Categorie archief: tweede taal

Oscar en oma Rozerood

Oscar is een jongen van tien, die zo ongeveer in het ziekenhuis woont, want hij heeft leukemie en men doet er alles aan om hem beter te maken. Hij observeert scherp: “Het ziekenhuis is onwijs leuk, als je een patiënt bent waar ze blij mee zijn. Maar ze zijn niet meer blij met mij. Sinds mijn beenmergtransplantatie merk ik heel duidelijk dat ze niet meer blij met me zijn.”

Hij heeft vriendjes in het ziekenhuis die ook voor ernstige ziekten onder behandeling zijn: Bacon, Einstein en Popcorn. Er zijn allemaal mevrouwen in rozerode schorten die met de kinderen willen spelen.

Oma Rozerood is de enige die zichzelf gebleven is ondanks de negatieve sfeer die Oscar is gaan ervaren, nu “ik een slechte zieke ben geworden, een zieke die je belet te geloven dat dokters alles kunnen.”

Omdat iedereen ‘doof’ wordt als hij vraagt of hij doodgaat, vraagt hij het oma Rozerood. Tegen zijn verwachting in zegt ze: ”Waarom wil je dat ze je het vertellen als je het al weet, Oscar?”

“Oma Rozerood, is mijn operatie mislukt?”

Oma Rozerood geeft geen antwoord. Dat was haar manier om ja te zeggen.

Oma Rozerood geeft hem het advies een brief aan God te schrijven. Daar wil Oscar eigenlijk niets van weten en er ontstaat een discussie. Mooi fragment daarin is:

“ ‘En waarom zou ik God schrijven?’

‘Omdat je je dan minder alleen zult voelen.’

‘Minder alleen met iemand die niet bestaat?’

‘Zorg dan dat hij wel bestaat.’

Ze boog zich naar me toe.

‘Elke keer als je in hem gelooft, zal hij een beetje meer gaan bestaan, Als je maar lang genoeg volhoudt, zal hij helemaal bestaan. En dan zal hij je helpen.’

‘Wat kan ik hem dan schrijven?’

‘Vertel hem wat je denkt. Gedachten die je voor je houdt, zijn gedachten die op je drukken, die zich in je hoofd nestelen, die een last voor je zijn. Die je verlammen, die de plaats innemen van nieuwe ideeën en die je ziek maken. Als je er niet over praat, wordt je een vuilnisbak vol oude gedachten die gaan stinken.’

Verhalen van een worstelaarster

Het boek van Schmitt over Oscar bevat de brieven die Oscar in de loop van zijn laatste levensfase aan God heeft geschreven: open, met een verrassende kijk op de wereld en vaak heel humoristisch. Volgens oma Rozerood mag je bij God een wens doen, een per dag, niet voor hebbedingen, maar voor zaken die met je innerlijk te maken hebben. Enkele brieven later eindigt Oscar met: “Vandaag geen wens. Kun jij ook eens uitrusten.”

Oscar ruikt onraad als zijn ouders op een andere dag dan zondag naar het ziekenhuis komen. Hij luistert hun gesprek met dokter Düsseldorf af, ze willen hem niet opzoeken omdat ze te zeer gegrepen zijn door het doodvonnis, maar Oscar vindt hen maar lafaards. Hij wordt weer rustig als oma Rozerood langs komt en met hem praat en zelfs een kus op zijn wang geeft. Als Oscar hoort dat ze maar twee keer per week mag komen, bezweert hij haar langs dokter Düsseldorf te gaan en te vragen of zij hem dagelijks mag zien, want hij realiseert zich dat hij nu echt iemand nodig heeft als steun en toeverlaat. Ze komt terug met de mededeling dat ze de komende 12 dagen iedere dag hem mag komen bezoeken. Ze vraagt hem ook een spelletje met haar te spelen. “Vanaf vandaag moet je elke dag goed opletten en je voorstellen dat die dag voor tien jaar telt.”

Een belangrijk onderdeel van oma Rozeroods gesprekken gaat over haar verleden als worstelaarster met vele verschillende vrouwen op zeer verschillende plaatsen.

Ze gebruikt haar worstelverhalen om Oscar anders te laten denken en doen, zodat hij de moeite neemt om een medepatiëntje, Peggy Blue, te zeggen dat hij haar leuk vindt.

Oma Rozerood redt hem als hij een nacht met Peggy doorbrengt, naast haar in bed liggend, waar ze de volgende ochtend door de hoofdzuster worden betrapt. Tegen de tierende vrouw valt ze uit: “Willen jullie die kinderen weleens met rust laten! Waarvoor zijn jullie hier eigenlijk, om op de kinderen te passen of op de regels? Ik heb geen donder met jullie regels te maken, die regels van jullie kunnen me gestolen worden.”

Oma Rozerood neemt hem mee naar de kapel, waar hij het halfnaakte, gepijnigde Christusbeeld ziet en tegen haar zegt:”even serieus, oma Rozerood: u bent worstelaarster, u bent een beroemd kampioene geweest, dan gaat u toch zeker niet in zoiets geloven?”

“Waarom niet Oscar? Zou je meer geloven in God als je een bodybuilder zag met een getraind lijf, dikke spierbundels, zijn huid glimmend van de olie, kortgeknipt haar en een flatteus minislipje?”

‘Eh’

‘Denk eens na, Oscar. Wie staat er dichter bij je, naar je gevoel? Een god die geen beproevingen doorstaat of een God die pijn lijdt?’

‘Een God die pijn lijdt, natuurlijk. Maar als ik hem was, als ik God was, als ik net als hij de mogelijkheden had, zou ik ervoor hebben gezorgd, dat ik geen pijn hoefde te lijden.’

‘Niemand kan er voor zorgen dat hij geen pijn hoeft te lijden. God net zo min als jij. Je ouders net zo min als ik.’ (55)

Levensvragen

Op kerstmiddag weet Oscar zich te verstoppen in de auto van oma Rozerood en rijdt zonder dat ze het in de gaten heeft met haar mee naar haar huis. Hij valt in slaap en wordt wakker als het donker is. Koud en verkleumd probeert hij aan te bellen en op de stoep vindt oma Rozerood hem. Ze neemt hem mee naar binnen, waarschuwt het ziekenhuis waar groot alarm geslagen is en wachten op de ouders van Oscar. Oscar en oma praten over ouders en Oscar begrijpt nu dat zijn ouders niet bang voor hem zijn, maar voor zijn ziekte. Hij begrijpt dat hun angst ook met de angst voor de eigen dood te maken heeft en laat zich tijdens het kerstfeest bij oma Rozerood van een andere kant zien. Daardoor kan hij zich met hen verzoenen en wenst hij die avond dat zijn ouders altijd zo blijven als vanavond.

Als Oscar ‘tussen de zeventig en de tachtig is’, leest hij met Peggy de medische encyclopedie.

“Ik heb gekeken naar de woorden die mij interesseren:‘Leven’, ‘Dood’ ‘Geloof’, ‘God’. Je houdt het niet voor mogelijk, maar ze stonden er niet in. Nou, dat bewijst al dat het geen ziektes zijn, het leven niet, de dood niet, het geloof niet en jij ook niet. Op zich is dat goed nieuws. Maar in zo’n serieus boek zou je toch een antwoord moeten vinden op de meest serieuze vragen van het leven, vind je ook niet?

‘Oma Rozerood, ik heb de indruk dat er in de Medische Encyclopedie alleen maar speciale dingen staan, problemen die bepaalde mensen kunnen overkomen. Maar de dingen die voor ons allemaal belangrijk zijn – het Leven, de Dood, Het Geloof en God,- die staan er niet in.’

‘Die staan misschien in een Filosofische Encyclopedie, Oscar. Maar ook al vind je daarin de begrippen die je zoekt, dan nog loop je de kans dat je teleurgesteld wordt. Voor elk begrip worden daarin namelijk heel verschillende antwoorden gegeven.’

‘Hoe kan dat?’

‘De meest interessante vragen blijven vragen. Ze dragen een geheim in zich. Bij elk antwoord hoort een ‘misschien’.Alleen onbelangrijke vragen hebben een duidelijk antwoord.’

‘Bedoelt u dat er geen oplossing voor het begrip Leven is?’

‘Ik bedoel dat er voor Leven verschillende oplossingen zijn, dus geen oplossing.’ (82)

God ervaren

Als hij ‘negentig’ is wordt hij ‘s morgens wakker en realiseert zich de aanwezigheid van God. Tegen de ochtend kijkend naar de sneeuw ervaart hij Gods aanwezigheid in het aanbreken van de dag, de gang van de seizoenen, de   komst en aanwezigheid van zijn medemensen.

”Ik begreep dat jij er was. Dat je me jouw geheim vertelde: bekijk de wereld elke dag alsof het de eerste keer is.

En toen heb ik je raad opgevolgd en ik heb mijn best gedaan. De eerste keer. Ik keek naar het licht, de kleuren, de bomen, de vogels, de dieren. Ik voelde de lucht door mijn neusgaten binnenstromen en mijn longen vullen. Ik hoorde stemmen die in de gang opstegen als naar het gewelf van een kathedraal. Ik voelde mezelf leven. Ik trilde van pure vreugde. Ik was gelukkig dat ik bestond. Het was geweldig.” (87)

Twee dagen later, als hij ‘honderdtien’ is, sterft Oscar. De laatste brief aan God is geschreven door oma Rozerood, waaruit het volgende fragment:

“Hij is vanmorgen gestorven, tijdens het half uurtje dat ik met zijn ouders even koffie was gaan drinken. Hij heeft het zonder ons gedaan. IK denk dat hij daarop heeft gewacht om ons te ontzien. Alsof hij ons de hevige emotie van zijn levenseinde wilde besparen. Eigenlijk was hij degene die over ons waakte (…)

Bedankt dat ik Oscar heb leren kennen. Dankzij hem was ik grappig, verzon ik verhalen, kreeg ik zelfs verstand van worstelen. Dankzij hem heb ik gelachen en vreugde gekend. Hij heeft mij geholpen in jou te geloven. Ik ben vol van liefde, ik gloei ervan, hij heeft me er zoveel van gegeven dat ik genoeg heb voor de rest van mijn leven.”

De laatste alinea:

“PS. De laatste drie dagen had Oscar een bordje op zijn nachtkastje neergezet. Ik geloof dat het voor jou was. Hij had erop geschreven: ‘Alleen God mag me wakker maken.’” (92)

Eric-Emmanuel Schmitt, Oscar en oma Rozerood

2002, Nederlandse vertaling 2013

Aanknopingspunten

  • Dit boek van Eric-Emmanuel Schmitt is een aanrader voor onze leerlingen. Leerlingen die een serieus, ontroerend en grappig geschreven boek van minder dan honderd pagina’s willen lezen hebben met dit boek een gouden greep.
  • Een recensie ervan in de schoolkrant met de oproep om het eens te lezen kan sommigen misschien over de streep trekken.
  • Diverse fragmenten in mijn stuk hierboven, maar zeer zeker ook andere – want iedereen heeft zijn eigen voorkeuren – kunnen als extra-materiaal,  opdrachtje bij veel levensbeschouwelijk lesmateriaal gebruikt worden.
  • Op dezelfde pagina komen de hermeneutische knooppunten in dit boek volgens de redactie neer op vragen als
    • Wat is lijden?
    • Waarom is er lijden in de wereld?
    • Welke soorten lijden bestaan er allemaal?
    • Is een God verantwoordelijk voor het lijden in de wereld?
    • Wat is een godsbeeld?
    • Wat is een goed godsbeeld?
    • Welke godsbeelden bestaan er in de christelijke traditie?
    • Hebben andere religieuze tradities ook godsbeelden en hoe zien die er dan uit?
    • Wat is hoop?
    • Is de hoop sterker dan de dood?
  • De pagina vermeldt ook enkele impulsen alvorens met het verhaal aan de slag te gaan.
  • Tot slot volgen ook didactische suggesties om bijvoorbeeld het verhaal van Job hieraan te koppelen.
  • Wie van het verhaal uit wil gaan, maar het niet wil lezen, maar zien kan ook met de film die in 2009 gemaakt is, werken. “Oscar et la dame rose’. De regie is in handen van de schrijver zelf. Een recensie ervan vind je op http://www.fransefilms.nl/oscar-et-la-dame-rose/. Hij duurt 90 minuten. Bol.com heeft hem in voorraad. Prijs is €8,99.

Exodus: Gods and Kings

Ridley Scott, maker van de film ‘Gladiator’ draaide in 74 dagen zijn eigen nieuwe versie van het Exodusverhaal. De film heet ‘Exodus: Gods and Kings’ en komt half december uit in de Nederlandse bioscoop.

Meteen na het verschijnen van de trailer barstte de discussie over de kleur van de acteurs los. Volgens velen waren de Hebreeën destijds evenals de Egyptenaren geen blanken, dus hadden er andere acteurs in moeten spelen.

Scenarioschrijver Steve Zaillian maakt er op een andere manier dan in The Prince of Egypt een broer versus broerverhaal van, op zich een simpel gegeven, dat geplaatst wordt in een groter episch verband, dat te maken heeft met oorlog, rampen, plagen en letterlijke daden van God.

Wat mij in de gemiddelde Mozesfilm tegenstaat is allereerst de overdreven nadruk op de broedertwist tussen Mozes en de farao. Zowel in The Prince of Egypt als in deze film zal het ongetwijfeld dramatische conflict, waarover in het oude Exodusverhaal geen woord over te vinden is, het aloude bevrijdingsverhaal in de schaduw stellen. Laat je leerlingen het verhaal navertellen dan krijg je een compleet ander verhaal dan wat we in de bijbel kunnen lezen. De bevrijding uit de slavernij wordt een soort collateral fortune van de strijd tussen de twee broers.

Een ander negatief element is het al dan niet met speciale effecten laten zien van de plagen die Egypte teisteren. We weten allemaal dat we ook het Exodusverhaal als tweede taal moeten lezen en dat we historisch heel veel vragen moeten stellen bij de tien plagen. Nu ze bioscoopgroot te zien zullen zijn in al hun verschrikking en hevigheid zal het de docent weer meer moeite kosten om het tweedetaalkarakter ervan aan te geven. Want we hebben het toch zien gebeuren, hoor ik leerlingen al zeggen!

De trailer is te zien via https://www.youtube.com/watch?v=t-8YsulfxVI

Lesmateriaal ‘Scheppingsverhalen’

De afgelopen maanden ben ik met de sectie levensbeschouwing van het Newmancollege aan de slag geweest om nieuwe inhouden voor Te Denken Geven Onderbouw, jaar twee, te produceren. Ik was verantwoordelijk voor een lessenserie over scheppingsverhalen.  Het is een uitgebreid stuk geworden, waaraan de volgende uitgangspunten ten grondslag liggen.

  1. Leerlingen worstelen tot het eind van hun levensbeschouwelijk programma op school met het verschijnsel tweede taal. Leerlingen leren te accepteren dat er twee taalspelen zijn, die je niet met elkaar moet verwarren, blijft een van de topuitdagingen van het vak levensbeschouwing. Het blijft ook een van de grote struikelblokken voor veel leerlingen om de knop om te kunnen zetten.
  2. Het verschil tussen eerste en tweede taal wordt met name ontkend in de nu al twee eeuwen durend debat over ‘schepping of evolutie’, waarbij de aanhangers van beide opvattingen zich snel verliezen in het niet in acht nemen van de twee taalspelen waar   schepping en evolutie op gebaseerd zijn.
  3. Als in onze samenleving de wetenschap het aureool van alles-kunnen-verklaren omgeeft, wordt het des te dwingender voor de levensbeschouwer daar kritisch mee om te gaan en de wetenschap naar haar iets bescheidener plaats terug te wijzen. Met name door te wijzen op die zaken waar de wetenschap niets over te vertellen heeft, maar ook door er op te wijzen dat wetenschap steeds een zeer voorlopige zaak is en dat er met de wetenschap, zoals met alle menselijke scheppingen, rare en gevaarlijke dingen gedaan werden en worden.
  4. We willen ook sterk benadrukken dat verhalen – dus ook scheppingsverhalen – geen vrijblijvende verhalen zijn. Taal is niet neutraal, maar verraadt een heleboel over de opvattingen van de mensen die haar hanteren. In deze lessenserie komt dat vooral naar voren in de manier waarop in de verhalen naar de vrouw wordt gekeken, naar de manier waarop de vrouw verantwoordelijk wordt gehouden voor de verdrijving uit het paradijs: Eva als de verleidster, die Adam inpakte met het aanbod van de verboden vrucht.
  5. Ook deze lessenserie gaat uit van het eerder gehanteerde model van de vijf stappen:
  1. Level 1 – waar gaan deze lessen over?
  2. Level 2 – Wat weet en wat vind ik ervan?
  3. Level 3 – Verdiepende informatie
  4. Level 4 – Heb ik het begrepen?
  5. Level 5 – Wat betekent het voor mij?

6. Inhoudelijk komt het op de volgende indeling uit:

1. Het heelal en de vragen die zich daaromheen voordoen

  1. Wat weet je van bijbel en wetenschap over het begin van alles?
  2. Verdieping

3.1. Het verhaal van de wetenschap

  1. De oerknaltheorie
  2. De evolutietheorie

3.2. De meest bekende scheppingsverhalen

  1. In zes dagen…
  2. Mis ik iemand?
  3. Het tweede verhaal is nog niet af

3.3. Andere culturen hebben andere scheppingsverhalen

  1. Babylon
  2. Over heel de wereld: China

3.4. Verhalen zijn niet ongevaarlijk

  1. Het apenproces
  2. Onderwerp de aarde
  3. Sociaal darwinisme
  4. Eva, de eeuwige verleidster
  1. Enkele opdrachten om de informatie uit level 3 te testen
  2. Schrijf een eigen scheppingsverhaal

Wie de tekst van dit hoofdstuk in zijn geheel wil lezen, kan een alleenlezen-versie ervan downloaden via de volgende link: http://www.zininschool.info/download/scheppingsverhalen.pdf

Toon Tellegen 3

Een andere Toon Tellegentekst kwam ik tegen door mijn documenten op de computer te laten doorzoeken op de term ‘Tellegen’. Daarbij kwam als tweede tekst de jaarrede van Kees Hamers in 2005 naar voren.

[In zijn tekst kon Kees weinig goeds vinden in de term ‘participatiemaatschappij’, waar toen al sprake van was en waar Kees zijn profetische pijlen op richtte. We weten nu waartoe die mooie term heeft geleid de afgelopen maanden.]

Maar er loert wel gevaar. Niet zozeer van schoolbestuurderen. Velen van hen zijn doordrongen van de meerwaarde van levensbeschouwing in het vormingsaanbod. Nee, het gevaar zit ‘m erin dat wij een uitstervend ras dreigen te worden. Waar zijn immers de frisse jongens en meisjes die zich in groten getale melden om docent levensbeschouwing te worden?

Wij willen graag in het eindexamenprogramma, we willen graag dat het vak levensbeschouwing in alle veranderingen die plaatsvinden zichtbaar en herkenbaar blijft in de scholen, maar dat alles staat of valt met goed geschoolde en gemotiveerde leerkrachten. De toenemende aandacht voor levensbeschouwing in onze samenleving heeft helaas nog niet geleid tot een toenemende belangstelling voor een docentschap in die richting.

Daarom tot slot een verhaaltje van Toon Tellegen uit de bundel: “Bijna iedereen kan omvallen”

Denk je dat we ooit afgelopen zijn, eekhoorn?’ vroeg de mier op een keer.

De eekhoorn keek hem verbaasd aan.

‘Nou, zoals een feest afgelopen is,’ zei de mier. ‘Of  een reis.

De eekhoorn kon zich dat niet voorstellen.

Maar de mier keek uit het raam naar de verte tussen de bomen en zei: ‘Ik weet het niet, ik weet het niet…’ Er verschenen rimpels in zijn voorhoofd.

‘Maar hoe zouden we dan moeten aflopen?’ vroeg de eekhoorn.

Dat wist de mier niet.

‘Als een feest is afgelopen gaat iedereen naar huis,’ zei de eekhoorn. ‘En als een reis is afgelopen wrijf je in je handen en kijk je of er nog een potje honing in je kast staat. Maar als wij zijn afgelopen…’

De mier zweeg. Hij maakte een raar geluid met zijn voelsprieten.

‘Wat is dat voor een geluid?’ vroeg de eekhoorn. ‘Knakken,’ zei de mier.

Daarna bleef het lange tijd stil.

De mier stond op en begon, met zijn handen op zijn rug, door de kamer heen en weer te lopen.

‘Denk je erover na?’ vroeg de eekhoorn. ‘Ja,’ zei de mier. ‘Weet je het al?’ ‘Nee.’

De mier ging ten slotte weer zitten.

‘Ik weet het niet,’zei hij. ‘Ik weet vrijwel alles, dat weet je, eekhoorn…’

De eekhoorn knikte.

‘Wat ik niet weet,’ging de mier verder, ‘mag geen naam hebben. Maar of wij ooit aflopen…’

Hij schudde zijn hoofd.

De eekhoorn schonk nog een kopje thee in. De mier nam en onzeker slokje.

Ik dank u voor uw aandacht en wens u een zinvolle dag toe

 

Toon Tellegen 2

In mijn eigen archief kwam ik een tekst tegen die een vriendin gebruikt heeft bij het afscheid van haar dochter en waarin ook een tekst van Toon Tellegen actief een rol speelde.

“Na de ontstellende mededeling twee jaar geleden, dat ze kanker had, is X begonnen met een hyvespagina. Vele malen heeft ze achter de laptop gezeten haar ervaringen en gevoelens aan haar vrienden en familieleden toevertrouwd.

Op haar werk terugkijkend kunnen we het volgende constateren:

X kon schrijven; hoe vreselijk de verhalen ook waren, ze wist ze zeer lezenswaardig te vertellen.

X kon verrassend uit de hoek komen. Na een lange uitweiding over de negatieve bijverschijnselen van de chemo kon ze haar man vragen, wanneer er medicijnen zouden komen, die als bijverschijnsel gaven, dat ze beter kon koken of goed zou gaan zingen en andere mooie activiteiten.

 

X vertelde haar pijnverhalen, haar worstelen met de ziekte, haar angsten

om de toekomst en haar man, maar ze kon het niet laten om woorden als ‘genieten van’, ‘mooi’, ‘blij zijn’, te gebruiken. De afgelopen twee jaar heeft ze gevochten om de positieve ervaringen in haar leven te vermeerderen. Ze wist in het duister toch nog lichte plekken te ontdekken.

 

Ze heeft nooit genoegen genomen met een half glas; ze wilde de hele fles aan geluk drinken. Ook in deze twee jaar heeft ze van alles om haar heen met volle teugen genoten. Het volgende gedicht van Toon Tellegen laat ons zien, hoe we ons X willen en kunnen herinneren:

 

Waarom schrijf ik

Ik schrijf omdat ik wil schrijven

Dat ik gelukkig ben.Op een dag zal het zover zijn

en zal ik schrijven –

met mijn tong tussen het puntje van mijn tanden

en met rode oren en rode wangen:

ik ben gelukkig.

 

Als ik daarna ooit nog twijfel

en meen dat ik verdrietig ben of de wanhoop nabij

of zelfs reddeloos verloren,

kan ik altijd opzoeken wat ik werkelijk ben:

gelukkig.

 

Toon Tellegen 1

Op mijn vraag in LIA 199 naar wie verhalen van Toon Tellegen gebruikt in zijn of haar lessen kreeg ik twee duidelijke reacties. Voor beide uiteraard hartelijk dank!

De eerste is van Ad Uijtdewilligen, die opmerkte:

“Het verhaal van het nijlpaard van Toon Tellegen vind je in de methode Labyrint deel 1, blz 14. Het is uit ‘misschien wisten zij alles’.”

De tweede, uitgebreidere reactie komt van Bianca Boers, die schrijft: “Ik ben eerstegraads docent HVO (Humanistisch Vormings Onderwijs) en levensbeschouwing en heb een bedrijfje (genaamd ZININZIN) dat trainingen (nascholingen) verzorgt voor collega-docenten, kindercoaches, creatief therapeuten etc.

Ik maak graag gebruik van de verhalen van Toon Tellegen. Het bijzondere van het werken met metaforen is dat ze:

·    niet bedreigend zijn (worden ook gebruikt bij coaching/ noemt men ook wel helende verhalen)

·    onafhankelijkheid stimuleren

·    om natuurlijke weerstanden heen gaan

·    platform voor creativiteit aanbieden

·    subtiel zijn, de aandacht vragen en het onderbewuste aanspreken

·    beter onthouden worden (ezelsbruggetje effect)

Mijn favoriete verhaal is het verhaal over HET KLEINE ZWARTE DOOSJE (blz. 371). Ik heb dit verhaal gebruikt als voorbeeld van een fictief verhaal in de training ‘Iedereen verTELT’ om uit te leggen waarom er veel gebruik gemaakt wordt van metaforen bij levensbeschouwing. Het kleine zwarte doosje in dit verhaal staat symbool voor het geheugen. Het geheugen van een mens is te vergelijken met een doosje, waarin verhalen worden bewaard. Verhalen die je gehoord hebt en die je geraakt hebben. Verhalen die bij jou geboren zijn toen je op een bepaald moment gevraagd werd iets te vertellen over een gebeurtenis die voor jou belangrijk was. En verhalen van anderen, die zo’n indruk op je hebben gemaakt dat je ze in je eigen verhalendoosje bewaren wilt.

Ik gebruik dit verhaal ook vaak als inleiding bij het onderwerp ‘afscheid nemen’. Als verwerkingsopdracht laat ik de leerlingen een mooie herinneringsdoos maken.

Ik vond ook nog een werkblad met het verhaal ‘ DE EEKHOORN SCHROK MIDDEN IN DE NACHT WAKKER’ en ‘DENK JE DAT WE OOIT AFGELOPEN ZIJN?’. Ik weet helaas niet meer op welke bladzijde het verhaal staat.

Verder gebruik ik verschillende verhalen van Toon Tellegen vaak als inleiding bij een filosofisch (leer)gesprek. Zijn verhalen stimuleren de verwondering en het stilstaan bij eenvoudige alledaagse gebeurtenissen. Kunnen dieren zichzelf mooi vinden? Kan een dier menselijke eigenschappen hebben? Kunnen dieren zich vervelen? Kunnen dieren slecht zijn? Dat levert hele mooie gesprekken op!

Bij het onderwerp ‘Karaktereigenschappen’ gebruik ik ook de dieren uit de verhalen van Tellegen (het zouden ook mensen kunnen zijn). Mijn ervaring is dat leerlingen het makkelijker/prettiger vinden om naar aanleiding van de karaktereigenschappen van dieren over hun eigen karaktereigenschappen na te denken. In de training ‘ZINvol werken met portret en zelfportret; creatieve werkvormen bij identiteitsontwikkeling’ heb ik dit als voorbeeld uitgewerkt. De opdracht is dan ‘Op welk(e) dier(en) lijk jij?’ Als verwerkingsopdracht maken de leerlingen zelfportretten à la Dali.

De verhalen en werkvormen die ik genoemd heb zijn (aangepast op het niveau) zowel in de bovenbouw van de lagere school, op de middelbare school en in het volwassenenonderwijs te gebruiken.

 

 

 

Is er leven na de geboorte?

Via een Italiaanse vriend van mijn zoon kreeg ik de volgende link toegestuurd: http://cogitoetvolo.it/tu-credi-nella-vita-dopo-il-parto/
Twee baby’s bediscussiëren een mogelijk leven na de geboorte. Wie de argumenten vergelijkt met die van mensen die niet in een leven na de dood geloven, ziet dat er veel overeenkomsten zijn. Mogelijk een idee om leerlingen te vragen of ze dergelijke argumenten al eens eerder hebben gehoord, wat ze ervan vinden en wat dit verhaal hen eventueel te vertellen heeft. Het zal zeer uiteenlopende reacties te zien geven.

Twee baby’s bevinden zich in de baarmoeder van een zwangere vrouw. Vraagt de een aan de ander:
“ Geloof jij in het leven na de geboorte?”
“ Ja, zeker. Er moet iets zijn na de geboorte. Misschien zijn we hier omdat we ons moeten voorbereiden op datgene wat we later zullen zijn.”
“Flauwekul! Er is geen leven na de geboorte. Hoe zou dat leven dan moeten zijn?”
“Ik weet het niet met zekerheid…..Er zal meer licht zijn dan hier. Misschien zullen we op onze voeten lopen of ons voeden met de mond.”
“Dat is absurd! Lopen is onmogelijk. En eten met de mond. Het is gewoon belachelijk. De navelstreng is waarmee we ons voeden. IK zeg je een ding: het leven na de geboorte is niet te begrijpen. De navelstreng is veel te kort.”
“Toch geloof ik dat er iets moet zijn, al zal het wel een beetje verschillend zijn van wat we hier gewend zijn.”
“Maar niemand is teruggekeerd van de andere kant, na de geboorte. De geboorte is het einde van het leven. En alles bijeengenomen is het leven niets anders dan een verdrietig bestaan in de duisternis die nergens naar leidt.”
“Goed, ik weet ook niet precies hoe het na de geboorte zal zijn, maar ik ben er zeker van dat we moeder zullen zien en zij zal zorg voor draagt.”
“Moeder? Geloof jij in de moeder? En waar denk je dat zij zich bevindt?”
“Waar? Ze is geheel en al om ons heen. We leven in haar en door haar. Zonder haar zou deze wereld niet bestaan.”
“Kom zeg! Ik kan je echt niet geloven! Ik heb nog nooit een moeder gezien en dus is het logisch dat ze niet bestaat.”
“Goed, maar soms, wanneer we stil zijn, kun je haar horen zingen of aangeven hoe ze onze wereld koestert. Weet je wat ik je zeg? Ik denk dat er een werkelijk leven is dat ons wacht en dat we ons nu slechts daarvoor aan het voorbereiden zijn…”

hey-brother

Welke reclame kan echt niet meer?

Reclames zijn per definitie waardegeladen en daarmee een dankbaar onderwerp voor levensbeschouwelijk kijken. Als opvattingen veranderen, veranderen de reclames mee, want zij drukken een tijdsgevoel uit. Als de samenleving stevig verandert, zie je dat bepaalde advertenties echt niet meer kunnen. Op de webstek van Hetkanwel is een selectie van die advertenties te zien.
Bij een foto van een verbaasde vrouw en een flesje tomatensap lees je: “ You mean a woman can open it?
Elders: ‘Hoe harder een vrouw werkt, des te leuker ziet ze er uit!”
Een vrouw die op de grond verlekkerd naar een schoen ligt te staren: “Keep her where she belongs…”
Een man met een sigaartje in zijn hand en een vrouw tegenover zich krijgt mee: “Blow in her face and she’ll follow you anywhere.”

Met dit webstekonderwerp kunnen we meerdere dingen doen:
De leerlingen krijgen de afbeeldingen te zien en de docent vraagt hen na te denken over de waarden die erin weerspiegeld worden.
De docent geeft vervolgens aan, dat volgens de auteur van het webstekartikel deze reclames echt niet meer kunnen. Voor de leerlingen: “Waarom zou de auteur dat zeggen? Wat zeg jij ervan?
Na de reclames die echt niet meer kunnen laat de auteur Emile van den Berg nog enkele moderne uitingen zien en zet er zijn bedenkingen onder. Hij meent dat ook in de toekomst bepaalde reclames niet meer kunnen. Als duidelijk voorbeeld: Het grootste sportevenement ter wereld wordt gesponsord door fast-foodketens en frisdrankfabrikanten. Voor de leerling een mooie opdracht om na te gaan welke reclames in de toekomst volgens hem of haar niet meer zullen kunnen en waarom? Anders gezegd: welke voor dan belangrijke waarden worden hier met voeten getreden?

Het artikel is te vinden op http://www.hetkanwel.net/2012/09/11/watdenkenwijover40jaarvanreclamevannu/

Lesbrief – De Jeugd van Tegenwoordig

De schoolmusical die Eva Mathijssen en Arto Boyadjian dit jaar geschreven hebben heet ‘De jeugd van tegenwoordig’. Informatie over de musical is te vinden via http://www.deschoolmusical.nl . Het verhaal gaat als volgt:
De leerlingen zitten bij elkaar en missen Khadiza. De geschiedenisleraar (Albert) van Hoffen gaat zijn laatste geschiedenisles geven, en wel over het jaar 1969. Als de les net begonnen is, komt Khadiza binnen die meldt dat haar verblijfsvergunning ingetrokken is. Het zou nu veilig genoeg zijn in Irak. De leerlingen zijn er beduusd van en reageren nauwelijks op de opmerking van van Hoffen: “Het enige verzet is collectief verzet.”
Hij laat hen een super8filmpje zien dat geschoten is tijdens een demonstratie in 1956 en waar van Hoffen duidelijk aanwezig is en de groep toespreekt. Er ontstaat een fictief gesprek tussen de jongeren van 1969 en die van 2012 en aan het eind ervan staan de moderne jongeren op de tafels in hun lokaal. Ze zijn bereid te protesteren tegen het feit dat Khadiza naar Irak teruggestuurd wordt. Al praten bedenken het plan van een sleep-in of een stay awake-verbijf op school. Na een gesprek met enkele leden van de schoolleiding krijgen ze ook officieel toestemming om de stay awake te houden.
Veel mensen doen mee met de stay awake en de volgende morgen blijft de klas achter om op te ruimen. Als ze daarmee bezig zijn, komt Khadiza binnen met de mededeling dat het protest geen resultaat heeft opgeleverd en haar familie toch terug moet naar Irak. De leerlingen zijn heel teleurgesteld dat hun protestnacht geen succes heeft gehad, maar worden door Khadiza terechtgewezen: “Jullie hebben de hele school in beweging
gezet, voor mij en m’n vader. Ik weet niet hoe het met jullie zit, maar ik ga dit niet vergeten. Nooit. Hoe vaak doen mensen dit nou, voor iemand, laat staan voor mij? Dat is toch bizar. Te gek voor woorden ook. Dat Norbert en Tobias het überhaupt ooit met elkaar eens zouden worden, dat neem ik mee. Dat jullie allemaal voor mij op tafel zijn gaan staan. Ook dat neem ik mee.”

Bij deze schoolmusical heb ik een lesbrief gemaakt, die goed te gebruiken is in de lessen levensbeschouwing. Een aantal elementen uit de lesbrief heb ik in andere onderdelen van het Newmancurriculum als eens gebruikt.
De opzet is als volgt:
Het verhaal
De vragen waar het om draait
Terug naar Irak
Wat voor protest
Wat heb jij er voor over?
Wat heeft het opgeleverd?

Om auteursrechtelijke redenen is de lesbrief alleen te lezen, niet te veranderen of af te drukken. Hij is te downloaden via http://www.uitgeverijwvdoever.nl/download/lesbriefjeugdvantegenwoordig.pdf.

Het belang van de waaromvraag

Op alle mogelijke manieren zal ik blijven proberen argumenten voor het instandhouden van het vak levensbeschouwing bijeen te zoeken. Mooi is dan dat je opa bent en zo nu en dan snuffelt in de pedagogische maandbladen die je bij je ouderende kinderen tegenkomt, Aan ‘Groter Groeien’. 2012 nr. 3 ontleen ik het volgende:
“Mama, waarom heeft oma grijs haar? Waarom moet ik naar school? Waarom zijn tomaten rood? Behoorlijk vermoeiend: al die waarom-vragen van je kind.
Uit Amerikaans onderzoek blijt dat het niet draait om aandacht trekken. Je kind wel ècht het naadje van de kous weten. Probeer dus serieus antwoord te geven.

Uit een ander onderzoek van de Universiteit van Novi Sad in Servië blijkt zelfs dat nieuwsgierig zijn gelukkig maakt. Tieners die zich waarom-vragen stellen zijn gelukkiger dan tieners die dat niet doen. Zij zijn minder eenzaam, hebben het gevoel dat hun leven meer zin heeft en zijn minder somber, gestrest en angstig. Het is dus slim om het waarom-gedrag van je kind te stimuleren, ook al is het soms heel vermoeiend.

Het advies van de onderzoekers: neem je kind altijd serieus en stel vragen terug, waardoor hij nadenkt. Z blijft je kleine levensbeschouwer [er stond eigenlijk ‘filosoof’] zich verbazen over de wereld om hem geen. Dat houdt hem scherp en maakt hem gelukkig.”

Gekreukeld papier

Een oud-leerling van me, nu ook werkend in het onderwijs, zette de volgende beeldende tekst over pesten op zijn facebookpagina, die ik graag doorgeef als een goed verhaal voor in de klas.

“Een onderwijzeres in New York onderwees haar klas over de gevolgen van pesten. Ze gaf hen de volgende opdracht.
Ze gaf alle kinderen in de klas een stuk papier en zei hen het te verfomfaaien, het te verkreukelen, er een prop van te maken, het op de grond te gooien en er op te stampen. Kortom er echt een puinhoop van te maken, maar het niet te verscheuren.
De kinderen vonden dat wel een leuke opdracht en deden hun best het blad zo veel mogelijk te verkreukelen.
Toen kregen ze de opdracht om het papier voorzichtig weer open te vouwen, zodat het niet scheurde en het weer glad te strijken.
Ze liet hen zien hoe vol littekens en vuil het papier was geworden.
Toen zei ze de de klas dat ze het papier moesten zeggen dat het hen speet dat ze het zo verkreukeld hadden.
Maar hoe vaak ze ook zeiden dat het hen speet en hoe ze hun best ook deden om de kreukels weer uit het papier te halen, het lukte hen niet om het blad in de vorige gladde staat terug te krijgen.
Ze wees haar leerlingen op alle littekens die ze achterlieten.
En dat die littekens nooit meer zullen verdwijnen, hoe hard ze ook probeerden ze te repareren.
Dat is wat er gebeurt als een kind een ander kind pest.
Je kan zeggen dat het je spijt, je kan proberen het weer goed te maken, maar de littekens zijn er en die blijven.
Mensen van 80 kunnen nu nog navertellen hoe ze op de lagere school gepest werden. De kreukels gingen er niet meer uit.
De gezichten van de kinderen in de klas vertelden haar dat haar boodschap was overgekomen.

Het gevaar van een enkel verhaal

Van collega Aukje Becherif kreeg ik de volgende tip toegezonden:
Laat je niet verleiden door slechts een enkel verhaal, zegt de Nigeriaanse schrijfster Chimamanda Adichie. Ga op zoek naar de schatten van andere culturen.

De schrijfster Chimamanda Ngozi Adichie (32) groeide op in Oost-Nigeria, in de universiteitsstad Nsukka. Haar vader was daar professor in de statistiek aan de Universiteit van Nigeria, waar ook haar moeder werkte.
Als kind las Adichie verhalen van Britse en Amerikaanse schrijvers. Toen ze 7 jaar was, begon ze zelf te schrijven. “Al mijn personages waren blank en hadden blauwe ogen”, zegt ze later over die verhalen. “Ze speelden in de sneeuw en aten appels. En ze spraken veel over het weer en hoe heerlijk het was dat de zon zich een keer liet zien.”
Het is voor haar een voorbeeld hoe beïnvloedbaar en kwetsbaar mensen zijn wanneer ze worden blootgesteld aan slechts een verhaal. Op haar 19de vertrok Adichie naar de Verenigde Staten. Haar tweede roman Half of a Yellow Sun, uit 2006, die speelt rond de Biafra-oorlog in de jaren zestig, werd een bestseller in de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en ook in Nigeria. In Amerikaanse en Britse kranten verschenen lovende kritieken.
Dit jaar verscheen de korteverhalenbundel The Thing Around Your Neck, vertaald als Het ding om je hals. Volkskrant-redacteur Wim Bossema schreef daarover: “Het overheersende thema is het leven tussen twee werelden, tussen Nigeria en de Verenigde Staten. Het ding om je hals is de beklemming van een jonge Nigeriaanse die in de Verenigde Staten, het land van grote auto’s en leven in villa’s, eenzaamheid en armoede vindt. ’s Nachts grijpt de ontheemding haar naar de keel en verstikt haar bijna voor ze in slaap valt.”

In juli 2009 hield zij een lezing onder dit titel “Het gevaar van één enkel verhaal”. Haar lezing is terug te vinden via de volgende link:

http://www.hartenziel.nl/artikel/Het_gevaar_van_een_enkel_verhaal

Koning Winter

Het is een bijzonder hartverwarmend gevoel als je bemerkt dat je eigen kinderen je passie voor tweede taal – wat immers het voertuig voor levensbeschouwelijk denken en spreken is – hebben overgenomen. Vandaar deze korte advertorialbijdrage.

Eva schreef een wintersprookje voor Slot Loevestein, ‘Koning Winter’ het verhaal van de jongen Konstantin, die niet weet wat bang zijn is en in het kasteel van Koning Winter op zoek gaat naar de sleutels die nodig zijn om het kistje met het hart van Koning Winter te vinden en daarmee de mooie Katja die Koning Winter afwees waarna deze de wereld vervloekt heeft met zijn eindeloze ijzigheid. Het kistje wordt bewaakt door de snerpende sneeuwuil, de pijnigende poolbeer en de ijzingwekkende ijsheks, die de moeder heet te zijn van Koning Winter. Zij heeft bij zijn geboorte zijn hart weggenomen zodat niemand hem ooit zou kunnen raken en pijn doen. Zij wilde haar kindje beschermen, maar heeft nu een zoon die van niemand, ook niet van zijn moeder houdt..

Het verhaal van Koning Winter wordt in de kerstvakantie vier maal opgevoerd in Slot Loevestein: op 27 en 28 december 2011 en 5 en 6 januari 2012. In groepen van maximaal 30 mensen maak je een tocht over het Loevesteinterrein en dwaal je binnen het slot zelf om het verhaal van Koning Winter te zien spelen door een grote groep amateurspelers die er zichtbaar lol in hebben. Vooral kinderen in de basisschoollleeftijd zullen zich graag laten meeslepen door het verhaal binnen een echte kasteelsetting. Meer informatie op http://www.slotloevestein.nl en vervolgens de link naar Winterfeest.

In samenwerking met Slot Loevestein is van het verhaal een (voor)leesboekje gemaakt. Broer Jan Willem leverde de passende tekeningen bij het verhaal, wat resulteerde in een aantrekkelijk lees- en kijkavontuur voor kinderen. Het boek is mee te nemen voor € 6,50 en toegezonden voor € 8,50. Op de pagina van het Koning Winterprogramma vind je de bestelmogelijkheden. Wie eerst wil zien wat hij te verwachten heeft, kan een flashbestand doorkijken, zoals ook mogelijk is met onze eigen levensbeschouwelijke projecten. De link voor het boek is tijdelijk http://flipflashpages.uniflip.com/3/58232/121437/pub/index.html

De originele Wallstreet Occupy Protester

Via facebook kwam de volgende poster onder mijn ogen. Leuk gevonden, maar mijns inziens is de reiniging van de tempel vooral bedoeld om aan te geven waar de plaats eigenlijk voor bedoeld is, terwijl Wallstreet vanaf het begin bedoeld was om geld te verdienen. De vergelijking loopt dus enigszins mank; het zou een mooie proefwerkvraag kunnen zijn om naar de mankheid te vragen.

tempelreiniging

Wie ben ik boek

Ik! Wie is dat?

Uit de achterflap: “In het boek “Ik! Wie is dat?’ word je aangespoord om na te denken over wie je bent en wat jij nu juist jou maakt. We willen allemaal iemand zijn of iemand worden. Maar wie en waarom? Ben je wel wie je wilt zijn of speel je een rol?……”
Het boek is speciaal voor jongeren vanaf tien geschreven door professoren van de Kinderuniversiteit van Tilburg.
ISBN: 978 90 487 0653 2 Prijs 14,95
www.dekinderuniversiteit.nl
www.zwijsen.nl

Deze tekst is ook als pdf te downloaden: IK!_Wie_is_dat.pdf

Mijn oordeel
Een fijn boek om aan puberende zoon of neef danwel dochter of nichtje te geven.
Een boek dat een aantal themata aanroert, waarvan de docent levensbeschouwing zich duidelijk af moet vragen of ze in zijn curriculum aanwezig zijn.
Een boek dat duidelijk maakt dat levensbeschouwing uiteindelijk het schrijven van je eigen levensverhaal is.
Een boek dat duidelijk maakt dat het levensbeschouwelijk dagboek een integrerend bestanddeel van een levensbeschouwelijk portfolio dient te zijn.
Een boek dat ook laat zien dat voor levensbeschouwing een groot aantal Bezugswissenschaften aanwezig dienen te zijn om leerlingen verantwoord in te leiden in de wereld van hun eigen levensbeschouwelijke ontwikkeling.

Wie meer over de inhoud wil weten, kan hieronder een samenvatting van de verschillende hoofdstukken vinden.

Ik ben wie ik ben en wie ik wil zijn [Wie ben ik?]
Het antwoord op de vraag ‘wie ben ik?’ is afhankelijk van de plaats, tijd en persoon die de vraag stelt. De psychologen Kuhn en Portland vroegen mensen in 20 verschillende situaties antwoord op de vraag te geven. Als je kijkt naar de punten die op alle lijstjes staan, kom je toch tot een soort kern van jezelf, volgens hen.
Wie ik kan zeggen, heeft zelfbewustzijn ontwikkeld: een kind van twee noemt zichzelf bij de voornaam, zal het niet over ik hebben; een kind van vier al veel meer.
Waar dat zelfbewustzijn zit, is niet precies aan te geven; het blijkt in ieder geval niet op één plaats te zitten.
Je ben ik, van top tot teen. Als je een teen verliest, ben je dan nog jij? De meeste mensen zeggen ja, maar als je een beroemde toptennisser bent en door het verlies van die teen geen bal meer raak slaat, verandert dan je ik?
We leven in een tijd, waarin niet meer anderen zoals ouders en omgeving bepalen wat jij doet en gaat worden en denken, maar we leven in een iktijdperk. Wie je bent, je identiteit, bepaal je steeds meer zelf. Je identiteit is een optelsom van wat je gegeven is, wat je overkomt en wat je er zelf van maakt.
We hebben verschillende ikken in ons leven, met andere woorden, we spelen verschillende rollen, afhankelijk van de positie die we telkens innemen. Tegelijk kijken we niet naar anderen als mensen die rollen spelen: “Alles wat iemand doet en zegt, schrijven we toe aan die persoon.”

Je bent nooit alleen op de wereld [Ik, jij en wij]
Al in de oertijd leefden mensen in groepen. Dat was nodig om samen te jagen en samen te vechten tegen gevaarlijke gebeurtenissen of dieren of mensen.
Lid zijn van een groep bepaalt een deel van je identiteit. Je vertelt dat je dit bent, maar tegelijk ook, dat je dat niet bent.
Bij groepsgevoel hoort ook een ‘wij tegen zij’ gevoel. Je vindt dat de mensen in jouw groep slimmer, eerlijker en mooier zijn dan de mensen in een andere groep. Dat betekent dat jij dus ook mooier, slimmer etc, bent, want jij behoort tot die groep. Op die manier krik je je gevoel van eigenwaarde op.
We komen er dan ook sneller toe om de negatieve dingen aan HEN toe te schrijven, want WIJ doen zulke dingen niet.
We willen ook graag erbij horen, we zijn niet graag buitenbeentje. Mensen gaan heel ver om niet van de groep af te wijken. Het experiment van Asch laat zien dat mensen geneigd zijn de meerderheid van de groep te volgen, ook al is het zonneklaar dat het antwoord van die meerderheid fout is.
Wie zich niet wil aanpassen aan de groepsdruk, heeft het niet altijd gemakkelijk en moet over een positief zelfbeeld beschikken. Als je bereid bent, aan te geven dat je het er niet mee eens bent, is de kans groot, dat anderen ineens het met je eens durven te zijn. Opmerkelijk t.a.v. een positief zelfbeeld is, dat mooie mensen niet altijd gelukkiger of zelfverzekerder zijn dan minder mooie mensen. Hun probleem is dat ze vaak niet weten of ze gewaardeerd worden wegens hun mooie uiterlijk of om wat ze gepresteerd hebben. Daardoor twijfelen deze mensen vaak aan hun kunnen.
Ook in de verschillende groepen waartoe je behoort speel je altijd sociale rollen.

De oma van je oma, van je oma, van je oma [Ben ik een aap]
Honderdduizend oma’s geleden komen we uit bij een vrouw die twee miljoen jaar geleden leefde, een Australopithecus, een aapmens. Nog verder terug vinden we de mensaap-oma, die twee kinderen kreeg. De ene is stammoeder van de mens, de ander van de chimpansee, met wie we 99 procent van het DNA delen.
Dankzij de evolutie hebben de mensen zich kunnen aanpassen aan de veranderende omstandigheden, waardoor ze niet ten onder zijn gegaan, zoals andere diersoorten, die zich niet konden aanpassen.
Wat de mens is is een discussiepunt. Voorbeeld is het eten van vlees. Volgens de darwinisten is vlees eten natuurlijk, want de energie die uit vlees komt hebben we nodig gehad om onze grotere hersenen te ontwikkelen.
Daar staan de kantianen tegenover: mens is wie nee kan zeggen tegen zijn natuurlijke neigingen.
Darwin zegt we onszelf gerust een aap kunnen noemen. Kant zegt dat de mens een zelfbewust wezen is met een vrije wil, met verantwoordelijkheid. Dat heeft een dier niet. Als een hond een kind bijt, wordt niet de hond maar de eigenaar aansprakelijk en verantwoordelijk gesteld.

Stamppot of Allah [Wij en zij]
Twintig procent van de Nederlanders heeft buitenlandse wortels. Dat was honderd jaar geleden heel anders. Je woonde in een kleine gemeenschap, trouwde werkte en stierf in die gemeenschap en je kwam zelden buiten die gemeenschap. Dat is nu anders. En aan mensen die niet dezelfde achtergrond als zijzelf hadden moesten veel Nederlanders erg wennen. Anders zijn is een rare zaak, vonden ze. Hun vertrouwde beelden van Nederland en de Nederlander verdwenen en dat maakte hen onzeker en ze voelden zich onveilig.
We zullen nu moeten leren leven met de multiculturaliteit van de Nederlandse samenleving. Als mensen elkaar ontmoeten en elkaars gewoonten leren kennen en begrijpen, wordt de kloof al snel minder breed. Maar vaak wonen allochtonen en autochtonen in verschillende wijken en bezoeken verschillende scholen.
Hieraan gekoppeld is het gevoel van meer dan vijftig procent van de allochtonen dat ze weleens gediscrimineerd worden, vooral op hun werk. Onderzoek van de Universiteit van Tilburg bracht aan het licht, dat mensen het meest gediscrimineerd worden op de plaatsen waar bazen zeggen dat iedereen gelijk is. “Juist in die bedrijven gelooft niemand dat iemand anders (ongelijk) behandeld worden en kan er dus niet over gepraat worden.”

God en ik, ik en God [Waarin geloof je?]
God is een behoorlijk twistpunt tussen mensen. iedereen denkt dat hij gelijk heeft en dat heeft soms tot bloedige twisten geleid. Ook is waar dat mensen veel aan hun geloof hebben. Alle geloven hebben gemeenschappelijk dat ze lessen in het leven zijn. Geen enkele godsdienst is uit op vernietiging van de aarde.
Een kwart van de Nederlandse bevolking gelooft niet in God, en dat doen ze ook op verschillende manieren. Daarnaast hebben we ook nog een groot aantal ietsisten.
Opmerkelijk is dat in twee van de drie huizen een boeddhabeeld staat: een gezellige dikkerd oogt toch anders dan een lijdende Christus op een kruisbeeld.
Je geloof is mede van invloed op de manier waarop je tegen jezelf aankijkt.
Kijkend naar de rol van de mens in de ogen van hun God:
In de islam kiest de mens om dienaar van Allah te zijn.
In het christendom is de mens slecht, maar kan beter worden door het voorbeeld van Jezus.
In het boeddhisme hebben we geen ik; ik word steeds herboren in een nieuwe vorm omdat dat ik nog niet af is.
Een van de gevolgen van de moderne tijd, waarin de mensen steeds minder naar de kerk gaan, is dat de boodschap om een goed mens te proberen te zijn minder gehoord wordt. We zijn als het ware van God los. Letterlijk, dat iemand de regels van God niet meer naleeft. Figuurlijk, dat iemand zo op zijn eigen houtje bezig is dat het hem niet kan schelen of anderen er last van hebben.

Chips in je hoofd [Ik, versie 2.0]
De computer is momenteel al in staat de wereldkampioen schaken te verslaan. We gebruiken de computer, robots en andere zaken om ons leven te veraangenamen. Tegelijk worden we er ook door beïnvloed. Je speelt op internet met een avatar en iedereen denkt dat jij dat bent, omdat de anderen je nog nooit in het echt hebben gezien.
We maken van allerlei hulpmiddelen gebruik om onszelf beter te maken en te voelen. Studenten slikken Ritalin, niet omdat ze AGHD hebben, maar om een examen beter te kunnen maken.
We staan ambivalent tegenover de techniek. In boeken als Brave New World en 1984 staat de mens tegenover een zich ontwikkelde techniek die hem in zijn macht heeft. De mens moet vechten om weer vrij te worden.
We zien drie denkrichtingen als het gaat om het verbeteren van de mens met electronica.
De Kantianen zeggen: niet doen
De utilisten zijn van mening dat als het nuttig je het moet doen.
De autonomen vinden dat ieder mens zelf moet beslissen hoever hij daarin gaat.
Daarover moet de discussie gaan: in wat voor wereld wil ik wonen? Wie wil ik zijn?

Onbeschoft en asociaal [Steeds meer ‘ik’]
Veertig jaar geleden was de tijd van de verzuiling nagenoeg ten einde. Het tijdperk van de individualisering brak aan. Het individu werd belangrijk dan de groep waartoe hij behoorde.
Dat heeft zijn goede kanten. Daar is iedereen het over eens.
Sinds enkele jaren zien we ook dat er negatieve kanten aan zitten. Mensen denken dan vooral aan zichzelf. Het ‘ik’ is te belangrijk geworden. We hebben minder kinderen, zij krijgen veel meer aandacht dan die van vroeger.
We zijn rijker geworden, alles moet kunnen en mogen.
De opvoeding is veranderd. We zijn onbewust asociaal geworden.
De zingevingssystemen zijn niet meer actief zoals vroeger. Naastenliefde wordt vervangen door de 15 minuten roem op de televisie.
We willen respect en als we het niet denken te krijgen, worden we gefrustreerd.
Frustratie leidt vaak tot agressie, zinloos geweld [ sinds 1997]. We leven in een agressievere samenleving dan vroeger.

Hoe je een talent wordt [Je wordt wat je doet]
Wie schade oploopt in zijn hersenen, kan als het ware een ander worden. De hersenwetenschappers zeggen dat je ik bepaald wordt door je aanleg, je omgeving en je eigen invloed. Onderzoek heeft aangetoond dat mensen die aanleg hebben, 10.000 uur nodig hebben om dat talent ook volledig uit te buiten: Mozart, Beatles, Bill Gates hebben allemaal die tijd doorgebracht alvorens ze tot uitzonderlijke bloei kwamen.
Door bepaalde dingen te oefenen, veranderen je hersenen. Wie verlegen is en zich erop toelegt om stoerder te worden en te doen, ziet een verandering in de hersenen.
Door nieuwe dingen te doen en te oefenen maken je hersenen nieuwe netwerken aan die die taak ter hand kunnen nemen.
Je hersenen kunnen niet alleen nieuwe dingen positief leren, maar ook negatieve gewoontes vormen een hersennetwerk. Duidelijk is wel dat wat je niet doet, zul je ook niet ontwikkelen.
Belangrijk: hoe meer nieuwe dingen je doet, hoe meer je hersenen worden uitgedaagd.

Een onderbroek van Björn Borg voelt anders [Je ben wat je hebt]
Ons zelfbeeld schijnt samen te hangen met wat we bezitten. Evolutiebiologen zeggen dat het te maken heeft met onze drang om te overleven.
Topbestuurders kijken niet naar wat ze verdienen, maar vergelijken hun salaris met anderen die meer verdienen. Jaloezie is de drijfveer.
Dingen die we kopen helpen ons om een beeld van onszelf te scheppen: ons imago.
Dat imago krijgt een extra impuls als we dingen hebben die anderen niet hebben.
Het geeft zelfvertrouwen èn het laat ons bij een groep horen.
Je uiterlijk bepaalt voor een deel hoe je omgeving op je reageert. Ga collecteren voor een goed doel in dure merkkleren en je haalt meer op.
Dure spullen kopen die we eigenlijk niet nodig hebben, heeft te maken met het snobeffect.
Er is ook sprake van het countersnobeffect: ik heb geen dingen nodig om iemand te zijn.
Je ziet de gevolgen van het imago-opkrikken in het toenemen van schulden bij mensen die luxe schulden hebben: een goed inkomen, maar veel te veel uitgaven aan luxe artikelen.
Op iemand die veel heeft kunnen mensen reageren met afgunstig zijn of benijden.
Wie hard voor een Iphone heeft gewerkt, werd benijd, maar men gunde hem het ding. Wie vertelt dat hij die van zijn vader heeft gekregen, kreeg afgunstige reacties en men gunde hem het ding niet!

Op avontuur met wonderlijke vragen [Waarom ik?]
Als over allerlei dingen die normaal lijken te zijn diepere vragen gaat stellen, word je een Alice en leef je in Wonderland.
Vragen die dieper gaan noemen we levensvragen, het zijn vragen die vaak een leven lang meegaan. We weten een heleboel over het hoe van de dingen, maar niet van het waarom.
“Door al die levenservaringen groeit je kijk op het leven. Je rijgt net zo lang je favorieten aan elkaar totdat er een glinsterend juweel overblijft: een halssnoer of stoere armband vol met kleine waarheden die samen een prachtig juweel zijn. OM dit sieraad met trots te dragen, moet het helemaal JIJ zijn.” [100]

De geheimzinnige dood [Het einde van ik]
Het ik houdt op bij de dood. Mensen proberen wel een antwoord te geven op wat erna komt.
In schema gezet zijn er twee uitersten: een van weten en een van geloven. Natuurwetenschappers meten; bijna dood ervaringen stellen vragen bij dit meten. Maar je moet zelf bepalen of die BDE’s ook werkelijk een kijkje achter het gordijn van de dood zijn.
Tussen weten en geloven is ook niet weten, zich laten verrassen, een knutselantwoord.
Wie iemand verliest, gaat een rouwperiode in, die ieder op een eigen manier meemaakt. rouwen blijkt het snelst te gaan als je de rottige gevoelens er gewoon laat zijn.
Ervaringen met de dood maken soms van mensen andere mensen. Ze leren dat leven niet draait om geld en succes, maar om liefde en samenzijn.
“Wanneer de dood plots dichtbij komt, beginnen veel volwassenen dus pas aan het echte leven. eigenlijk is dat doodzonde. Want draai het eens om. Heb je er ooit aan gedacht dat het niet voor niets is dat er een soort gordijn aan het einde van het leven hangt waar we niet achter kunnen kijken? Misschien is de zin van het leven: leven. Je bent niet geboren om dood te gaan, maar om te leven. Een mens heeft niet eeuwig de tijd. Maar weinig tijd maakt het leven gewild en kostbaar. Niet de dood is bijzonder, het leven is bijzonder.” [110]