leven zijn. Geen enkele godsdienst is uit op vernietiging van de aarde.
Een kwart van de Nederlandse bevolking gelooft niet in God, en dat doen ze ook op verschillende manieren. Daarnaast hebben we ook nog een groot aantal ietsisten.
Opmerkelijk is dat in twee van de drie huizen een boeddhabeeld staat: een gezellige dikkerd oogt toch anders dan een lijdende Christus op een kruisbeeld.
Je geloof is mede van invloed op de manier waarop je tegen jezelf aankijkt.
Kijkend naar de rol van de mens in de ogen van hun God:
In de islam kiest de mens om dienaar van Allah te zijn.
In het christendom is de mens slecht, maar kan beter worden door het voorbeeld van Jezus.
In het boeddhisme hebben we geen ik; ik word steeds herboren in een nieuwe vorm omdat dat ik nog niet af is.
Een van de gevolgen van de moderne tijd, waarin de mensen steeds minder naar de kerk gaan, is dat de boodschap om een goed mens te proberen te zijn minder gehoord wordt. We zijn als het ware van God los. Letterlijk, dat iemand de regels van God niet meer naleeft. Figuurlijk, dat iemand zo op zijn eigen houtje bezig is dat het hem niet kan schelen of anderen er last van hebben.

Chips in je hoofd [Ik, versie 2.0]
De computer is momenteel al in staat de wereldkampioen schaken te verslaan. We gebruiken de computer, robots en andere zaken om ons leven te veraangenamen. Tegelijk worden we er ook door beïnvloed. Je speelt op internet met een avatar en iedereen denkt dat jij dat bent, omdat de anderen je nog nooit in het echt hebben gezien.
We maken van allerlei hulpmiddelen gebruik om onszelf beter te maken en te voelen. Studenten slikken Ritalin, niet omdat ze AGHD hebben, maar om een examen beter te kunnen maken.
We staan ambivalent tegenover de techniek. In boeken als Brave New World en 1984 staat de mens tegenover een zich ontwikkelde techniek die hem in zijn macht heeft. De mens moet vechten om weer vrij te worden.
We zien drie denkrichtingen als het gaat om het verbeteren van de mens met electronica.
De Kantianen zeggen: niet doen
De utilisten zijn van mening dat als het nuttig je het moet doen.
De autonomen vinden dat ieder mens zelf moet beslissen hoever hij daarin gaat.
Daarover moet de discussie gaan: in wat voor wereld wil ik wonen? Wie wil ik zijn?

Onbeschoft en asociaal [Steeds meer ‘ik’]
Veertig jaar geleden was de tijd van de verzuiling nagenoeg ten einde. Het tijdperk van de individualisering brak aan. Het individu werd belangrijk dan de groep waartoe hij behoorde.
Dat heeft zijn goede kanten. Daar is iedereen het over eens.
Sinds enkele jaren zien we ook dat er negatieve kanten aan zitten. Mensen denken dan vooral aan zichzelf. Het ‘ik’ is te belangrijk geworden. We hebben minder kinderen, zij krijgen veel meer aandacht dan die van vroeger.
We zijn rijker geworden, alles moet kunnen en mogen.
De opvoeding is veranderd. We zijn onbewust asociaal geworden.
De zingevingssystemen zijn niet meer actief zoals vroeger. Naastenliefde wordt vervangen door de 15 minuten roem op de televisie.
We willen respect en als we het niet denken te krijgen, worden we gefrustreerd.
Frustratie leidt vaak tot agressie, zinloos geweld [ sinds 1997]. We leven in een agressievere samenleving dan vroeger.

Hoe je een talent wordt [Je wordt wat je doet]
Wie schade oploopt in zijn hersenen, kan als het ware een ander worden. De hersenwetenschappers zeggen dat je ik bepaald wordt door je aanleg, je omgeving en je eigen invloed. Onderzoek heeft aangetoond dat mensen die aanleg hebben, 10.000 uur nodig hebben om dat talent ook volledig uit te buiten: Mozart, Beatles, Bill Gates hebben allemaal die tijd doorgebracht alvorens ze tot uitzonderlijke bloei kwamen.
Door bepaalde dingen te oefenen, veranderen je hersenen. Wie verlegen is en zich erop toelegt om stoerder te worden en te doen, ziet een verandering in de hersenen.
Door nieuwe dingen te doen en te oefenen maken je hersenen nieuwe netwerken aan die die taak ter hand kunnen nemen.
Je hersenen kunnen niet alleen nieuwe dingen positief leren, maar ook negatieve gewoontes vormen een hersennetwerk. Duidelijk is wel dat wat je niet doet, zul je ook niet ontwikkelen.
Belangrijk: hoe meer nieuwe dingen je doet, hoe meer je hersenen worden uitgedaagd.

Een onderbroek van Björn Borg voelt anders [Je ben wat je hebt]
Ons zelfbeeld schijnt samen te hangen met wat we bezitten. Evolutiebiologen zeggen dat het te maken heeft met onze drang om te overleven.
Topbestuurders kijken niet naar wat ze verdienen, maar vergelijken hun salaris met anderen die meer verdienen. Jaloezie is de drijfveer.
Dingen die we kopen helpen ons om een beeld van onszelf te scheppen: ons imago.
Dat imago krijgt een extra impuls als we dingen hebben die anderen niet hebben.
Het geeft zelfvertrouwen èn het laat ons bij een groep horen.
Je uiterlijk bepaalt voor een deel hoe je omgeving op je reageert. Ga collecteren voor een goed doel in dure merkkleren en je haalt meer op.
Dure spullen kopen die we eigenlijk niet nodig hebben, heeft te maken met het snobeffect.
Er is ook sprake van het countersnobeffect: ik heb geen dingen nodig om iemand te zijn.
Je ziet de gevolgen van het imago-opkrikken in het toenemen van schulden bij mensen die luxe schulden hebben: een goed inkomen, maar veel te veel uitgaven aan luxe artikelen.
Op iemand die veel heeft kunnen mensen reageren met afgunstig zijn of benijden.
Wie hard voor een Iphone heeft gewerkt, werd benijd, maar men gunde hem het ding. Wie vertelt dat hij die van zijn vader heeft gekregen, kreeg afgunstige reacties en men gunde hem het ding niet!

Op avontuur met wonderlijke vragen [Waarom ik?]
Als over allerlei dingen die normaal lijken te zijn diepere vragen gaat stellen, word je een Alice en leef je in Wonderland.
Vragen die dieper gaan noemen we levensvragen, het zijn vragen die vaak een leven lang meegaan. We weten een heleboel over het hoe van de dingen, maar niet van het waarom.
“Door al die levenservaringen groeit je kijk op het leven. Je rijgt net zo lang je favorieten aan elkaar totdat er een glinsterend juweel overblijft: een halssnoer of stoere armband vol met kleine waarheden die samen een prachtig juweel zijn. OM dit sieraad met trots te dragen, moet het helemaal JIJ zijn.” [100]

De geheimzinnige dood [Het einde van ik]
Het ik houdt op bij de dood. Mensen proberen wel een antwoord te geven op wat erna komt.
In schema gezet zijn er twee uitersten: een van weten en een van geloven. Natuurwetenschappers meten; bijna dood ervaringen stellen vragen bij dit meten. Maar je moet zelf bepalen of die BDE’s ook werkelijk een kijkje achter het gordijn van de dood zijn.
Tussen weten en geloven is ook niet weten, zich laten verrassen, een knutselantwoord.
Wie iemand verliest, gaat een rouwperiode in, die ieder op een eigen manier meemaakt. rouwen blijkt het snelst te gaan als je de rottige gevoelens er gewoon laat zijn.
Ervaringen met de dood maken soms van mensen andere mensen. Ze leren dat leven niet draait om geld en succes, maar om liefde en samenzijn.
“Wanneer de dood plots dichtbij komt, beginnen veel volwassenen dus pas aan het echte leven. eigenlijk is dat doodzonde. Want draai het eens om. Heb je er ooit aan gedacht dat het niet voor niets is dat er een soort gordijn aan het einde van het leven hangt waar we niet achter kunnen kijken? Misschien is de zin van het leven: leven. Je bent niet geboren om dood te gaan, maar om te leven. Een mens heeft niet eeuwig de tijd. Maar weinig tijd maakt het leven gewild en kostbaar. Niet de dood is bijzonder, het leven is bijzonder.” [110]

ASS-leerling en levensbeschouwing

In eerdere afleveringen van LIA heb ik geschreven over de ervaringen met leerlingen uit het autistisch spectrum (ASS). Onze school heeft als profiel gekozen voor het technasium en nu blijkt dat van de leerlingen die dat kiezen er meer ASS gerelateerd zijn dan in andere klassen. Dat roept bij docenten levensbeschouwing de vraag op, wat ze moeten doen om die leerlingen toch op een gepaste manier aan levensbeschouwing te laten doen, in de wetenschap dat sommige zaken die we erg belangrijk vinden in het vak bij deze leerlingen niet of nauwelijks ontwikkeld kunnen worden.
Binnen de sectie zijn we bezig om te bezien of het mogelijk is op niet al te ingewikkelde wijze de ASS-leerlingen een soort van persoonlijke leerweg te geven aan de hand van opdrachten op de elektronische leeromgeving van de school. We hebben ontdekt dat op Itslearning de mogelijkheid bestaat voor leerlingen individuele leerplannen op te stellen. Met de beheerder van de elo willen we komende weken bezien wat er werkelijk mogelijk is voor deze leerlingen via deze ingang.
Bijzonder verheugd was ik, toen ik na de publicatie in LIA opmerkzaam gemaakt werd op een scriptie, die over dit onderwerp geschreven is. Carien Boelsma-Hulsman schreef ‘Antenne voor autisme’ met als ondertitel ‘handreikingen voor het geven van waardevolle lessen levensbeschouwing aan leerlingen met een stoornis in het autistisch sprectrum’.
Haar scriptie bestaat uit drie hoofdstukken. In het eerste hoofdstuk komen de wetenschappelijke gegevens van ASS aan de orde. Hoofdstuk 2 beschrijft het vak levensbeschouwing op het vmbo, waar ze les geeft en besteedt aandacht aan de methode ‘Antenne’ die voor dit type leerling ontwikkeld is. Hoofdstuk 3 is gewijd aan dit type leerling in het vak levensbeschouwing, zowel theoretisch als praktisch.
Veel aandacht besteedt Carien Boelsma aan de problemen die deze leerlingen tegenkomen puur door het taalgebruik van zowel de docent als de methode. Wat wij tweede taal noemen is voor deze leerlingen een vaak onoverkomelijke barrière. Non-verbale communicatie levert problemen op. Maar Carien wijst ook op de positieve kanten van leerlingen met ASS tijdens de lessen levensbeschouwing: “Leerlingen met ASS hebben een originele manier van denken, waardoor ze vooral in klassengesprekken andere leerlingen (en ook mij) flink aan het denken kunnen zetten. Daarnaast vragen ze regelmatig om verduidelijking, wat mij dwingt om het op een andere manier uit te leggen. Dit houdt mij scherp voor de klas. Ook zullen ze nooit een mening vertellen die niet de hunne is, zoals anderen dat doen die bang zijn om uitgelachen te worden of graag bij een bepaalde groep willen horen. Dit heeft wel tot gevolg dat ze kwetsbaar zijn in de groep. Aan de andere kant merk ik in veel klassen waarin een of meerdere leerlingen met ASS zitten, dat de rest van de leerlingen ook opener en eerlijker wordt. Een goed voorbeeld doet blijkbaar goed volgen. Een leerling met ASS dwingt me als docent om duidelijk, eenduidig en kort te verwoorden wat ik van een leerling verwacht. Dit is niet alleen van belang voor de leerling met ASS, maar ook voor de andere leerlingen, zeker in een klas leerlingen met een LWOO-indicatie.” (Pg. 28)
Een laatste interessante paragraaf is een lijst van aandachtspunten die je als docent met leerlingen met ASS tegenkomt en die Carien voorziet van tips en handvaten, hoe ermee om te gaan. Wie deze tips ter harte neemt, heeft daarmee een groot deel van de moeilijkheden die zhij met deze leerlingen kan hebben aan de kant kunnen zetten.
Carien was bereid om collegae, die in deze materie geïnteresseerd zijn, haar scriptie ter beschikking te stellen. We hebben hem geplaatst op http://www.uitgeverijwvdoever.nl/download/boelsma.pdf .
Wie eigen ervaringen met deze leerlingen heeft: we plaatsen ze graag op de LIA-pagina’s!

Fictie over autistische jongere levert invoeling op

Een van de reacties op mijn vraag in LIA 150 kwam van Miranda:
“Ik heet Miranda en geef levo en hvo op een cluster 4 school.
ik heb heel veel gehad aan het boek “Het wonderbaarlijke voorval met de hond in de nacht”, dit boek heeft mij en mijn collega’s erg geholpen omdat het lijkt alsof je meekijkt door zijn ogen.
Door dit boek heb ik beter contact met mijn leerlingen gekregen. Het helpt je om te begrijpen hoe een autist denkt en reageert op dingen.”

Het boek gaat over Christopher John Francis Boone, geschreven door Mark Haddon, die voor dit boek bekroond is met een Zilveren Zoen.
Christopher -“Ik ken alle landen van de wereld met hun hoofdstad en alle priemgetallen tot 7507″ – is autist en vindt op zeven minuten na middernacht de hond van mevrouw Shears, Wellington, doodgestoken met een spitvork. Hij aait het nog warme dier en vraagt zich af wie de hond vermoord heeft en waarom.

Hij woont alleen met zijn vader, omdat zijn moeder overleden is. Mevrouw Shears ontsteekt in woede als ze de dode hond ziet en beschuldigt Christopher ervan Wellington gedood te hebben. Als hij door de politie verhoord wordt en een agent pakt hem vast, slaat hij de man, wat hem op het bureau doet belanden. Dan besluit hij een detective te gaan schrijven over de moord op de hond en het speuren naar de dader.

De kracht van het boek zit hem in het feit dat Mark Haddon het in de eerste persoon heeft geschreven, wat de hoofdpersoon de kans biedt alles te zeggen, wat in hem opkomt. Zo kan het binnenperspectief van een autistisch kind haarfijn getekend worden. Het kost soms een halve pagina, maar dan begrijp je ook wat er in het hoofd van de jongen omgaat. Haddon laat Christopher ook reageren op tekeningen en schema’s en laat dan zien hoe die in de belevingswereld van Christopher een heel andere rol spelen dan bij andere mensen.

Behalve een roman over een autistische jongen, die je na lezing van het boek veel beter bent gaan begrijpen, is het boek ook een spannend verhaal, waarin Christopher erachter komt, wie de hond vermoord heeft, dat zijn moeder helemaal niet dood is en dat hij liever bij zijn moeder dan bij zijn vader woont.

Het blijkt weer eens te meer hoe zeer fictie in staat is de werkelijkheid beter weer te geven dan een droge opsomming van kenmerken van de autistische persoonlijkheid. Gewoon lezen, zou ik zeggen!

Je mag me altijd bellen

Op 1 juli 2005 stierf Karel Glastra van Loon aan een hersentumor. Vanaf dat moment moet Karin Kuiper, zijn vrouw en moeder van drie kinderen, het leven zonder haar geliefde leiden. Haar ervaringen zijn gebundeld in ‘Je mag mij altijd bellen”, met als ondertitel ‘1001 dagen van rouw’.

Haar boek beschrijft de ervaringen die met rouwen verbonden zijn, die Karins specifieke ervaringen zijn, maar die voor heel veel mensen ook zeer herkenbaar zijn. Ze heeft voor veel mensen geformuleerd wat die zelf altijd gevoeld hebben.

“‘Paint it black’ van de Rolling Stones is de kortste beschrijving van rouw die ik ken.” schrijft ze aan het begin van het boek. Zwart zijn de talrijke ervaringen in het gezin zonder vader, in de relaties met anderen en in het omgaan van anderen met haar rouw.

In de steek gelaten
Na de grote emoties komt er een hele lijst van ergernissen, zoals
“X zou het zo gewild hebben”
“Ik zou willen dat ik wat voor je kon doen”
“Als ik wat voor je kan doen, moet je het zeggen”
“Hoe gaat het met je?”
“Ik wil je zo graag helpen, maar je moet het zelf doen.”
Absolute topper is:”Je mag me altijd bellen!”
Want dat zinnetje laat ons met lege handen achter.

Rouwverdriet lijkt op liefdesverdriet, maar met kinderen is het verdriet in het kwadraat. Je groot houden voor de kinderen, ze moeten er niet te veel van merken.
Verdriet maakt onhandig, vergeetachtig, onrustig, verandert een mens. Soms zou ik willen dat we nog steeds verplicht rouwkleding zouden moeten dragen, verzucht Karin. Als je die draagt, begrijp iedereen meteen waarom je zo vreemd doet en kan ernaar handelen.

Bij de bezoeken aan haar schoonfamilie ervaart ze dat gedeelde smart geen halve smart is. Bij zijn ouders merkt ze aan alles dat hij er niet meer is. En zijn familieleden merken zijn afwezigheid het sterkst bij hun bezoeken aan haar huis, waar de afwezigheid van Karel dominant aanwezig is.

Hartverscheurend is het hoofdstuk over Dantes zoektocht naar zijn vader. Plotseling is hij verdwenen, de straat op gegaan met drie knuffels in zijn armen. Zo klein als hij is, is hij al tientallen meters de straat in, als Karin hem eindelijk kan oppakken. De afwezigheid van Karel is veel te groot voor het kleine mannetje en terug in huis ziet Karin de foto van Karel in het speelgoedhuis, waar Noa vaak mee speelt.

Vier geloven in een huis, die over het leven na de dood praten. Oudste gelooft in God en leven na de dood, Noa is drie, krijgt soms te horen dat papa slaapt – wat betekent dat hij eens zal terugkomen uit die slaap -, de middelste “als papa terugkomt, gaan wij dan dood?”
Opa zegt dat papa slaapt; Karin is de eeuwige twijfelaar.
“We zullen samen een betekenis aan leven en dood moeten geven, een verhaal moeten bedenken dat voor ons allemaal hout snijdt en rust geeft en dat ons tegelijk ruimte laat onze eigen visie over het vervolg erop na te houden.”

Rouwen duurt lang
Ruim een jaar na de dood van Karel heeft de omgeving het idee dat de cirkel nu wel rond is, alles een keer doorgemaakt is en het leven weer een gewone gang kan gaan. Mensen die in het begin zeiden dat rouwen tijd kost, schijnen dat nu een beetje vergeten te zijn. “Want na een jaar verwacht niemand meer dat je zomaar in tranen uitbarst. Na een jaar wil je zelf ook niet meer zomaar in tranen uitbarsten.” En toch gebeurt het dat er een dag is waarop je onverwacht en plotseling toch moet rouwen. Als je zijn geur ineens ergens ruikt, als je iemand ziet die gedurende een fractie ook een fractie op hem kijkt.

“Na de dood van je partner raak je gemiddeld vijftig procent van je vrienden kwijt,” zegt iemand in de rouwgroep. En ook die ervaring valt Karin ten deel. Ze moet de kinderen uitleggen waarom die bepaalde mensen niet meer komen. Ze waren vrienden van Karel en zijn niet meer teruggekomen voor haar en de kinderen.

Op pagina 19 schrijft Karin een intens protest tegen de houding van ‘Je mag me altijd bellen”, waar je in de praktijk niet veel aan hebt.

Wie mij wil helpen
“Eigenlijk is het zo eenvoudig.
Wie mij wil helpen komt op een druilerige dag lekker een kop koffie drinken en gaat aan het begin van een lang weekend niet direct uit zijn werk naar huis, maar haalt eerst bij mij een glaasje wijn. Daarna duiken we samen de keuken in en maken we een echte maaltijd die we met de kinderen opeten aan de gedekte tafel in de woonkamer.
Wie mij wil helpen blijft na het eten om de kinderen een verhaal voor te lezen terwijl ik de keuken opruim en de afwas in de machine zet, of zet de borden in de vaatwasser terwijl ik de kinderen naar bed toe breng. En dan drinken we daarna nog samen een kop koffie en voeren we een grotemensengesprek.
Wie mij wil helpen vertelt ook over de sores en het geluk in zijn eigen leven, omdat het ‘gewone’ leven mijn beloofde land is, het doel waar ik op af moet.
Wie mij wil helpen stuurt mijn kinderen een brief met een mooi verhaal over hun vader en moeder, of gewoon een kaartje om te laten weten dat ze hen niet vergeten zijn – ook niet nu tante Eef en ome Sjaak nooit meer langskomen omdat hun vriend, de vader van mijn kinderen, dood is.
Wie mij wil helpen gaat af en toe met ons naar het zwembad, zodat we samen kunnen zwemmen, die gaat met ons kamperen zodat we samen kunnen zingen, die gaat met ons naar de Efteling, zodat we samen kunnen gillen, en die gaat mee naar de jaarlijkse uitvoering op school zodat we samen kunnen huilen om dat wat die afwezige papa allemaal moet missen.
Wie mij wil helpen, neemt mijn kinderen mee om verjaardagscadeautjes voor mij te kopen, geeft mij twee keer per jaar een paar dagen ‘kindervrij’ zodat ik onbezorgd en onbelemmerd kan huilen, tieren en schreeuwen van verdriet. Die neemt de kinderen een middag zodat ik hysterisch kan huilen bij het opruimen van zijn kledingkast en het lezen van zijn liefdesbrieven.

Wie mij wil helpen schuwt er niet voor samen met ons Sinterklaas en andere familiefeesten te vieren en helpt mij de kamer te versieren voor de kinderverjaardagen.
Wie mij wil helpen wordt tijdelijk mijn geheugensteun en herinnert mij eraan dat het morgen verkleeddag is op school, dat de vuilnis aan de straat moet en dat de schoolreis nog niet betaald is.
Wie mij wil helpen denkt aan de verjaardag van wijlen mijn man omdat hij nog steeds mijn ex niet is en stuurt een kaartje voor onze trouwdag, die nu bitterzoet is.
Wie mij wil helpen geeft me een tegoedbon voor een massage of allerhande klussen in huis. Die bezorgt me een oppas voor een avondje uit, neemt de kinderen te logeren en gaat eens samen met hen het bos in.
Wie me helpen wil slaat woordeloos een arm om me heen als ik moet huilen om Memories, die juicht met me mee als Oranje scoort tegen die Mannschaft, die zwijgt met mij als er wordt geschoten in Birma.
Wie mij wil helpen hoeft niet zoveel bijzonders te doen. Wie mij wil helpen, moet er vooral zijn…

http://www.jemagmijaltijdbellen.com is de website van Karin, waarop meer te vinden is over rouwen en rouwverwerking en waar ze haar verhaal verder vertelt. Daar is ook informatie te vinden over het tweede boek van Karin:
Wat kan ik voor je doen? is het bijna vanzelfsprekende vervolg op Je mag mij altijd bellen.

Hoewel de meeste mensen graag een vriend of vriendin in rouw willen helpen, vragen velen zich af hoe ze kunnen helpen en wat ze kunnen doen.

Wat kan ik voor je doen? is geschreven vanuit het perspectief van de rouwenden, alsof zij reageren op de stille vraag. Het antwoord is een verzameling praktische tips en korte anekdotes die kunnen dienen als vingerwijzing of ideeen-generator voor de omgeving van mensen die een geliefde verloren.

Docenten die iets in de les doen met omgaan met dood en rouw en gelukkig zelf weinig ervaring ermee hebben, kunnen in deze boeken de rauwe werkelijkheid van de rouwende mens proeven.

De Bijbel cultureel

De twintigste eeuw is de eeuw van de secularisatie en ontkerkelijking. Daarbij hoort ook dat de bijbel daarmee naar de ramsj gebracht kan worden. Veel mensen denken dat de twintigste eeuw DE eeuw van het atheïsme is geworden.

Niet is minder waar. In de inleiding op het bijna 700 pagina’s tellende en letterlijk zwaar wegende ‘De Bijbel cultureel’ schrijven redacteuren Marcel Barnard en Gerda van de Haar: “Voor de redactie zijn de verrassendste uitkomsten van het onderzoek dat aan het boek ten grondslag ligt, dat bijbels erfgoed prominent aanwezig is in de kunsten van de twintigste eeuw, en dat de dominante opvatting dat het Modernisme (de term wordt hier in zijn breedste zin genomen) de kunsten voorgoed heeft geseculariseerd, slechts een deel van de waarheid is. Zoals men in de sociale wetenschappen heeft moeten vaststellen dat moderniteit en religie elkaar niet behoeven uit te sluiten, zo blijken in de kunsten Bijbel en een modernistische houding elkaar geenszins tegen te houden.”

De redactie heeft zes zwaargewichten met uitgebreide kennis over beeldende kunst, film, theater, klassieke muziek, popmuziek en literatuur aan het werk gezet, wat resulteert in veel artikelen met een diepgaande uitwerking.
In het boek komen 67 trefwoorden aan de orde. Ze zijn volgens de bijbelse canon geordend. Het eerste thema is Schepping en het laatste is ‘Hemels Jeruzalem’. Oude en Nieuwe Testament komen beide naar voren. Lemma 35 is Jezus.

Elk trefwoord heeft drie rubrieken. “Steeds is er een vrij uitvoerige PRESENTATIE van een kunstwerk uit een van de genres, gevolgd door enige korte KARAKTERISTIEKEN van werken uit verschillende genres en door een ESSAY over een breder onderwerp dat door het trefwoord werd opgeroepen. Een voorbeeld. Lemma 30 betreft het twaalfprofetenboek. Allereerst worden ‘The Basement Tapes’ van Bob Bylan uit 1967 uitvoerig gepresenteerd. Vervolgens komen korte verwijzingen naar de beeldende kunst (Pablo Gargallo), film (Andrei Tarkovski), muziek (Francis Poulenc), 8 popsongs over Jeruzalem en een gedicht van Lucebert. Het essay gaat over “Amuseur of boeteprofeet? Cabaret in Nederland”. De twaalf kleine profeten uit het Oude Testament die de heilige huisjes van hun tijd bekritiseerden zijn blijkbaar opgevolgd door evenzovele of meer boetepredikers, die in Nederland, het domineesland, de plaatsvervangende rol van dominee vervullen. Sieto Hoving: “Cabaret is een donderpreek waarvoor de kerkgangers graag het traktement van de dominee willen betalen.”

Het boek stond al enkele maanden in de boekenkast en wachtte op een recensie. Maar elke keer als ik het ter hand name, begon ik te bladeren en flitste van het ene onderwerp naar het andere: een essay over de film “De kanker van het kwaad”, gevolgd door Kain in de popmuziek, de ladder van Jacob in het werk van Marc Chagall, de vaststelling dat nagenoeg elk thema wel popsongteksten vermeldde, de ontdekking dat Gerardjan Rijnders een theatervoorstelling van de Klaagliederen gemaakt heeft enzovoort..

In mijn ogen is het een standaardwerk dat elke docent levensbeschouwing in zijn kast moet hebben en vaak moet inkijken, om te lezen en ook voor de talloze illustraties. Vooral de docenten die in hun opleiding al veel te weinig culturele bagage hebben meegekregen zullen smullen van de ontdekkingen dat het nog lang niet gedaan is met de bijbel in de kunst. Het boek moet niet gebruikt worden om de leerlingen weer bijbelvast te maken, maar de vele voorbeelden maken het ook de ongelovige jongere duidelijk dat je niet om het boek der boeken heen kunt, als je iets van de westerse cultuur wilt begrijpen.
Het boek doorbladerend kom je allerlei gekke, diepgravende en triviale wetenswaardigheden tegen, die soms heel goed gebruikt kunnen worden in testjes en toetsen. Opdrachten om popsongs, films, boeken te verbinden met de bijbelse bronnen zijn met enige moeite zo te vinden. Kortom, je doet jezelf met dit boek een onuitputtelijke bron van inspiratie cadeau.
[De Bijbel cultureel, uitgeverij Miedema, ISBN 978-90-211-4220-3]

Voor ik doodga, Jenny Downham

Tessa Scott is 16 jaar en lijdt aan een snel voortschrijdende leukemie . Ze ondergaat allerlei onderzoeken en behandelingen in de hoop dat er nog iets aan te doen is.
Ze heeft een aantal wensen die vervuld moeten worden, voordat de dood haar ingehaald heeft:

1. Ik wil het gewicht van een jongen boven op me voelen.
Zoey, haar vriendin helpt haar ermee en samen gaan ze naar disco, Zoey met de Blower en zij met Jake; het is geen succes.
Haar vader zoekt internet af naar een oplossing en wil niet geloven dat het definitief foutgaat; moeder is op haar twaalfde vertrokken voor een ander en is nu bang om haar kind te zien aftakelen en komt dus maar niet vaak. Cal is haar broertje dat rauwe opmerkingen maakt over haar doodgaan, waarachter de pijn van het mogelijke afscheid verborgen is.

2. een hele dag op alles ja zeggen
Ze gaat met Cal winkelen, springt op verzoek van Zoey in het water, rijdt met een taxi naar huis, wordt in de taxi onwel en naar ziekenhuis gebracht. Ze ontmoet buurjongen Adam, die motor rijdt en de tuin onderhoudt, voor zijn moeder zorgt die twee jaar eerder haar man verloor. Adam neemt haar mee op de motor en belooft haar te helpen met de derde wens:

3. drugs gebruiken
Hij heeft paddo’s geplukt en maakt thee voor hen klaar. Zoey en Tessa worden high en hij maakt een rondje met hen in de auto.
Als hij Tessa meeneemt, komt het tot een echt gesprek, totdat hij zegt: “Ik kan je alleen niet geven wat jij wilt.”
“Wat ik wil?”
“Ik red het maar net. Als er iets tussen ons gebeurde, zou het zo iets zijn als: wat heeft het voor zin?
Ze wil weg en denkt: “Ik heb een fatale vergissing begaan door te denken dat hij mij kon redden.”

4. de wet overtreden
Ze pleegt winkeldiefstal en wordt gesnapt door de bewaking. Haar vader wordt gebeld

5. auto rijden
Ze neemt de auto van haar vader, pikt Zoey op en rijdt zonder rijbewijs een heel eind. Ze rijdt naar het strand waar ze vroeger met haar ouders en Cal kwam, ze gaan het hotel binnen waar ze vroeger verbleven en waar ze in de kastdeur haar naam gekrast heeft.
In het hotel vertel Zoey dat ze zwanger is.

6. Roem
Ze ontmoet Adam opnieuw en ze weet dat ze verliefd is en ze wil hem zoenen. En het gebeurt ook. Tessa gaat met Zoey naar de abortuskliniek om haar te steunen in het gesprek.Voor de roem heeft haar vader een interview met een plaatselijk station geregeld, zodat ze op bredere schaal bekendheid kan krijgen.

Zeven is een wereldreis maken, maar ze vervangt die door
“7. pa en ma weer bij elkaar brengen.”

Met Sally, de moeder van Adam, Adam, en later ook Zoey vieren ze kerst etend en drinkend en cadeautjes uitwisselend. Zoey heeft haar zwangerschap aan haar ouders verteld, die vreselijk tekeergingen en nu heeft ze besloten dat ze het kind wil houden.

Liefde is nummer 8
En die krijgt ze van Adam, met wie ze die avond naar bed gaat: ik wist niet dat je als je de liefde bedrijft echt met liefde in bedrijf bent. Je raakt elkaar echt.
Later krijgt ze een bloedneus die niet wil stoppen en haar moeder neemt haar noodgedwongen mee naar het ziekenhuis. Aan het eind van de avond mag ze met haar moeder in de taxi naar huis. Bij de stationsbrug ziet ze in grote letters haar naam schitteren, in rafelige letters die avond door Adam aangebracht. Op een groot aantal winkels in High Street ziet ze haar naam geschilderd, allemaal door Adam gedaan.

9 is dat Adam bij haar intrekt.
Ze takelt snel verder af, bemerkt dat Adam een dag niet thuis is, maar naar de universiteit is gegaan om er informatie op te halen voor het komende schooljaar.

10 is nog het kind van Zoey zien geboren worden.
Ze gooit al haar spullen door het raam naar buiten en maakt haar vader erg boos. Ze geeft ook aan dat ze het ziekenhuis zat is en niet meer aan haar lichaam wil laten sleutelen. De verpleegkundige licht haar in over de komende tijd.

11. een kop thee

12. papier om aanwijzingen voor de anderen van wie ze houdt op te schrijven voor na haar dood.

13. mijn broertje vasthouden terwijl de schemering zich in de vensterbank nestelt.

In een aantal flarden van wegzakken in een coma, stukjes gesprek van de geliefden met elkaar en tot haar fluisterend worden de laatste uren beschreven, tot het moment dat ze alles loslaat en ‘alle momenten in dit ene moment samenkomen.”
Jenny Downham schreef in 2007 dit mooie boek. De vierde druk is in Nederland ondertussen verschenen.

LIA 134 20-6-2009

De filosofie van de heuvel

In 2008 vertrok Ila Pfeijffer, multitalent, met zijn Russische vriendin Gelya Bogatishcheva op de fiets naar Rome, vertrekkend vanuit Leiden.
Na terugkeer schreef hij daarover in 2009 “de filosofie van de heuvel, Op de fiets naar Rome” (Arbeiderspers 2009) Gelya maakte de foto’s bij het boek.
Totaal onvoorbereid vertrokken ze op een plotselinge ingeving van Gelya. Hij op een blauwe Batavus voor 85 euro gekocht, zij op een gele mountainbike.

Toen het vlakke land in België plaats maakte voor heuvels, was het tijd voor Pfeijffer om een filosofie van de heuvel te ontwikkelen.
De eerste filosofie kreeg hij van Gelya: berg is vlak, dat is de waarheid. Daar kan hij niets mee, want de berg zag er niet vlak uit en voelde ook niet vlak aan.
Hij ontwikkelde een tweede filosofie: opzij kijken in plaats van naar boven. Het gaat niet om de berg, maar om het landschap.
Daarna kwam de derde filosofie: gaat een beetje sneller dan lopen.
De vierde vond hij uit: elke heuvel is een reus die heel lekker ligt te slapen en om hem niet wakker te maken moet je zo licht mogelijk fietsen.

Opmerkelijk zijn de volgende bespiegelingen over plannen en niet-plannen:
“Naar Rome fietsen is een makkie als je niet naar Rome fietst. Iedereen is in staat elke dag een stukje naar het zuiden te fietsen. En als je niet nadenkt over snelheid, afstand of een mogelijk doel, gaat alles vanzelf. Volgens het klassieke Japanse model van de do, de weg, voert de reis naar de top van de heilige berg Fuji. Eerst moet je een lange kronkelige weg volgen naar de voet van de berg. Je komt hindernissen tegen en dorpjes waar je spullen kunt vergaren die van  pas komen voor de beklimming. Het zal jaren duren totdat je de voet van de berg bereikt en voordat de eigenlijke beklimming kan beginnen. Al die tijd is Fuji zichtbaar in de verte. Maar de top is in nevelen gehuld. Het doel van je grote lange reis is gedurende de hele reis onzichtbaar. Dat is omdat het niet gaat om het doel. Het doel is de reis. (84)

En:
“Gelya’s vrolijke flodderfilosofie van ‘prosto tak’ schrijft voor dat we ‘gewoon zo’ leven, van het ene moment buitelend in het andere. Ze vindt het stom om over de toekomst na te denken, want er gebeurt toch wat er gebeurt. En als je alles van tevoren hebt bedacht, gebeurt het toch anders. En als het precies zo gebeurt als je had bedacht, is het al saai terwijl het gebeurt, omdat je het precies zo al tevoren had bedacht. En bovendien gebeuren dingen alleen maar als je ze laat gebeuren. Als je plannen maakt, gebeurt er niets, omdat je alleen maar bezig bent met je plannen en niet met wat er gebeurt.(…..)
Door zo te reizen wordt de reis een reeks momenten in plaats van een reeks frustraties over gefnuikte plannen en ongehaalde doelstellingen. Teleurstellingen zijn er niet omdat er geen verwachtingen waren. Er is alleen een ver, abstract doel, dat steeds abstracter en minder belangrijk wordt.” (110)
Na ruim veertig dagen bereiken de twee Rome, maar de verwachte juichstemming blijft uit. “We hadden niet echt een stemming. Er overheerste een gevoel van leegte en van een vreemd soort onverschilligheid. Het doel was bereikt en daarmee heeft het doel al zijn glans verloren.”  (198)

Aan het eind van zijn boek komt Pfeijffer tot de werkelijke filosofie van de heuvel: “De filosofie van de heuvel was achteraf heel simpel. Bijna te banaal om op te schrijven. De beklimming en afdaling horen bij elkaar. Ze zullen elkaar blijven opvolgen tot het einde der tijden. En de beste manier om daarover na te denken is er niet over na te denken, maar erop te vertrouwen.” (208)

De hiervoor geciteerde passages lijken me aardig geschikt om leerlingen in de tweede fase hun hersenen erover te laten doordenken.
• Wat zijn de voordelen van een dergelijke houding?
• Wat zijn de nadelen ervan?
• Welke manier maakt me gelukkiger?
• Welke manier maakt me tevredener?
• Kun je een dergelijke houding je hele leven volhouden of is het iets voor een ‘vakantietijd’?
• Hoe zou jouw filosofie van de heuvel eruit zien?

Maar ook voor wie niets met deze vragen heeft, is het een boek dat met veel humor de stukjes naar het Zuiden beschrijft, de moeilijkheden, de emotionele hoogte- en dieptepunten. De twee Romereizigers komen in Rome aan, maar besluiten meteen om de trein te nemen naar Genua, waar ze na negen uur stoptreinen (fietsen mogen niet in de intercity’s mee) in La Superba aankomen en er anderhalf jaar blijven.
Tegenwoordig wonen ze nagenoeg permanent in Genua en is zojuist Pfeijffers boek “La Superba” over Genua verschenen.
Lia 199 – 21 maart 2013

Een vergelijkend woordenboek

Wie in de vakantie zich wil orienteren in het aanbod van boeken, dat voor de sectie- of schoolbibliotheek geschikt kan zijn, moet zeker aan het boek van Herman Frijlink denken: Een God, Drie Religies. Het is een woordenboek over religies, maar anders dan de doorsnee encyclopedie. Het bijzondere aan dit woordenboek is dat het probeert de drie religies van het boek per woord, per lemma met elkaar te vergelijken. Dat levert voor de lezer en daarmee ook voor de leerling die het gebruikt voor naslagwerkzaamheden een overzicht op van zaken waarin de drie religies overeenkomsten vertonen. Jodendom, christendom en islam hebben dezelfde stamvader, Abraham, komen uit hetzelfde cultuurgebied en hebben dezelfde taalkundige, want Semitische, oorsprong.
Het besef dat deze religies meer verwantschap hebben dan menigeen wil toegeven is bij velen afwezig. De door Frijlink gehanteerde werkwijze maakt het mogelijk aandacht te besteden aan wat de religies bindt, want wat hen scheidt heeft al vaak genoeg de overmatige aandacht gehad.
Frijlink schrijft heldere en duidelijke zinnen, zijn taal is toegankelijk en vlot. Het boek is uitgegeven bij Pelckmans/Meinema , kost 18,50, telt 172 informatieve pagina’s voor 200 lemma’s, heeft een register. ISBN 978-90-211-4206-7
LIA 131 4/6/2009

Studiebijbel

Eind oktober is de nieuwe Studiebijbel van de NBV verschenen. Het is een kloek gebonden boek van ruim 2200 pagina’s geworden. De vormgevers hebben voor een leesbare en prettig ogende lay-out zorggedragen. Op alle mogelijke manieren wordt de lezer die meer wil weten tegemoetgekomen. Onder aan de pagina tref je informatieve noten aan, verwijzingen naar relevante andere bijbelpassages vind je in de linker- en rechtermarge. Elk bijbelboek is voorzien van een uitgebreide inleiding. Door heel het boek heen staan 150 verhelderende kaderartikelen, die een beter licht werpen op bepaalde bijbelse zaken. Deze kaderartikelen van een pagina gaan over de geschiedenis [Perzië bijvoorbeeld], dagelijks leven [wie kent alle ins en outs van het zwagerhuwelijk?], godsdienstig leven [lampenstandaard ofwel menora]. Apart aandacht wordt besteed aan belangrijke vrouwen en mannen. De werkelijkheid van de bijbel krijgt mede reliëf door het gebruik van foto’s, kaarten en een duidelijke tijdlijn. Consequent hanteert deze Studiebijbel als godsnaam JHWH in het Oude Testament; in het Nieuwe Testament komen we God weer tegen.

Op vier plaatsen kom je kleurenkaterns tegen, volgens mij een unicum in de geschiedenis van bijbeluitgaven. Het eerste katern gaat over landschap en klimaat van Palestina en het Nabije Oosten, katern 3 en 3 laten de historische en bijbelse achtergronden zien van de wereld waarin het boek tot stand kwam en katern 4 informeert over archeologie en bijbel en bevat een uitgebreide tijdslijnm waarin de geschiedenis van het Nabije Oosten, Palestina en de Bijbel keurig naast elkaar gerangschikt zijn.

Een aanwinst voor iedere (school)bibliotheek. Prijs is € 79,00.