Categoriearchief: jongeren

Ik houd van deadlines

Het lijkt wel of wij mensen geboren worden met een ingebouwde neiging tot uitstelgedrag. Hoe vaak hoor ik niet in de loop van december mensen zeggen: op 1 januari stop ik met roken, ga ik afvallen, minder geld uitgeven, terwijl het enig juiste moment om met een verkeerde gewoonte te stoppen nù is, geen minuut later.
Mijn stelling is dat daarom ook de dood in ons systeem ingebouwd is: als we niet dood zouden gaan, zou er bijzonder weinig uit onze handen komen. Als ik bij een gedachtenexperiment in de bovenbouw vraag, wat zou je doen als je duizend jaar zou worden, is er altijd een stevige minderheid die grapt: “dan zou ik 200 jaar over de middelbare school doen!”.
Het is ook om die reden dat ik van deadlines houd, zelfs en zeker voor mijzelf. Zonder de deadline van deze Keten zou dit stukje misschien nooit geschreven zijn. Ik weet van mezelf dat ik een deadlinewerker ben en daar ben ik niet trots op. Het heeft mijzelf en anderen best weleens in de problemen gebracht. Vandaar dat ik nu op latere leeftijd er alles aan doe om toch enig respijt in te bouwen.

Voor leerlingen lijken deadlines meer op bewuste pogingen van docenten om hen het leven zo zuur mogelijk te maken. Helaas voor hen heb ik daar een andere mening over. Deadlines op de middelbare school zijn uitstekende leermomenten om rampen in het latere leven te voorkomen. Er zijn nu eenmaal altijd grenzen, die anderen mij stellen en waar ik niet ongestraft overheen kan gaan. Een leerling was boos op me, omdat hij een opdracht 16 minuten te laat had ingeleverd en daarvoor twee punten aftrek kreeg. Het was maaaar 16 minuten, etc. “Zo raak ik mijn compensatiepunt voor levensbeschouwing kwijt, meneer!” met een gezicht alsof ik verantwoordelijk zou zijn voor zijn punten. Hoe flauw het ook mag zijn, ik ben niet op mijn beslissing teruggekomen. Ik heb geen zin om de problemen die mensen zelf creëren voor hen op te lossen. Wie op een middelbare school is geraakt, kan rekenen, gemiddeldes berekenen en in zijn agenda schrijven wanneer een opdracht moet zijn ingeleverd. Wie blindelings vertrouwt op de virtuele wereld van internet en vervolgens geen toegang tot Itslearning kan krijgen, leert dan misschien enige ruimte in te bouwen om risico’s voor te zijn. Deze leerlingen kunnen dan grotere problemen later voorkomen door serieus op dit soort grenzen te letten. Als ik mijn belastingaangifte te laat inlever, krijg ik een boete. Wordt er achter mijn tuin een reeks huizen gebouwd, waar ik niet van gecharmeerd ben en waarvoor ik schadeloos gesteld wil worden, dan moet ik de wettelijke termijn om bezwaar te maken in acht nemen, anders kan het me duizenden euro’s kosten. Als je straks in een bedrijf wilt werken en je sollicitatieformulier komt na de datum, die in de advertentie staat, dan heb je het nakijken. En als je in dat bedrijf werkt en je moet tijdig een offerte uitbrengen, kun je naar de opdracht fluiten als je na de gestelde tijd alsnog met een leuke aanbieding komt.
Mijn 16-minuten-te-laatleerling lijkt op die leerling die naar zijn pta-cijfers kijkt en dan ontdekt, dat zhij een 5,4 gemiddeld staat. “Meneer, als u die opdracht wat hoger waardeert, wordt het gemiddelde een 5,45, dat wordt 5,5 en dan krijg ik een 6.” Hoewel ik het 5,45-verhaal volstrekt maf vind – maar ja, het is verordonneerd door de wetgever – gaat het tegen mijn principes in om alweer iemand anders problemen, die hij zelf had kunnen voorkomen op te lossen.
Wie zo graag de grenzen opzoekt, moet ook de risico’s ervan aanvaarden en niet die op een ander afschuiven!

Studeren is ook werken

Soms moet ik in een Bredase winkel zijn en word dan tot mijn verbazing geholpen door leerlingen van het Newmancollege, die een bijbaantje hebben. Ze werken gedisciplineerd, zijn attent en zorgen ervoor dat je tevreden de zaak verlaat.  Op school zijn ze anders: ze zijn tevreden met een zesje en omdat ze alles met de zakjapanner uitrekenen, komen ze daar ineens een eind onder. Ze leveren hun zaakjes te laat en slecht uitgewerkt in en ik verbaas me dan ook over de tegenstelling tussen de houding binnen en buiten onze school.
Mijn redenering in deze: in de echte wereld worden ze afgerekend in harde euro’s en op school in zachte cijfers.  De bijbaan is werk en de studie is een vorm van vrijblijvend vrijwilligerswerk. Op de een of andere manier zien leerlingen school niet als een onderdeel van de echte wereld. Voor hen is het een schijnwereld die compleet verschilt van de wereld daarbuiten.
Ouders, docenten en andere delen van de samenleving klagen steen en been over de inzet, prestaties, luiheid, ongeïnteresseerdheid en ga zo maar door van een deel van de schoolgaande jeugd.  Een heleboel maatregelen om daar iets aan te doen zijn al voorgesteld en sommige uitgeprobeerd. Maar volgens mij is de enige oplossing die hout snijdt een maatregel, die studeren op dezelfde manier behandelt als het werken in de echte wereld.
Onze minister van onderwijs dient leerlingen te zien en te behandelen als werknemers, die voor hun inspanningen betaald worden.  Te beginnen in de brugklas krijgen de leerlingen een maandelijkse vergoeding die hoger wordt naarmate de leerling ouder wordt.  Over de hoogte heb ik het even niet, maar ik begrijp wel dat de overheid voor 940.000 middelbare scholieren enkele miljarden zal moeten uittrekken.?Binnen het bestek van deze ene pagina wil ik niet ingaan op de eventuele nadelen van mijn voorstel, maar ik wil een aantal voordelen ervan wel schetsen:?• De leerling weet nu dat studeren een vorm van beloond werken is en ziet elke maand wat de samenleving ervoor overheeft.?• Zhij hoeft tijdens de middelbare school geen bijbaan meer te zoeken. De vrijgekomen tijd kan tussen vrije tijd en studeren voor de school verdeeld worden.?• Omdat elke leerling maandelijks een salarisstrookje krijgt, is het voor diverse vakken zeer motiverend om met die cijfers aan het werk te gaan en leerlingen voor te bereiden op een leven, waarin zhij moet nadenken over de wijze van besteden van je gelden.?• Wie beloond wordt voor zijn werk, moet ook laten zien dat zhij dat waard is. Wanprestatie en luiheid worden financieel afgestraft. De meeste leerlingen die ik de afgelopen jaren heb zien doubleren deden dat niet omdat ze dom waren, maar omdat ze een ruggengraat van niks hebben.  Wie bij AH als vakkenvuller de kantjes er van af loopt, krijgt snel de rekening gepresenteerd. En dat gebeurt op school ook.?• Met de negatieve leerling zijn we gemiddeld veel meer tijd kwijt dan met de positieve hardwerkende leerling.  Als een leerling door eigen schuld de school veel extra tijd kost, kan hem de financiële rekening gepresenteerd worden: zhij heeft immers een inkomen, gebaseerd op een positieve en actieve instelling.  Wie dat niet laat zien, ziet de gevolgen in zijn portemonnee.  Het onverwacht gevolg hiervan is dat de school dankzij de onvrijwillige bijdragen van deze leerlingen extra inkomsten krijgt om voor de overige leerlingen leuke dingen te doen.
Met andere woorden: wie de inspanningen van onze jongeren op school bloedserieus neemt ofwel vertaalt in een financiële beloning, zal binnen enkele jaren een hardwerkende,  gemotiveerde en goed presterende schoolbevolking hebben.?Nu nog een minister die het een kans wil geven! Ik weet zeker dat de leerlingen van het Newmancollege graag voor proefschool willen spelen.
(Gepubliceerd in ‘De wereld volgens C13’ in schoolkrant De Keten, november 2008

Vrienden zonder grenzen 2

In Lia 171 vroeg ik collegae wie er hoe gewerkt heeft met de serie ‘Vrienden zonder grenzen’. Er waren twee belangwekkende reacties, die collegae een indruk kunnen geven van de bruikbaarheid van de afleveringen.

Paul Goossens, docent aan het VHL Rijnsburg schreef: “Wat “Vrienden zonder grenzen” betreft, ik heb alleen ervaring met de eerste serie (Fatma en Kees). De leerlingen van het VMBO (klas 2 en 3) waar ik die serie gebruikte, waren dolenthousiast over de eigentijdse filmpjes en konden goed discussiëren over de achterliggende vooroordelen. Voor de HAVO heb ik wat twijfels gezien het taalgebruik. Ik heb de filmpjes bij de HAVO-klassen gebruikt, maar kreeg daar veel meer de reactie van “Wow, dat is heavy”. Ze vonden de filmpjes daar dus niet minder boeiend, maar zijn dit taalgebruik toch minder gewend, lijkt het. Maar het is maar net op wat voor school en omgeving je lesgeeft. Zelf geef ik geen les in een verstedelijkt gebied, daar zal het materiaal ook meer algemeen bruikbaar zijn dan in een meer dorpse ons-kent-ons omgeving. Ook in een wat strenger christelijke omgeving (waar ik nu werk) zou ik goed van te voren afwegen of het passend is.”

Hannie Hoefnagels reageerde met: “Rond het jaar 2005 hebben wij serie 1 van Vrienden zonder Grenzen gebruikt. Zowel in vmbo2, als havo en vwo 3 als vwo4. In alle lagen sloeg de film heel goed aan. Waarmee je vraag of de serie specifiek voor vmbo is, al meteen is beantwoord. Nee, in alle jaarlagen konden leerlingen zich in de problematiek herkennen en zich ook met een personage identificeren, wat een belangrijke kracht van deze serie is.
We gebruiken de serie nu eigenlijk niet meer omdat we andere digitale middelen hebben, havo 3 en vwo 4 geen lb. meer hebben, we een nieuwe methode hebben en er ook nog ander mooi materiaal is.”

Over de streep

Van de weblog va Wilfred Rubens haalde ik de volgende kritische vragen:
“Onlangs heeft de KRO de eerste aflevering uitgezonden van ‘Over de Streep’. Dit programma gaat over Challenge Day. Dit is een bijzondere methode (oorspronkelijk afkomstig uit de VS), die onder meer wordt gebruikt om pesten op scholen tegen te gaan en wederzijds respect te stimuleren. De methode kent verschillende werkvormen, waarmee leerlingen worden uitgedaagd “om verborgen gevoelens naar elkaar uit te spreken”. Het achterliggende idee is dat, als je elkaar beter kent, je meer respect voor elkaar krijgt.
Wellicht het meest confronterende onderdeel is de werkvorm waarbij een begeleider een vraag stelt aan de groep leerlingen (maximaal 100), en zij moeten antwoorden door over een streep te stappen. Bijvoorbeeld: stap over de streep als je ooit op deze school gepest bent?
Verleden jaar heeft de KRO al een documentaire over deze methode uitgezonden. De Challenge Day werd toen bij het IJburgcollege in Amsterdam toegepast.
Op de website van Challenge Day vind je meer informatie over de formule (opmerken-kiezen-doen), de voorbereiding en inbedding in het onderwijs. Zo is er veel aandacht voor nazorg, en is er op elke vier leerlingen één volwassen begeleider. Ook lees je hier positieve (Amerikaanse) testimonials. Edvard Houtkoop is deelschoolleider bij het IJburg College en tweette mij vanochtend, hoe hij terugkijkt op de Challenge Day:
Positief, ook de tweede keer afgelopen voorjaar. Waardevolle dag ook voor jezelf. Moet wel passen binnen rest leerlingbegeleiding.
Ik vind het een boeiende aanpak. O.a. omdat het zo veel los maakt. Zie bijvoorbeeld de bedenkingen van hoogleraar Bob van der Meer. Ik zie de mogelijke kracht van deze methode, maar heb nog de volgende vragen:
• Creëer je daadwerkelijk een veilige omgeving, ook als je de Challenge Day opneemt en uitzendt?
• Er is sprake van redelijk veel fysiek contact (knuffels, arm om de schouder). Hoe werkt dat bij leerlingen uit culturen waar terughoudend wordt omgegaan met lichamelijk contact?
• Wat is de impact van de uitzendingen voor de digitale identiteit van jongeren, ook op langere termijn? De uitzendingen staan immers online.
• Ik heb de indruk dat jongeren vooraf niet wisten wat hun te wachten stonden. Is dat ethisch, met name gezien het feit dat opnames worden gemaakt van de Challenge Day?
• Hoe waarborg je een goede inbedding binnen het onderwijs? Doe je dat niet dan kun je volgens mij juist onveiligheid creëren. Scholen zijn vaak goed in het organiseren van gebeurtenissen, maar minder goed in het organiseren van processen (denk ook aan professionalisering van docenten).
• Kun je inderdaad in één dag een collectief creëren?
• Werkt deze methode niet juist groepsdruk in de hand, waardoor leerlingen dingen over zichzelf vertellen die zij eigenlijk niet willen vertellen?
• Welke persoonlijke informatie is relevant (van invloed op jouw functioneren binnen een groep) om te vertellen? Als docent en collega-leerling hoef je niet alles te weten van een leerling. Bepaalde informatie kan zelfs ‘afleidend’ werken of verkeerd geïnterpreteerd worden. Zijn leerlingen zelf in staat om te bepalen welke informatie relevant is?
• In welke mate hebben leerlingen invloed op de montage van de documentaire? Kunnen leerlingen aangeven dat zij bepaalde uitspraken en fragmenten niet terug willen laten komen in de uitzending? Hebben zij bedenktijd?”
http://wilfredrubens.typepad.com/wilfred_rubens_weblog/2011/08/vragen-bij-over-de-streep-.html

http://www.dayofchange.nl/videos

Kansloos, de tweede keer

In de laatste LIA voor de schoolvakantie maakte ik melding van de nieuwe kerst/schoolmusical, die Eva Mathijssen en Arto Boyadjian geproduceerd hebben. De tekst heb ik gelezen, de liedjes beluisterd, en ik kan zeggen dat het een product is geworden, waar veel jongeren met plezier aan zullen werken.
Een aantal scholen is intussen al ermee begonnen om tegen de kerstvakantie een eigen uitvoering van de musical te geven.
De verschillende jongeren komen goed uit de verf, zijn heel verschillend in hun karakters. Het verhaal: een groepje hangjongeren – van het gezellige soort – komt huns ondanks in conflict met ‘gewone’ jongens en die laten het er uit zien alsof zij de slachtoffers zijn. De wijkagent en de maatschappelijk werkster willen dat de jongeren een soort van taakstraf krijgen en ze moeten meewerken aan een kerstevenement voor daklozen. Als ze dan bij ‘gewone’ mensen om hulp gaan vragen in de vorm van eetbare zaken e.d. krijgen ze de kous op de kop, want het etiket van hangjongere dan wel dakloze doet mensen vreemd reageren.
Ze slagen er toch in iets te organiseren, ware het niet dat er -bijna letterlijk – roet in het eten wordt gegooid.
Wie geïnteresseerd is, kan meer informatie vinden op http://www.deschoolmusical.nl . Er is een tekstboek met aanwijzingen, een cd met voorgezongen muziek en alleen de muziek, niet minder dan 11 lekkere liedjes, een lesopzet voor wie met de problematiek van daklozen en vooroordelen aan de slag wil gaan. Er is een vmbo en een havo-vwo-versie. Er is de mogelijkheid om een workshop met tips en activiteiten te volgen, al dan niet op school.
Mocht je school nog steeds een saaie kerstafronding hebben, maak dan beslissers en enthousiastelingen attent op dit materiaal. De reacties van wie een van de vorige twee musicals heeft gekozen en laten spelen, waren zonder meer positief.

Nieuwe kerstmusical

Zo schrijf je twee enthousiast ontvangen kerstmusicals voor de NCRV en zo besluit de NCRV hun koers te wijzigen en ineens – na 19 jaar – te stoppen met die traditie. Nog niet bijgekomen van het bericht kregen Arto Boyadjian (componist) en Eva K. Mathijssen (schrijfster) mailtjes van scholen die onderdeel van de kerstmusical-traditie waren “of zij niet nog iets op de plank hadden liggen?” “Euh nee,” moest tot hun spijt hun antwoord zijn. En die spijt ging knagen… Arto en Eva hadden met zo veel plezier aan Rauw op je dak (2008) en Bende (2009) gewerkt, ze hadden in die korte tijd zoveel geleerd over wat middelbare scholieren kunnen en willen en wat hen bezig houdt, dat het zonde zou zijn om werkloos toe te zien hoe iets wat een geweldige ervaring voor middelbare scholen is gewoon ophoudt.

Gevoed door de reacties die ze kregen hebben ze besloten om de traditie gewoon zelf voort te zetten. Elk jaar schrijven ze een nieuwe schoolmusical, te beginnen met de schoolmusical Kansloos. Die -heel in het kort- gaat over een groep rondhangjongeren die hun tijd verdrijven met graffiti, en die als ze in de kraag gevat worden van de agent de keus krijgen: strafblad of ‘vrijwilligerswerk’. Hoe kansloos ze het ook vinden ze kiezen voor het laatste. De maatschappelijk werkster stuurt ze naar een daklozencentrum, om ze te confronteren dat hun leven helemaal niet zo kansloos is.

Elke schoolmusical kan opgevoerd worden rond kerst, maar ook op elk ander moment in het jaar (dan passen ze hem aan). En die musical komt in een compleet pakket, met het script, de muziek (op cd en op bladmuziek), tips en adviezen, een creatieve lesbrief om nog meer mensen op uw school bij de productie te kunnen betrekken en een lesbrief waardoor de thema’s van desbetreffende schoolmusical ook in klasverband besproken en uitgediept kunnen worden.

Nieuwsgierig? Bezoek dan www.deschoolmusical.nl

Twijfel aan mezelf

In de levensbeschouwelijke dagboeken die onze leerlingen vier keer per jaar inleveren, laten ze vaak hun worsteling met het leven zien. Voordeel is dat ze schriftelijk uiting geven aan wat hen bezighoudt en dat vergroot ongemerkt hun zelfinzicht. Astrid schreef de volgende tekst:

“Om verstandige keuzes in het leven te maken is veel zelfkennis nodig. Dit is echter niet eenvoudig omdat mensen vaak over weinig zelfkennis beschikken. We hebben de afgelopen eeuwen veel ontwikkelingen doorgemaakt. Met de kennis die we hiermee hebben opgedaan kunnen we ongelofelijke dingen. Echter, op psychologisch gebied zijn we maar heel weinig vooruit gegaan. Veel mensen lijden onder bijvoorbeeld jaloezie, depressies, wraakzucht, stress en angsten. Hoe is het mogelijk dat we zo veel kennis hebben maar toch slecht leven?

Van kleins af stapelen we een heleboel kennis op die we in het dagelijks leven toe kunnen passen. Wat helaas ontbreekt, is de kennis van onszelf. Waarom maakt zelfkennis geen deel uit van de kennis die wij op jonge leeftijd meekrijgen? Waarom bestaat er niet zoiets als een studie zelfkennis? Zelfkennis is erg belangrijk en kan het leven een stuk aangenamer maken. Zelfkennis helpt om jaloezie, wraak, depressies en angsten te begrijpen. Is dat dan helemaal niet belangrijk?

En hoe kan worden verwacht dat mensen normaal met elkaar om kunnen gaan wanneer ze zich zelf niet goed kennen? Wanneer iemand over genoeg zelfkennis beschikt, heeft dit een positieve bijdrage aan de relatie met anderen. Mensen zullen hierdoor makkelijker met elkaar om kunnen gaan en relaties zullen dus soepeler lopen.

Heeft het beschikken over veel zelfkennis alleen positieve kanten? Ik denk dat zelfkennis mensen ook tegen kan werken. Mensen kunnen zich laten belemmeren door het feit dat wordt gedacht dat zij zichzelf goed kennen. Er wordt wel eens gezegd: ‘Ik ben nu eenmaal zo’. Hierdoor zijn deze mensen minder geneigd om nieuwe kanten van zichzelf te laten zien en te ontdekken. Dus zou het dan misschien juist beter zijn om het streven naar zelfkennis los te laten?

Het lijkt allemaal erg ingewikkeld want zelfkennis is niet iets wat van de een op de andere dag uit de lucht komt vallen. Zelfkennis is iets wat je in de loop van de jaren van jezelf meekrijgt, maar hoe moet je met zelfkennis om gaan? Iedereen heeft positieve en negatieve eigenschappen en het is juist de kunst om deze in balans te houden. Toch is dit erg lastig want je kunt de balans tussen de positieve en negatieve eigenschappen niet altijd zelf in de hand houden. De omgeving bepaalt voor een gedeelte ook hoe je bent, of in ieder geval hoe je jezelf aan de buitenwereld laat zien. Er wordt vaak wel gezegd dat je wijs wordt van het vallen en opstaan dat je gedurende het opgroeien zult doen, en dit is natuurlijk erg logisch want iedereen maakt fouten en verkeerde keuzes maar die zijn er voor om van te leren. Hebben de gebeurtenissen die zich in het verleden hebben afgespeeld effect op de manier hoe mensen over zichzelf denken? Ik denk dat er een heleboel factoren spelen die invloed hebben op je zelfkennis. Zelfkennis wordt namelijk ook bepaald door de waardering die we voor onszelf hebben.

Als je hierover nadenkt dan is iedereen erg kwetsbaar. Als je je afvraagt wie je werkelijk bent door kritisch naar jezelf te kijken, dan kunnen weinig mensen daar een duidelijk antwoord op geven. Maar als je de gevoelens van jezelf niet kunt begrijpen, hoe is het dan mogelijk om een relatie met anderen op te bouwen? Hoe kunnen mensen dan goed met elkaar omgaan? Mensen kijken vaak niet meer naar gevoelens om zelfkennis op te doen maar naar het gedrag. Het is vrij voorspelbaar dat wij het ons daardoor zelf soms erg moeilijk maken doordat ons gedrag zo beïnvloedbaar is door onze omgeving.
Ook gaan we ons vergelijken met andere personen waarvan we denken dat ze op ons lijken. Echter, geeft dit niet een heel erg oppervlakkig beeld van onszelf?

Zoals ik al eerder zei, een ander belangrijk punt dat onze zelfkennis bepaalt, is de waardering die we voor onszelf hebben. Doordat we ons gaan vergelijken met anderen kan dit dus verkeerd uitpakken. Wanneer wij ons bijvoorbeeld gaan vergelijken met een ander persoon die beter is, dan gaan wij aandacht schenken aan en daardoor vooral de nadruk leggen op de dingen waarin we minder goed zijn. Hierdoor ontstaat een negatief zelfbeeld wat weer gevolgen heeft op de manier waarop wij over dingen denken en hoe wij met onszelf om gaan.

Het is dus niet alleen lastig om jezelf goed te leren kennen, maar het is ook lastig om om te gaan met de positieve en negatieve dingen van jezelf. Jezelf leren kennen is natuurlijk een persoonlijk onderwerp, maar is het misschien niet beter dat hier meer aandacht aan wordt geschonken? Als ik kijk naar mezelf dan durf ik te zeggen dat ik niet zoveel zelfkennis heb. Natuurlijk kan ik wel wat eigenschappen van mezelf opnoemen maar ik kan er vaak niet goed mee omgaan. Voor mij is het leven op dit moment een groot toneelstuk waarin ik anderen voor de gek houd, en alleen maar omdat ik niet mezelf durf te zijn. Het nadeel hiervan is vooral dat ik op dit moment niet meer weet wie ik wel ben. Ik wil niet dat mensen me goed leren kennen en daardoor mijn zwakke plekken zullen weten, want dat is de enige manier waarop mensen mij kunnen kwetsen. Ik weet ook dat ik eigenlijk nooit zo ben geweest, maar het is mij ook niet makkelijk gemaakt en daardoor ben ik erg aan mezelf gaan twijfelen.”

Holocaustontkenning op school

Er is een kwestie waar ik me behoorlijk over opwind en dat is het krantenbericht over een onderzoek naar de reacties van middelbare scholieren op het holocaust onderwijs. Enkele zinnen uit het bericht: “Een op de vijf geschiedenisdocenten in de vier grote steden heeft weleens meegemaakt dat zhij de holocaust [de systematische vernietiging van miljoenen joden] niet of nauwelijks ter sprake kon brengen, omdat vooral islamitische leerlingen er moeite mee hebben.”
Diverse vragen dansen dan door mijn hoofd: waarom wil men geen les over de holocaust? Wat doet men om het lesgeven al dan niet onmogelijk te maken? Wat doen de docenten er aan?
Om met de laatste vraag te beginnen: wie bepaalt wat er op school onderwezen wordt? Ik dacht altijd dat dat de sectie van het betreffende vak was, die al dan niet door een examenprogramma geleid een vak serieus vult. Ik moet er niet aan denken dat de toevallige sym- en antipathieën van leerlingen, ouders en andere groepen in de samenleving zoden gaan bepalen wat ik in mijn vak zal moeten geven en wat ik zeker moet laten vallen.?Het is het absolute recht van leerlingen om aan te geven, dat een onderwerp moeilijk,  saai en vervelend is, dat de docent meer moeite moet doen om het aantrekkelijk te maken, maar het kan nooit zo zijn dat een groep leerlingen uitmaakt, dat ik onderwerp X niet mag geven, omdat het hen niet aanstaat.
Wat doe je met leerlingen die je dan toch het leven zuur maken, omdat ze geen holocaustonderwijs willen? Naar mijn mening hebben die leerlingen een probleem, als hun gedrag het een docent moeilijk maakt om het onderwerp ter sprake te brengen.?Wie tegen holocaustonderwijs is, ontkent meestal ook de waarheid van diezelfde holocaust. Het barst in de wereld nog steeds van maffe mensen die denken dat de aarde plat en dat de nazi’s geen volkerenmoord tegen de Europese joden hebben uitgevoerd.?Iedereen mag van mij in mijn les het bestaan van God ontkennen, zeggen dat Jezus een ezel is, dat de evolutietheorie een uitvinding van gekke wetenschappers is, maar de eerste de beste leerling die het waagt serieus de werkelijkheid van de holocaust te ontkennen, gaat bij mij de deur uit. Ik stuur hem naar de mediatheek om het 1500 pagina’s tellende standaardwerk van Raul Hillberg, “De vernietiging van de Europese joden” te lezen en samen te vatten en hij komt niet binnen voor hij de feiten erkent of wetenschappelijk weerlegd heeft.
Als ik kijk naar de gebeurtenissen in Gaza, dan vind ik dat de staat Israel akelige dingen doet die veroordeeld moeten worden. Maar de staat Israel is niet hetzelfde als het jodendom. Israel is een min of meer democratische staat en het jodendom is een levensbeschouwing. Die twee moet je uit elkaar houden.?Aangezien alle islamitische landen rondom Israel geleid worden door dictators, die niets om hun onderdanen, maar alles om macht en inkomen geven, hebben die criminele staatshoofden er baat bij om Israel als zondebok aan te merken. Zo kunnen ze hun eigen wandaden verdoezelen en de bevolking een vijand aanbieden waartegen gevochten moet worden. ?Deze onderdrukkers doen niet anders dan Hitler die de Europese joden voor alle kwaad verantwoordelijk stelde, zelfs als ze het nooit gedaan konden hebben.?Het is treurig dat de betreffende islamitische leerlingen meer geloof hechten aan wat professionele verdraaiers van de waarheid vertellen dan dat ze de zorgvuldig onderzochte feiten van de weerzinwekkende holocaust serieus nemen.
De Keten, juni 2010

Technologie verandert cd-analyse

In de tweede fase behandelen we de crisis van de levensbeschouwingen. Wij beweren het volgende: de verlichting bracht het christendom in crisis en verschafte mensen die de antwoorden van het christendom niet meer geloofwaardig vonden een alternatief. Helaas brachten een aantal ontwikkelingen in West-Europa de verlichting op haar beurt ook in een crisis. Dat noemen we de crisis van de geloofwaardigheid van de grote verhalen. Als reactie op die crisis ontwikkelen zich ook weer alternatieven, zoals het fundamentalisme, new age en het postmodernisme. Fundamentalisme en new age bieden ieder ook weer een groot verhaal aan, alleen het postmodernisme zegt dat we het met kleine verhalen moeten doen.

Op grond van de gesprekken en op basis van een door de leerlingen ingevulde enquête stellen we vast dat grote groepen leerlingen postmodern genoemd kunnen worden. Op grond van die vaststelling vervolgen we ons verhaal met een onderdeel ‘levensbeschouwing en cultuur en de kleine verhalen’. Tijdens die lessen geven we aan dat veel leerlingen als postmoderne mensen hun zingeving niet aan de grote verhalen meer ontlenen, maar door kleine verhalen gegrepen worden. Om dat te laten onderzoeken door de leerlingen zelf geven we hen in de vierde de opdracht een levensbeschouwelijke analyse van een cd te maken en in de vijfde hetzelfde te doen met een film. Als we de resultaten ervan terugzien, komen we heel vaak tegen dat leerlingen hun eigen levensverhaal terugzien in en zich gespiegeld voelen door de teksten van een bepaalde cd of in het verhaal van een andere film.

Opmerkelijke ontwikkeling
De laatste jaren kregen we moeite met de levensbeschouwelijke cd-analyse. Waar we er vroeger van uit gingen dat leerlingen complete cd’s in hun cd-rek hadden staan, krijgen we nu van leerlingen te horen, dat ze steeds minder albums kopen, maar vooral afzonderlijke nummers, die hen aanspreken. Wat hen niets zegt, blijft ook ongekocht. Vraag je dan in de klas om een cd-analyse, dan kijkt een grote meerderheid je verbaasd aan, want alle nummers staan op de mps-speler of de Ipod of iets anders dat digitaal alles opslaat.

Dat bracht ons ertoe om een andere weg in te slaan. Nog steeds geven we leerlingen die het wel leuk vinden de mogelijkheid om een album als eenheid op te vatten en daarover een serieuze analyse te schrijven. We gaan er van uit dat een album op een cd of aangekocht via Itunes een eenheid is en in die zin met een roman vergeleken kan worden, waarin een aantal themata telkens weer terug zal keren.

De nieuwe mogelijkheid die we hen nu bieden is het maken van een eigen album. Met andere woorden: breng tien songs met teksten bij elkaar die voor jou op levensbeschouwelijke gronden hèt album zou zijn dat jij nu zou maken. Het is uiteraard een momentopname, maar wel belangrijk in de ontwikkeling van de leerling op dit moment. Het gaat daarbij om teksten en songs, soms allebei tegelijk, die op de een of andere manier levensbeschouwelijk voor je van belang zijn. Het kan gaan om teksten, die je bepaalde antwoorden geven, je uitdagen, bemoedigen, troosten, vragen stellen, je een spiegel voorhouden etc.

Onze ervaring van de afgelopen twee jaar is dat de leerlingen deze zonder meer uitgebreide opdracht zonder veel morren en vaak met veel plezier aanpakken en ze uiteindelijk met een serie teksten komen, die we in tegenstelling tot wat veel van onze generatiegenoten menen allesbehalve van een dubieus of oppervlakkig allooi zijn. Als je de teksten serieus doorneemt, kom je soms ware juweeltjes tegen, die het op kunnen nemen met teksten uit andere maatschappelijke subculturen die met enig dedain over de popmuziek spreken. De opdracht maakt ook duidelijk – als je enkele klassen achter elkaar nakijkt, dat bepaalde teksten steeds terugkomen in de ‘albums’ van de leerlingen, want het zijn vaak niet alleen de zangers die in de topveertig staan, maar vaak zijn het teksten die een bepaald levensgevoel van deze groep leerlingen weergeven of waarin ze zich herkennen.

Wat ik nog niet gedaan heb, is aan de opdracht verbinden dat ze aan hun eigen album ook een titel moeten meegeven. Ik vermoed dat deze toevoeging een extra levensbeschouwelijke dimensie aan het persoonlijke album zal geven. Dat is iets voor het volgende jaar.

Om collega’s te tonen hoe leerlingen met hun teksten omgaan, zal ik in deze en andere afleveringen van LIA enkele voorbeelden van leerlingkeuzes presenteren. Het is de moeite waard.

Wie ben ik boek

Ik! Wie is dat?

Uit de achterflap: “In het boek “Ik! Wie is dat?’ word je aangespoord om na te denken over wie je bent en wat jij nu juist jou maakt. We willen allemaal iemand zijn of iemand worden. Maar wie en waarom? Ben je wel wie je wilt zijn of speel je een rol?……”
Het boek is speciaal voor jongeren vanaf tien geschreven door professoren van de Kinderuniversiteit van Tilburg.
ISBN: 978 90 487 0653 2 Prijs 14,95
www.dekinderuniversiteit.nl
www.zwijsen.nl

Deze tekst is ook als pdf te downloaden: IK!_Wie_is_dat.pdf

Mijn oordeel
Een fijn boek om aan puberende zoon of neef danwel dochter of nichtje te geven.
Een boek dat een aantal themata aanroert, waarvan de docent levensbeschouwing zich duidelijk af moet vragen of ze in zijn curriculum aanwezig zijn.
Een boek dat duidelijk maakt dat levensbeschouwing uiteindelijk het schrijven van je eigen levensverhaal is.
Een boek dat duidelijk maakt dat het levensbeschouwelijk dagboek een integrerend bestanddeel van een levensbeschouwelijk portfolio dient te zijn.
Een boek dat ook laat zien dat voor levensbeschouwing een groot aantal Bezugswissenschaften aanwezig dienen te zijn om leerlingen verantwoord in te leiden in de wereld van hun eigen levensbeschouwelijke ontwikkeling.

Wie meer over de inhoud wil weten, kan hieronder een samenvatting van de verschillende hoofdstukken vinden.

Ik ben wie ik ben en wie ik wil zijn [Wie ben ik?]
Het antwoord op de vraag ‘wie ben ik?’ is afhankelijk van de plaats, tijd en persoon die de vraag stelt. De psychologen Kuhn en Portland vroegen mensen in 20 verschillende situaties antwoord op de vraag te geven. Als je kijkt naar de punten die op alle lijstjes staan, kom je toch tot een soort kern van jezelf, volgens hen.
Wie ik kan zeggen, heeft zelfbewustzijn ontwikkeld: een kind van twee noemt zichzelf bij de voornaam, zal het niet over ik hebben; een kind van vier al veel meer.
Waar dat zelfbewustzijn zit, is niet precies aan te geven; het blijkt in ieder geval niet op één plaats te zitten.
Je ben ik, van top tot teen. Als je een teen verliest, ben je dan nog jij? De meeste mensen zeggen ja, maar als je een beroemde toptennisser bent en door het verlies van die teen geen bal meer raak slaat, verandert dan je ik?
We leven in een tijd, waarin niet meer anderen zoals ouders en omgeving bepalen wat jij doet en gaat worden en denken, maar we leven in een iktijdperk. Wie je bent, je identiteit, bepaal je steeds meer zelf. Je identiteit is een optelsom van wat je gegeven is, wat je overkomt en wat je er zelf van maakt.
We hebben verschillende ikken in ons leven, met andere woorden, we spelen verschillende rollen, afhankelijk van de positie die we telkens innemen. Tegelijk kijken we niet naar anderen als mensen die rollen spelen: “Alles wat iemand doet en zegt, schrijven we toe aan die persoon.”

Je bent nooit alleen op de wereld [Ik, jij en wij]
Al in de oertijd leefden mensen in groepen. Dat was nodig om samen te jagen en samen te vechten tegen gevaarlijke gebeurtenissen of dieren of mensen.
Lid zijn van een groep bepaalt een deel van je identiteit. Je vertelt dat je dit bent, maar tegelijk ook, dat je dat niet bent.
Bij groepsgevoel hoort ook een ‘wij tegen zij’ gevoel. Je vindt dat de mensen in jouw groep slimmer, eerlijker en mooier zijn dan de mensen in een andere groep. Dat betekent dat jij dus ook mooier, slimmer etc, bent, want jij behoort tot die groep. Op die manier krik je je gevoel van eigenwaarde op.
We komen er dan ook sneller toe om de negatieve dingen aan HEN toe te schrijven, want WIJ doen zulke dingen niet.
We willen ook graag erbij horen, we zijn niet graag buitenbeentje. Mensen gaan heel ver om niet van de groep af te wijken. Het experiment van Asch laat zien dat mensen geneigd zijn de meerderheid van de groep te volgen, ook al is het zonneklaar dat het antwoord van die meerderheid fout is.
Wie zich niet wil aanpassen aan de groepsdruk, heeft het niet altijd gemakkelijk en moet over een positief zelfbeeld beschikken. Als je bereid bent, aan te geven dat je het er niet mee eens bent, is de kans groot, dat anderen ineens het met je eens durven te zijn. Opmerkelijk t.a.v. een positief zelfbeeld is, dat mooie mensen niet altijd gelukkiger of zelfverzekerder zijn dan minder mooie mensen. Hun probleem is dat ze vaak niet weten of ze gewaardeerd worden wegens hun mooie uiterlijk of om wat ze gepresteerd hebben. Daardoor twijfelen deze mensen vaak aan hun kunnen.
Ook in de verschillende groepen waartoe je behoort speel je altijd sociale rollen.

De oma van je oma, van je oma, van je oma [Ben ik een aap]
Honderdduizend oma’s geleden komen we uit bij een vrouw die twee miljoen jaar geleden leefde, een Australopithecus, een aapmens. Nog verder terug vinden we de mensaap-oma, die twee kinderen kreeg. De ene is stammoeder van de mens, de ander van de chimpansee, met wie we 99 procent van het DNA delen.
Dankzij de evolutie hebben de mensen zich kunnen aanpassen aan de veranderende omstandigheden, waardoor ze niet ten onder zijn gegaan, zoals andere diersoorten, die zich niet konden aanpassen.
Wat de mens is is een discussiepunt. Voorbeeld is het eten van vlees. Volgens de darwinisten is vlees eten natuurlijk, want de energie die uit vlees komt hebben we nodig gehad om onze grotere hersenen te ontwikkelen.
Daar staan de kantianen tegenover: mens is wie nee kan zeggen tegen zijn natuurlijke neigingen.
Darwin zegt we onszelf gerust een aap kunnen noemen. Kant zegt dat de mens een zelfbewust wezen is met een vrije wil, met verantwoordelijkheid. Dat heeft een dier niet. Als een hond een kind bijt, wordt niet de hond maar de eigenaar aansprakelijk en verantwoordelijk gesteld.

Stamppot of Allah [Wij en zij]
Twintig procent van de Nederlanders heeft buitenlandse wortels. Dat was honderd jaar geleden heel anders. Je woonde in een kleine gemeenschap, trouwde werkte en stierf in die gemeenschap en je kwam zelden buiten die gemeenschap. Dat is nu anders. En aan mensen die niet dezelfde achtergrond als zijzelf hadden moesten veel Nederlanders erg wennen. Anders zijn is een rare zaak, vonden ze. Hun vertrouwde beelden van Nederland en de Nederlander verdwenen en dat maakte hen onzeker en ze voelden zich onveilig.
We zullen nu moeten leren leven met de multiculturaliteit van de Nederlandse samenleving. Als mensen elkaar ontmoeten en elkaars gewoonten leren kennen en begrijpen, wordt de kloof al snel minder breed. Maar vaak wonen allochtonen en autochtonen in verschillende wijken en bezoeken verschillende scholen.
Hieraan gekoppeld is het gevoel van meer dan vijftig procent van de allochtonen dat ze weleens gediscrimineerd worden, vooral op hun werk. Onderzoek van de Universiteit van Tilburg bracht aan het licht, dat mensen het meest gediscrimineerd worden op de plaatsen waar bazen zeggen dat iedereen gelijk is. “Juist in die bedrijven gelooft niemand dat iemand anders (ongelijk) behandeld worden en kan er dus niet over gepraat worden.”

God en ik, ik en God [Waarin geloof je?]
God is een behoorlijk twistpunt tussen mensen. iedereen denkt dat hij gelijk heeft en dat heeft soms tot bloedige twisten geleid. Ook is waar dat mensen veel aan hun geloof hebben. Alle geloven hebben gemeenschappelijk dat ze lessen in het leven zijn. Geen enkele godsdienst is uit op vernietiging van de aarde.
Een kwart van de Nederlandse bevolking gelooft niet in God, en dat doen ze ook op verschillende manieren. Daarnaast hebben we ook nog een groot aantal ietsisten.
Opmerkelijk is dat in twee van de drie huizen een boeddhabeeld staat: een gezellige dikkerd oogt toch anders dan een lijdende Christus op een kruisbeeld.
Je geloof is mede van invloed op de manier waarop je tegen jezelf aankijkt.
Kijkend naar de rol van de mens in de ogen van hun God:
In de islam kiest de mens om dienaar van Allah te zijn.
In het christendom is de mens slecht, maar kan beter worden door het voorbeeld van Jezus.
In het boeddhisme hebben we geen ik; ik word steeds herboren in een nieuwe vorm omdat dat ik nog niet af is.
Een van de gevolgen van de moderne tijd, waarin de mensen steeds minder naar de kerk gaan, is dat de boodschap om een goed mens te proberen te zijn minder gehoord wordt. We zijn als het ware van God los. Letterlijk, dat iemand de regels van God niet meer naleeft. Figuurlijk, dat iemand zo op zijn eigen houtje bezig is dat het hem niet kan schelen of anderen er last van hebben.

Chips in je hoofd [Ik, versie 2.0]
De computer is momenteel al in staat de wereldkampioen schaken te verslaan. We gebruiken de computer, robots en andere zaken om ons leven te veraangenamen. Tegelijk worden we er ook door beïnvloed. Je speelt op internet met een avatar en iedereen denkt dat jij dat bent, omdat de anderen je nog nooit in het echt hebben gezien.
We maken van allerlei hulpmiddelen gebruik om onszelf beter te maken en te voelen. Studenten slikken Ritalin, niet omdat ze AGHD hebben, maar om een examen beter te kunnen maken.
We staan ambivalent tegenover de techniek. In boeken als Brave New World en 1984 staat de mens tegenover een zich ontwikkelde techniek die hem in zijn macht heeft. De mens moet vechten om weer vrij te worden.
We zien drie denkrichtingen als het gaat om het verbeteren van de mens met electronica.
De Kantianen zeggen: niet doen
De utilisten zijn van mening dat als het nuttig je het moet doen.
De autonomen vinden dat ieder mens zelf moet beslissen hoever hij daarin gaat.
Daarover moet de discussie gaan: in wat voor wereld wil ik wonen? Wie wil ik zijn?

Onbeschoft en asociaal [Steeds meer ‘ik’]
Veertig jaar geleden was de tijd van de verzuiling nagenoeg ten einde. Het tijdperk van de individualisering brak aan. Het individu werd belangrijk dan de groep waartoe hij behoorde.
Dat heeft zijn goede kanten. Daar is iedereen het over eens.
Sinds enkele jaren zien we ook dat er negatieve kanten aan zitten. Mensen denken dan vooral aan zichzelf. Het ‘ik’ is te belangrijk geworden. We hebben minder kinderen, zij krijgen veel meer aandacht dan die van vroeger.
We zijn rijker geworden, alles moet kunnen en mogen.
De opvoeding is veranderd. We zijn onbewust asociaal geworden.
De zingevingssystemen zijn niet meer actief zoals vroeger. Naastenliefde wordt vervangen door de 15 minuten roem op de televisie.
We willen respect en als we het niet denken te krijgen, worden we gefrustreerd.
Frustratie leidt vaak tot agressie, zinloos geweld [ sinds 1997]. We leven in een agressievere samenleving dan vroeger.

Hoe je een talent wordt [Je wordt wat je doet]
Wie schade oploopt in zijn hersenen, kan als het ware een ander worden. De hersenwetenschappers zeggen dat je ik bepaald wordt door je aanleg, je omgeving en je eigen invloed. Onderzoek heeft aangetoond dat mensen die aanleg hebben, 10.000 uur nodig hebben om dat talent ook volledig uit te buiten: Mozart, Beatles, Bill Gates hebben allemaal die tijd doorgebracht alvorens ze tot uitzonderlijke bloei kwamen.
Door bepaalde dingen te oefenen, veranderen je hersenen. Wie verlegen is en zich erop toelegt om stoerder te worden en te doen, ziet een verandering in de hersenen.
Door nieuwe dingen te doen en te oefenen maken je hersenen nieuwe netwerken aan die die taak ter hand kunnen nemen.
Je hersenen kunnen niet alleen nieuwe dingen positief leren, maar ook negatieve gewoontes vormen een hersennetwerk. Duidelijk is wel dat wat je niet doet, zul je ook niet ontwikkelen.
Belangrijk: hoe meer nieuwe dingen je doet, hoe meer je hersenen worden uitgedaagd.

Een onderbroek van Björn Borg voelt anders [Je ben wat je hebt]
Ons zelfbeeld schijnt samen te hangen met wat we bezitten. Evolutiebiologen zeggen dat het te maken heeft met onze drang om te overleven.
Topbestuurders kijken niet naar wat ze verdienen, maar vergelijken hun salaris met anderen die meer verdienen. Jaloezie is de drijfveer.
Dingen die we kopen helpen ons om een beeld van onszelf te scheppen: ons imago.
Dat imago krijgt een extra impuls als we dingen hebben die anderen niet hebben.
Het geeft zelfvertrouwen èn het laat ons bij een groep horen.
Je uiterlijk bepaalt voor een deel hoe je omgeving op je reageert. Ga collecteren voor een goed doel in dure merkkleren en je haalt meer op.
Dure spullen kopen die we eigenlijk niet nodig hebben, heeft te maken met het snobeffect.
Er is ook sprake van het countersnobeffect: ik heb geen dingen nodig om iemand te zijn.
Je ziet de gevolgen van het imago-opkrikken in het toenemen van schulden bij mensen die luxe schulden hebben: een goed inkomen, maar veel te veel uitgaven aan luxe artikelen.
Op iemand die veel heeft kunnen mensen reageren met afgunstig zijn of benijden.
Wie hard voor een Iphone heeft gewerkt, werd benijd, maar men gunde hem het ding. Wie vertelt dat hij die van zijn vader heeft gekregen, kreeg afgunstige reacties en men gunde hem het ding niet!

Op avontuur met wonderlijke vragen [Waarom ik?]
Als over allerlei dingen die normaal lijken te zijn diepere vragen gaat stellen, word je een Alice en leef je in Wonderland.
Vragen die dieper gaan noemen we levensvragen, het zijn vragen die vaak een leven lang meegaan. We weten een heleboel over het hoe van de dingen, maar niet van het waarom.
“Door al die levenservaringen groeit je kijk op het leven. Je rijgt net zo lang je favorieten aan elkaar totdat er een glinsterend juweel overblijft: een halssnoer of stoere armband vol met kleine waarheden die samen een prachtig juweel zijn. OM dit sieraad met trots te dragen, moet het helemaal JIJ zijn.” [100]

De geheimzinnige dood [Het einde van ik]
Het ik houdt op bij de dood. Mensen proberen wel een antwoord te geven op wat erna komt.
In schema gezet zijn er twee uitersten: een van weten en een van geloven. Natuurwetenschappers meten; bijna dood ervaringen stellen vragen bij dit meten. Maar je moet zelf bepalen of die BDE’s ook werkelijk een kijkje achter het gordijn van de dood zijn.
Tussen weten en geloven is ook niet weten, zich laten verrassen, een knutselantwoord.
Wie iemand verliest, gaat een rouwperiode in, die ieder op een eigen manier meemaakt. rouwen blijkt het snelst te gaan als je de rottige gevoelens er gewoon laat zijn.
Ervaringen met de dood maken soms van mensen andere mensen. Ze leren dat leven niet draait om geld en succes, maar om liefde en samenzijn.
“Wanneer de dood plots dichtbij komt, beginnen veel volwassenen dus pas aan het echte leven. eigenlijk is dat doodzonde. Want draai het eens om. Heb je er ooit aan gedacht dat het niet voor niets is dat er een soort gordijn aan het einde van het leven hangt waar we niet achter kunnen kijken? Misschien is de zin van het leven: leven. Je bent niet geboren om dood te gaan, maar om te leven. Een mens heeft niet eeuwig de tijd. Maar weinig tijd maakt het leven gewild en kostbaar. Niet de dood is bijzonder, het leven is bijzonder.” [110]

Geloof beïnvloedt agressie jongeren niet

In het Parool van 29 oktober 2010 was de volgende bijdrage te lezen:
“Bij Europese jongeren is niet religie debet aan gewelddadig gedrag, maar zijn sociale uitsluiting en discriminatie juist de drijvende krachten achter agressiviteit. Dat blijkt uit een onderzoek van het Europees Agentschap voor de Grondrechten (FRA) dat woensdag in Wenen werd gepresenteerd.
Aan het onderzoek namen drieduizend jongeren van 12 tot 18 jaar uit Frankrijk, Spanje, Groot-Brittannië en Noord-Ierland deel. Volgens Morten Kjaerum, directeur van het FRA, gaven moslimjongeren vaker dan niet-moslims aan gediscrimineerd of buitengesloten te worden en vergroot dat hun bereidheid geweld te gebruiken. ”Als je geweldsoorzaken wil aanpakken, is het belangrijk dat kinderen niet aan discriminatie of geweld ten prooi vallen”, aldus Kjaerum.

Vooral moslimjongeren uit Frankrijk en Spanje gaven aan discriminatie te ervaren. (ANP)”

Invloed van games op jongeren

In Engeland roepen steeds meer mensen om een verbod van het spel Manhunt. De gewelddadige titel van Rockstar zou namelijk de inspiratie voor een 17-jarige jongen zijn geweest om een 14-jarige stadsgenoot op zeer brute wijze te vermoorden. Warren Leblanc lokte Stefan Pakeerah naar een lokaal parkje waarna hij de jongen met een hamer bewerkte en uiteindelijk doodstak. Hij kan tot een levenslange gevangenisstraf worden veroordeeld. Volgens de advocaat van de jongen zijn dit soort computerspellen moordsimulators. Ook zouden tieners bij het spelen van dit soort games geen verschil tussen fantasie en realiteit kunnen maken.
“The way Warren committed the murder this is how the game is set out, killing people using weapons like hammers and knives,” Stefan’s father, Patrick said. “There is some connection between the game and what he has done.”

“We have got to stop selling them to children because there is hard science – brain scan studies – that show that the games are processed in a different part of the brain in an adolescent than in an adult.

“In a teenager the games are processed in the mid-brain where there is no differentiation between reality and fantasy.
Bron: http://www.gamer.nl/doc/24995/17-jarige-jongen-vermoordt-14-jarige-na-spelen-Manhunt

Onlangs is bekend geworden dat de dader in de geruchtmakende “Manhunt-moord”, de toentertijd 17-jarige Warren Leblanc, tot levenslang veroordeeld is. Hij vermoordde zijn 14-jarige vriend Stefan Pakeerah door hem naar een park te lokken, alwaar hij hem met een mes en een klauwhamer van het leven beroofde.

De moord werd al snel in verband gebracht met het gewelddadige spel Manhunt van Rockstar. De wijze waarop de moord gepleegd was vertoonde namelijk overeenkomsten met de dingen die je in het spel kunt doen, en de dader zou het spel in zijn bezit hebben. Later bleek echter dat enkel het slachtoffer in het bezit van een exemplaar van Manhunt was. De politie liet weten dat diefstal het eigenlijke motief was.
De “Manhunt-moord” was voor veel media een uitgelezen kans om, ten onrechte, weer eens uit te halen naar gewelddadige games en de gamesindustrie in het algemeen. Opvallend was dat de verkopen van het spel na alle media-aandacht juist fors gestegen bleken te zijn.

Bron: http://www.gamer.nl/doc/25528/Levenslang-voor-de-Manhunt-moordenaar

Hebben games echt zo slechte invloed op jongeren? Moeten gewelddadige games van de markt gehaald worden?
Ik denk het niet. Ik geloof niet dat games veel invloed hebben op jongeren, dat hebben ze in ieder geval niet op mij.
De emoties die een game bij je omhoog haalt zijn toch niet te vergelijken met de emoties die je in het echte leven hebt? Als je een spel speelt heb je daar plezier in, Je moet wel aardig ziek zijn wil je plezier hebben in moorden als je het mij vraagt.
En ik denk ook dat als je in een game mensen doodschiet je in je hoofd bezig bent met het halen van een hoge score, en niet met het vermoorden van mensen.

Ik denk dat jongeren beïnvloed worden door de omgeving waar ze in opgroeien en de mensen met wie ze omgaan. Niet door de games die ze spelen.
En waarom altijd de schuld aan games geven, films zijn ook heel gewelddadig en een stuk realistischer, en dan te bedenken dat games en films beide nog fictie zijn.
Wat er tegenwoordig allemaal in het nieuws langskomt is ook niet bepaald mooi, en omdat dit allemaal echt gebeurt ergens op de wereld denk ik dat dit veel meer invloed heeft dan verzonnen games en films. Ik denk dat het probleem daar ligt en niet bij computergames.

Een game is maar een game en niet de oorzaak van geweld in de wereld!

Zelfbeeld van Amerikaanse jeugd

De NRC van 7 september 2010 schreef over het zelfvertrouwen van Amerikaanse jongeren:

“Het zelfvertrouwen van Amerikaanse jongeren is de laatste decennia zo sterk gestegen, dat een eventuele verdere stijging nauwelijks meetbaar is. Psychologen stellen daarom voor de gangbare test aan te passen. Ook pleiten ze ervoor – in Review of General Psychology (september) – om de programma’s die het zelfvertrouwen van de Amerikaanse jeugd moesten vergroten als afgerond te beschouwen.
Maar niet als geslaagd. Ondanks het gestegen zelfvertrouwen presteren Amerikaanse studenten nog steeds slechter dan die in andere westerse landen. Ook is bijvoorbeeld hun drugsgebruik niet afgenomen. Maar volgens de psychologen was allang duidelijk dat het verbeteren van het zelfvertrouwen van kinderen niet de gedroomde oplossing voor sociale problemen was die veel beleidsmakers er zo graag in zagen. In de Verenigde Staten zijn vanaf de jaren negentig allerlei programma’s geïmplementeerd om het zelfvertrouwen van kinderen te vergroten, soms bijvoorbeeld zelfs door op school foute antwoorden niet te verbeteren.

De psychologen toonden al eerder aan dat het zelfvertrouwen van Amerikaanse jongeren tussen 1968 en 1994 sterk was gestegen. Nu bekeken ze latere onderzoeken onder gezonde Amerikaanse scholieren en studenten. Die hadden aangegeven in hoeverre ze het eens waren met stellingen als “over het algemeen ben ik tevreden met mezelf”. Van ruim tweehonderd onderzoeken onder tienduizenden jongeren werden de gegevens (verzameld tussen 1988 en 2008) opnieuw geanalyseerd.

De 11- tot 13-jarigen vertoonden de sterkste stijging; de stijging onder studenten vlakte al wat af. Maar die zaten ook bovenin de schaal: in 2008 haalde 18 procent het maximum van 40 (de modale score); 51 procent had 35 of hoger.”

Veertig dagen zonder seks

De afgelopen weken hebben de leerlingen van 4 en 5 zich beziggehouden met relaties en seksualiteit. Onze twee introlessen gaan over het dominante perspectief dat er volgens ons bestaat in de samenleving t.a.v. seksualiteit.
Wij houden de leerlingen voor dat ze zich in feite met drie vragen hebben bezig te houden:
• Hoe ziet het dominante perspectief eruit?
• Zijn er andere perspectieven mogelijk?
• Wat is voor mij het beste perspectief?

We vertellen de leerling dat het er niet om gaat het beste perspectief te kiezen, maar het perspectief, dat het beste bij hem past. Als je na goed nadenken het dominante perspectief als het voor jou beste perspectief kiest, heb je er in ieder geval over nagedacht in plaats van achter de massa aan te lopen die mogelijk zonder reflectie achter het dominante perspectief is gaan staan.

Omdat het voor iemand die midden in het dominante perspectief leeft moeilijk te zien is wat dat inhoudt, hebben we een aantal krantenberichten verzameld die volgens ons het dominante perspectief belichten. Volgens ons, zeggen we tegen de leerlingen, dus wees op je hoede. Misschien zien we heel andere dingen dan jij. De leerlingen krijgen ieder een stukje te lezen en moeten er de kenmerken van het dominante perspectief uithalen, die vervolgens op bord komen te staan.

Als alle teksten op deze manier bekeken zijn, hebben we een aantal uitspraken over het dominante perspectief verzameld. Een eerste vraag aan de leerlingen is: “Herken je deze uitspraken in de wereld om ons heen? Wat wel, wat niet?” Op deze wijze kunnen de leerlingen de uitspraken van anderen toetsen aan hun eigen ideeën en ervaringen in onze samenleving.

Meestal wordt een aantal uitspraken beaamd, bij sommige plaatsen de leerlingen kanttekeningen en soms wijzen ze een enkele uitspraak af.

Vervolgens krijgen de leerlingen een aflevering van ‘Veertig dagen zonder seks’ het befaamde Eo-programma met Arie Boomsma als presentator. De aflevering betreft Bregje, een achttienjarig meisje uit Boxmeer, MBO-er, die bekent sinds haar eerste schreden op het vrijerspad ondertussen zo’n 50 jongens lichamelijk geproefd te hebben. De aflevering duurt ongeveer 25 minuten en laat een meisje zien, dat haar behoefte aan aandacht probeert te verwezenlijken met seks met jongens. Toch wil ze leren vaker nee te zeggen, hoewel ze tegelijk zegt sinds haar eerste ervaringen seks steeds lekkerder te gaan vinden. We zien haar een afspraak hebben met een haar bekende jongen in een café op voorwaarde dat er geen seks van komt e het is een teleurstellend zicht. Ze slagen er niet in boven het niveau van koetjes en kalfjes uit te komen. In Blanès, het Spaanse equivalent van het Zeeuwse Renesse, houdt ze het goed vol, tot ze een leuke jongen ontmoet en lichtjes overstag gaat. In het slotgesprek geeft ze aan dat haar belofte om die veertig dagen zonder seks te leven ertoe geleid heeft dat ze enkele avonden en nachten met de nieuwe vriend gepraat heeft over allerlei zaken waardoor ze het gevoel kreeg, dat het toch aardig klikte tussen beiden.

De tweede aflevering die we laten zien is de aflevering met Mark, Noord-nederlander, stratenmaker, die zegt mee te doen omdat hij ook wel eens andere kanten van hemzelf wil laten zien. Waar Bregje hunkert naar aandacht is het Mark om stoer-zijn en -doen te doen. Zijn eerste meisje zegt dat hij een lieve jongen is behalve als hij bij zijn vrienden is. Het is ook aan taalgebruik, lichaamstaal en dansuitingen te zien. Ook hij gaat een avond uit met een meisje met wie hij eerder gezoend heeft; ditmaal in een restaurant en ook hier is het weer hilarisch te zien hoe de jongen stumpert als hij uit de vriendengroep op zoek naar seks wordt gehaald. Het etentje karakteriseert hij als saai, want je kunt een hoop dingen die je in een disco doet niet in een restaurant uitvoeren. Op driekwart van de veertig dagen ontspoort hij en heeft drie keer seks in vier dagen met twee verschillende meisjes. Een complicerende factor in deze aflevering is dat de omgeving weet wat Mark besloten heeft en als gevolg daarvan probeert een groepje meiden Mark letterlijk op te naaien, wat hem de nodige lichamelijke ongemakken geeft.

In het nagesprek worden de twee jongeren duidelijk op een hoop gegooid: het meisje wil aandacht en de jongen wil stoer doen, wat uiteindelijk op hetzelfde neerkomt. Stoer doen is ook een vorm van aandacht willen krijgen.
De meeste leerlingen zijn niet gecharmeerd van het gedrag van de jongeren, al kijken sommige jongens wel een tikje jaloers naar Mark.
Een aantal noemt hen oversekst, beschouwen seks als manier om aandacht te krijgen niet de beste manier daarvoor.
Nogal wat leerlingen nemen het woord ‘zielig’ in de mond, zeker als ze zien dat de seksloze afspraken op een mislukking uitlopen. Enkele leerlingen poneren de stelling dat deze twee jongeren nauwelijks kans hebben om aan een normale volwassen relatie te beginnen als ze op deze manier doorgaan. Het feit dat Bregje zegt enkele avonden gepraat te hebben met de nieuwe vriend, daardoor gemerkt heeft dat ze veel gemeenschappelijk hebben, levert vooral bij meisjes de opmerking op, dat je zonder communicatie en gesprekken nooit een serieuze en goede relatie kunt beginnen.
Als een jongen de simpele oplosing geeft: “Als ze verliefd worden, eindigt dit gedrag automatisch”, krijgt hij de opmerking terug: “Op deze manier zul je waarschijnlijk nooit verliefd worden.”

Op de vraag of ze deze jongeren in de opmerkingen over het dominante perspectief kunnen plaatsen, weten veel leerlingen mooie antwoorden te geven.

Kunnen we ook e-learning inzetten?

Aan internet zit – als alle verbindingen het goed doen – een fantastisch voordeel: je kunt er 7 dagen per week 24 uur per dag op terecht. Dat maakt het veel mensen mogelijk om op de meest vreemde tijden zaken te doen, informatie op te vragen, een formulier in te vullen en een cursus te volgen.

Wie op school over een elo beschikt en er voor zijn vak opdrachten op plaatst, ziet vaak aan de inlevertijden, dat leerlingen meestal geen ochtendwerkers, maar eerder late avondwerkers zijn, om nog maar niet te spreken van de nachtinleveraars. Als ik een deadline op 23.55 dinsdag zet, is er redelijk percentage, dat om 23.50 de gevraagde opdracht heeft opgeladen. Bij een opdracht die op papier moet worden ingeleverd bij de fysieke docente wordt de flexibiliteit al een stuk minder.

Waarschijnlijk komt vanuit die ervaring ook de vraag naar een e-learningmogelijkheid. Daarbij denk ik aan een module of onderdeel van een module, die op internet geplaatst wordt en waar de leerling op zijn eigen tijd aan kan werken en vervolgens ook kan inleveren.

Als leerlingen lesmateriaal op internet kunnen raadplegen, kan dat een voordeel zijn:
– Zieke leerlingen kunnen online -waar ze ook zijn – toch het materiaal inzien en opdrachten maken die ze dan via de elo kunnen inleveren;
– Leerlingen die een les missen door uitval van de docent kunnen de internetles thuis of in de mediatheek maken en door inleveren laten zien dat ze ermee bezig zijn geweest.
– Docenten die aan differentiatie willen doen, via het door ons geroemde gelaagde leerplan of in het kader van een leerarrangement bij een bepaald thema kunnen op deze manier een aantal mogelijkheden aanbieden, die niet in het boek te vinden zijn en waarvoor niet de kosten van drukken etc. gedragen hoeven te worden.
– Als de e-learning goed in elkaar steekt, kan een leerling die moeilijkheden met bepaalde zaken verwacht of heeft, nog eens goed oefenen met extra materiaal.

Een van onze projecten is ‘Surfen op de levenszee”. Het bevat 30 lessen, opgebouwd uit een verhaal rond zes leerlingen op een middelbare school gevolgd door informatie en diverse opdrachten rondom een thema. De bedoeling is eigenlijk dat een les in een lesuur kan worden genuttigd. Om te experimenteren met e-learning heb ik het eerste hoofdstuk omgezet in een e-learningmodule, die heel basaal is, maar de komende tijd probeer ik enkele andere lessen te maken.
Wie geïnteresseerd is, kan de e-learningmodule bekijken via de volgende link