Categoriearchief: onderzoek

Arrogante wetenschap

Michiel Bussink schrijft in de Genoeg, herfst 2014 over rellen in de wetenschap:

“In 2013 ontstond er een enorme rel over de promotie van Joris van Rossum aan de Vrije Universiteit. Deze bioloog stelde dat het moeilijk is om seksuele voortplanting te begrijpen aan de hand van Darwins evolutietheorie. Vier biologen van de universiteiten van Utrecht en Wageningen reageerden woedend en in hun kielzog wetenschapsjournalisten als Marcel Hulspas.

Ze diskwalificeerden het proefschrift – Van Rossum had niet mogen promoveren – en tegelijk de hele Vrije Universiteit.  Voor hoogleraar wiskunde Ronald Meester, een van de promotoren van Van Rossum, was dit, én een soortgelijk geval in de VS, aanleiding om het boek ‘Arrogant’ te schrijven.

Hij verbaast zich er allereerst over dat de reacties op het proefschrift zo enorm agressief waren, terwijl Van Rossum niet eens de evolutietheorie ter discussie stelde. “De wetenschap zelf leek op het spel te staan,” schrijft hij. Volgens Meester komt het incident voor uit het dominante idee dat de wetenschap in principe antwoord kan geven op alle vragen. Dat idee is volgens hem arrogant én spijtig. “De roep om voor alles wetenschappelijk bewijs aan te leveren bedreigt de waarde en betekenis van wijsheid”.

Een overmatig beroep op de rede en wetenschap leidt volgens hem tot zingevingsproblemen. De meest essentiële levensvragen zijn nu eenmaal niet alleen met behulp van de rationaliteit te beantwoorden of misschien zelfs helemaal niet te beantwoorden.

Meester noemt zichzelf ‘niet ongelovig, maar geen anti-wetenschapper.” Dat laatste mag je verwachten van een hoogleraar wiskunde. Met des te meer gezag kan hij dan ook zeggen waar veel wetenschappers niet aan willen: “De wereld is ten diepste onbegrijpelijk.”

Ronald Meester, Arrogant, waarom wetenschappers vaak minder weten dan ze denken, ten Have, € 14,99

Wie kennis wil nemen van een kritische reactie op het boek van Meester, kan het artikel van Riemersma op http://www.geloofenwetenschap.nl/index.php/boeken/item/470-meester-ronald-arrogant-2014.html lezen.

Generatie Braaf

Koppenmakers van kranten zijn meesters in het bedenken van spannende koppen en citaten in hun dagelijkse werk. Zo stootte ik op 13 september in Trouw op een levensgrote kop ‘Generatie BRAAF’ en het artikel erbij ging over de veranderende gewoonten bij tieners en adolescenten. In de inleidende tekst was te lezen: “Tieners zijn verstandiger geworden: ze hoeven niet meer zo nodig te blowen of al op jonge leeftijd te drinken.”

Met dat in het achterhoofd zou je denken dat de krant zou openen met iets als ‘Generatie Verstandig’, maar het moest een insinuerende titel worden en dus werd het ‘Generatie Braaf’, zoals we eerder al de Generatie Nix of de Verloren Generatie hadden.

Toch zijn er enkele aardige uitkomsten te vermelden uit het grote onderzoek van het Trimbosinstituut en de Universiteit Utrecht, waarop ook gereflecteerd wordt door enkele onderzoekers.

  • Scholieren roken minder, drinken op jongere leeftijd minder, wachten langer tot ze met iemand naar bed gaan en blowen is uit de mode.
  • De huidige lichting pubers vindt grensoverschrijdend gedrag minder nodig en minder stoer.
  • Dat pubers verstandig zijn, wordt door veel ouderen genegeerd, want ze willen negatieve dingen over pubers lezen.
  • Het maatschappelijk klimaat t.a.v. roken en drinken is duidelijk veranderd, waardoor er gedragsverandering plaatsvindt.
  • De opvoeding is veel gelijkwaardiger dan vroeger: ouders zeggen zelf vroeger ook wel iets verkeerd gedaan te hebben en waarschuwen tegelijk voor de nadelen.
  • Er is minder noodzaak om je als puber af te zetten: scholieren hebben het goed met hun ouders.
  • Het valt nu al op dat achttienjarigen gericht zijn op het mogen uitgaan en daarbij ook op de alcohol.
  • Er is een duidelijk verschil in gedrag tussen enerzijds de havo-vwo-pubers en de vmbo-ers aan de andere kant. Bij de laatsten zijn de problemen groter, maar over het algemeen zie je bij hen ook de trend naar verstandig leven.
  • De nadruk op maximaal ontplooien in heel de samenleving betekent ook dat je gezonde keuzes moet maken.

Trouwen en scheiden in Nederland

Ik neem aan dat collega’s die zich met bepaalde thema’s bezighouden proberen de laatste gegevens aan de leerlingen door te geven en hen te vragen, wat hen die cijfers te zeggen hebben. De reactie op bepaalde cijfers zegt vaak heel veel over de levensbeschouwelijke standpunten die leerlingen innemen.
Hieronder een informatief stuk uit het Nederlands Dagblad van 20 oktober 2010:
“Trouwen is populair, maar de huwelijken zijn de laatste jaren minder standvastig geworden. Dat concludeert het Centraal Bureau voor de Statistiek woensdag op basis van het Onderzoek Gezinsvorming, een steekproef die om de vijf jaar wordt gehouden.

Van de stellen die begin jaren negentig trouwden, zal binnen twintig jaar een kwart zijn gescheiden. Uit eerdere cijfers bleek dat van de huwelijken die rond 1970 waren gesloten, een op de zes na twee decennia op de klippen was gelopen. Het aantal huwelijken dat geen stand houdt, neemt in die vergelijking dus toe.

Kritischer
Huwelijken houden minder stand omdat de echtelieden over het algemeen kritischer zijn geworden. Dat betoogt Jan Latten, woordvoerder van het CBS en hoogleraar demografie van de Universiteit van Amsterdam naar aanleiding van cijfers van het bureau die woensdag bekend werden. Daaruit blijkt dat huwelijken de laatste jaren eerder stranden. Emancipatie, eerst een tijdje alleen wonen en eerst samenwonen zorgen voor echtelieden die meer eisen van hun partner en het huwelijkse leven. ,,Partners zijn minder bereid zich in de relatie veel aan te passen,” aldus Latten. ,,Vroeger was veel vanzelfsprekend. Een vrouw verhuisde mee als de man ergens anders ging werken. Nu wordt er gedebatteerd, zijn er potentiele splijtzwammen. De een wil veel kinderen, de ander niet.”

Uit de cijfers vanaf 1950 van het CBS blijkt dat 1970 het ‘topjaar’ was wat betreft aantallen huwelijken. In dat jaar werden 123.631 paren in de echt verbonden. De decennia daarna is dat langzaam afgenomen tot het ‘dieptepunt’ in 2005 met 72.263 huwelijken. Vorig jaar wisselden 73.477 paren het jawoord. Wat scheidingen betreft spande 2001 de kroon met 37104 paren die het niet meer met elkaar uithielden. Gemeten vanaf 1950 heeft 1958 in de CBS-statistieken met 5280 het laagste aantal huwelijksontbindingen.
Vorig jaar gingen 30779 stellen uiteen. “Een partner heb je om permanent gelukkig te zijn. Anders hoeft het niet,” zegt Latten. “Als het huwelijk niet zo perfect is, denkt men eerder dan vroeger aan scheiden. De echtelieden vragen zich af: hoe was het toen ik alleen was? Wat voegt de relatie toe aan mijn geluk? Dat alternatief was er vroeger niet.”
Economie

Een betrekkelijk nieuw effect in de huwelijkscijfers is volgens Latten de stand van de economie. Ontevreden stellen blijken hun scheiding uit te stellen omdat ze er rekening mee houden dat ze hun huis niet kunnen verkopen. Ook huwelijken worden uitgesteld als er een dip in de economie is. “Je ziet nu dat een meerderheid trouwt als er een kind is. Men woont toch al samen en het gaat goed. Laten we gaan trouwen en een feest geven. Maar als het slecht gaat in de economie wordt er bezuinigd, ook op het trouwen.””

Morele acceptatie in de VS

Het Gallupinstituut heeft zijn normen en waardenonderzoek weer verricht. Opvallende uitkomsten:
Geboorteregeling is acceptabel, zegt 82 procent van de Amerikaanse katholieken tegenover 90 procent van de niet-katholieken.
De morele acceptatie van de doodstraf is nog nooit zo laag geweest: 58 procent.
Een buitenechtelijke relatie vindt 7 procent acceptabel.
Abortus is voor 34 procent van de Amerikanen moreel acceptabel.
Republikeinen zijn veel minder tegen bont dragen dan de Democraten.
Van de republikeinen is 73 voor de doodstraf, van de democraten 42 %.
22 % van de republikeinen acht abortus geoorloofd, 52 procent van de democraten.

Andere interessante getallen vind je op:
http://www.gallup.com/poll/154799/Americans-Including-Catholics-Say-Birth-Control-Morally.aspx?

De lijst met morele items kun je ook vertalen en die eens voorleggen aan de leerlingen en vervolgens zien waar de verschillen te vinden zijn tussen de opvattingen van de jongens, meisjes, alloch- en autochtonen.

Wij lijken echt niet op apen

Regelmatig terugkerend thema in de lessen is de vergelijking die leerlingen maar al te gemakkelijk maken met de dierenwereld. Met name apen zijn daarbij geliefde voorbeelden. Mijn categorische afwijzing om mensen en chimpansees ook maar in de verte met elkaar in verband te brengen wordt ondersteund door een artikel in Trouw “Wij lijken echt niet op apen” van 12 mei 2012 van de hand van Marco Visscher, hoofdredacteur van Ode.

Het artikel is te lezen op de webstek van Trouw. Downloaden gaat tegenwoordig wat moeilijker, maar het is het proberen waard. Enkele citaten wil ik u niet onthouden:

“En wat die overeenkomsten in onze genetische code betreft: inderdaad, 98 procent is nogal wat. Maar we delen ook 60 procent van ons DNA met goudvissen en 50 procent met fruitvliegjes en bananen. Moeten we die dan ook beschouwen als halfmensen?

Ik denk dat we onszelf een fundamentele vraag moeten stellen. Is er niet iets geks aan de hand als we ons vergapen aan al die suggesties waaruit zou blijken hoezeer we gelijk zijn aan apen? Het lijkt zo onschuldig, maar misschien is de voortdurende neiging om mensen en chimpansees op één lijn te stellen een teken dat we niet meer precies weten wat het betekent om mens te zijn.
Ik heb niets tegen mensapen – mijn beste vrienden stammen ervan af – maar de opwaardering van al die chimpansees en bonobo’s zou wel eens een signaal kunnen zijn dat we de mensheid eigenlijk beu zijn. Zo’n wankelend mensbeeld is volgens mij een slechte voorbode. Daarmee brengen we het geloof in verandering en vooruitgang eveneens in gevaar.
(…)

Sinds onze verre voorouders zich hebben afgescheiden, is het leven van de mens zozeer veranderd dat we zelfs de holbewoners van enkele tienduizenden jaren geleden nauwelijks herkennen als onze evolutionaire voorganger. Sterker, in de afgelopen tien jaar is in alleen al de wijze waarop mensen met elkaar communiceren méér veranderd dan in hoe apen zich hebben ontwikkeld in zes miljoen jaar evolutie. Dat neem ik die apen niet kwalijk, maar het is niet bepaald een argument om onze onderlinge verschillen binnenkort maar op te doeken. Zelfs lieden als De Waal – die voor de financiering van hun werk natuurlijk gebaat zijn bij het idee dat apen de sleutel hebben tot diepgravende kennis over menselijk gedrag – zouden toch moeten toegeven dat apen er niet in zijn geslaagd hun levenskwaliteit ook maar een beetje te verbeteren. De evolutie van de mensaap heeft geleid tot enkele tientallen gedocumenteerde voorbeelden van het gebruik van gereedschap, communicatie en vlooirituelen. Maar om daarom te zeggen dat apen en mensen hetzelfde zijn geprogrammeerd – alsof er geen immens verschil in culturele overdracht bestaat – is in de woorden van Helene Guldberg, auteur van ‘Just another ape?’, alsof je geen verschil ziet tussen een gletsjer en een auto: “Beide bewegen van A naar B, zij het de een heel wat langzamer dan de andere.” “

Videogames stellen religie gelijk aan geweld

Nu de spellenindustrie volwassen is geworden en een fikse economische kracht heeft verworven, worden de verhaallijnen van de games ook gedetailleerder en genuanceerder. Veel videogames zijn ertoe overgegaan om religie in hun spel op te nemen als een sleutelaspect ten aanzien van plot en verhaallijnen.

Greg Perreault, een doctoraal student journalistiek, concludeert dat vele games van de nieuwere generatie religie gelijkstellen aan geweld in de verhaallijnen.
Perreault onderzocht vijf recente videogames die een zware nadruk leggen op religie in de verhaallijn. De videogames die hij bestudeerde waren “Mass Effect 2,” “Final Fantasy 13,” “Assassin’s Creed,” “Castlevania: Lords of Shadow” and “Elder Scrolls: Oblivion”. Perreault ontdekte dat al deze games religie problematiseren door ze nauw aan geweld te koppelen.
“In de meeste games was er een stevige nadruk op de Tempelridder en kruistochtmotieven. Niet alleen werd de gewelddadige kant van religie benadrukt, maar in ieder game schiep religie een probleem dat de hoofdpersoon moest overwinnen, hetzij in een directe confrontatie met godsdienstfanaten of omdat hij door godsdienstige schuldgevoelens opgejaagd werd.” aldus Perrault
“Het lijkt me niet dat spelontwerpers bewust proberen uit te halen naar georganiseerde religie. IK geloof dat ze religie alleen gebruiken om stimulerende plotpunten in hun verhaallijn te creëren. Als je naar videogames in zijn algemeenheid kijkt, bevatten de meeste geweld op de een of andere manier. Geweld is conflict en conflict is opwindend. Religie schijnt gekoppeld te worden aan geweld omdat het daarmee een meeslepend verhaal wordt.”
[Bron: God Discussion, 28-2-2012]

Als de wereld morgen zou eindigen

De Amerikaanse National Geographic Channel gaat een nieuwe serie over ‘Doomsday Preppers’ uitzenden. In het kader daarvan werden meer dan 1000 Amerikanen ondervraagd over allerlei zaken die met catastrofen te maken hebben. 85 Procent van de ondervraagden zeiden niet of te weinig voorbereid te zijn op een calamiteit.
Gevraagd naar wat zij waarschijnlijk zouden doen als morgen de wereld zou vergaan, zei 27 procent de conflicten en ruzies met geliefden te willen bijleggen en 24 procent koos ervoor seks te hebben. Van de laatste groep was de man-vrouwverhouding 2 staat tot 1. Een commentator van de NGC:”Wat hebben we deze Valentijnsdag geleerd? Als de wereld morgen aan zijn einde zou komen zouden legio Amerikanen ervoor kiezen hem te laten eindigen zoals hij begonnen is: met een ‘big bang.’”

Andere resultaten: Meer dan 62 procent van de Amerikanen denkt dat de wereld een grote catastrofe zal ervaren in minder dan 20 jaar.
Bijna drie van de vier mensen zien een grote ramp in hun leven als een daad van God, niet van de mens.

27 Procent gelooft dat de Maya-voorspelling van een rampzalige gebeurtenis in december 2012 best enige waarheid zal bevatten. Meer dan de helft van de natie gelooft dat als Romney of een van zijn Republikeinse medekandidaten het van Obama zal overnemen, een door de mens opgeroepen ramp meer waarschijnlijk wordt.

Meer informatie: http://tvblogs.nationalgeographic.com/2012/02/07/the-results-are-in-is-it-the-end-of-the-world-as-we-know-it-survey-says/
[14 februari 2012]

Godsdienst is het minst populaire vak

“Godsdienst is het minst populaire vak onder leerlingen van het voortgezet onderwijs en de bovenbouw van de basisschool, bleek uit een enquête door huiswerkinstituut Studiekring (70 vestigingen). Vier van de tien leerlingen zouden het vak liefst afschaffen en vervangen door lessen over sociale media of over games, bleek uit de enquête die eind vorig jaar werd gehouden.”
Dit bericht was te lezen als kadertje bij de reportage van Monic Slingeland “Godsdienstles over Twitter” in trouw van 2 februari 2012.
Uitgebreidere informatie kun je vinden op http://www.studiekring.nl/school-en-leren/uitslag-huiswerkenquete-leerlingen-liever-gamedesign-dan-godsdienst

Dat roept bij mij nogal wat vragen op:
Hebben we het dan over godsdienstles en niet over het vak levensbeschouwing?
Of gelden de opmerkingen van de leerlingen voor beide vakken?
Gaat het om een bepaald soort scholen van wie de leerlingen ondervraagd zijn?
Hebben leerlingen die geen ‘godsdienst’ krijgen de enquête ook zo ingevuld?
Is er op de een of andere manier achter te komen wat de motieven van de leerlingen zijn om het vak af te schaffen?

Als er collega’s zijn die kunnen reageren op deze verontrustende uitslagen, houd ik me aanbevolen voor die reacties. Zelf wil ik er in een latere LIA graag op terugkomen.
Mogelijk is het ook een speerpunt voor de VDLG om het image van het vak bij de leerlingen te verbeteren. Vrolijk word je er echt niet van.

Statistieken van het Gallupinstituut

Konden in 1958 zich slechts vier procent vinden in een positieve houding tegenover interraciale huwelijken, in het bijzonder zwart-witte, het laatste onderzoek van Gallup geeft aan dat momenteel 86 procent van de Amerikanen er positief tegenover staat.

Tien jaar na de vernietiging van de Twin Towers gelooft 46 procent van de Amerikanen dat de VS de oorlog tegen het terrorisme zal winnen, tegenover 41 procent die het daar niet mee eens is. In oktober 2001 was dat percentage 42 procent en januari 2002 zelfs 66 procent, waarna het geleidelijk is teruggekeerd naar het niveau van 2001.

Een analyse van meer dan 130 landen tien jaar na de aanval van 11 september 2001 blijken iemands religieuze overtuiging en mate van devotie weinig te maken te hebben met iemands houding ten aanzien van het aanvallen van burgers. Van de volwassenen die zeggen dat religie een belangrijk deel van hun dagelijkse leven is meent 99 procent van de Aziaten, 95 procent van de landen onder de Sahara, 96 procent van de Arabische landen, 50 procent van de inwoners van de Vs en Canada en 61 procent van de Europeanen, dat militaire aanvallen op burgers nooit geoorloofd zijn.

Een op de vier Amerikanen zeggen dat hun persoonlijk leven veranderd is na de tragedie van 11 september, terwijl 58 procent meen dat de gemiddelde Amerikaan zijn leven veranderd heeft na de tragedie.

Tevredenheid met hun levensstandaard is voor een grote groep Amerikanen boven de 65 een gezondheidssleutel voor emotioneel welzijn. Oudere Amerikanen die deze tevredenheid uiten kloppen hun mede-ouderen die het niet zijn met 200 procent. [39% tegenover 16%]. Ook de ouderen die nog werken hebben een hoger emotioneel welzijn dan de ouderen die niet werken.

Driekwart van de Amerikanen steunen het idee om getalenteerde en intelligente studenten te stimuleren om leraar te worden. Waar het gaat om de beta-vakken is 48 procent die mening toegedaan, terwijl 47 procent vindt, dat die mensen wetenschappers moeten worden.

Als het gaat om obesitas is Colorado de minst zware staat, me 20 procent obese mensen. De hoogste score wat zwaarlijvigheid betreft heeft West-Virginia, met 34,3 procent. Het nationale gemiddelde ligt op 26,3 procent, dus een op de vier Amerikanen is te dik. Een onderzoek een jaar eerder wees erop dat obesitas gekoppeld kan worden aan een lager emotioneel welzijn.

De Life Evaluation Index kent drie categorieën: voorspoedig, worstelend en lijdend. De algemene Life Evaluation Index door het percentage van de voorspoedige Amerikanen te verminderen met het percentage van de lijdende Amerikanen. De LEI stond halverwege dit jaar op 47,6 procent, met een dieptepunt van 37,3 procent in januari 2009 en is nu enkele procenten hoger dan in januari 2008, toen de crisis zichtbaar werd. Toch is de index sinds januari van dit jaar weer drie procent gezakt.

Dezelfde index toegepast in Groot Brittannië levert op dat werkloze Britten vaker lijden dan de bevolking als geheel. Het verschil is twee keer zo hoog: 8 tegenover 4 procent. Britten die lijden noemen hogere niveaus van boosheid, zorgen en verdriet dan de Britten, die worstelen of welvarend zijn.

14 Procent van de Amerikaanse ouders geven de lokale scholen een A, terwijl 37 procent de school van hun kinderen een A – keurmerk geeft. Als het gaat om de landelijke scholen geeft slechts 1 procent de scholen een A. Volgens respondenten is het grote verschil te verklaren door de kennis over de lokale scholen en de trots op hun gemeenschap. Om de school een A te laten verdienen meent 34% dat de kwaliteit van het onderwijzen verbeterd moet worden.

Uit het onderzoek naar emotioneel welzijn valt op, dat Amerikanen met een college-opleiding of hoger emotioneel beter af zijn dan lager opgeleiden, dat mannen iets beter scoren dan vrouwen, dat spaanssprekende ouderen lager scoren en dat het al-dan-niet-getrouwd-zijn er nauwelijks toe doet.

Mensen met een baan van minstens 15 uur per week die voor een familielid zorgen zijn werkende mantelzorgers. Zeventig procent van hen zorgt voor een ouder. Bij een op de drie mantelzorgers woont de hulpbehoevende bij hen thuis. Twee op de drie woont 15 kilometer of minder van de hulpbehoevende. Het gemiddeld aantal dagen dat men zorgt per maand is 13. De meerderheid van de mantelzorgers doet dit al meer dan drie jaar. Mantelzorgers maken 16 procent van de voltijdswerkende Amerikanen uit. Zij scoren gemiddeld lager op de gezondheidsindex dan niet-mantelzorgers. Datzelfde geldt voor het emotionele welzijn van deze mensen. Het mantelzorger-zijn beïnvloedt hun betaalde baan op enigerlei wijze. 36 procent meldt een tot vijf werkdagen kwijt te zijn wegens mantelzorgactiviteiten, terwijl 30 procent zes of meer dagen kwijt was. Gallup becijfert dan dat deze afwezigheid van het werk de Amerikaanse economie 25,2 miljard dollar arbeidsproductiviteit per jaar kost.

Mijn woonplaats of regio is een goede plek om te leven voor geestelijk gehandicapten. Daarop zegt 55 % van de wereldbevolking ja, 45 procent nee. Europa scoort het hoogst met 80 procent, Azië met 46 % het laagst. In Europa zegt 52 procent van de Bulgaren ja, tegenover 91 procent van de Nederlanders. Het percentage ja’s stijgt met het stijgen van de genoten opleiding.

Bruto Nationaal Geluk

Op de blog van www.secondsight.nl schrijft Jan Bletz op 14 april over onderzoek dat gedaan wordt naar het welzijn en geluk van mensen. Ik citeer de auteur:

“Nederlanders zijn in de afgelopen decennia steeds welvarender en hoger opgeleid geraakt. Maar we zijn niet gelukkiger geworden. Het geluksgevoel is al decennialang stabiel gebleven. Motivaction deed onderzoek naar de meest invloedrijke factoren voor geluk, en wat blijkt? Vooral je mentaliteit is van invloed op hoe gelukkig je bent.

Geluk is voor een deel maakbaar. Een duurzame relatie, je verbonden voelen met anderen, participatie in de samenleving en het benutten van je talenten bevorderen geluk. En je mentale instelling speelt ook een rol: tijdstress, negatief denken en/of te veel dromen maakt ons eerder ongelukkig. Ook je levensvisie speelt een rol. Meer materialistisch ingestelde milieus zijn in Nederland in opkomst, maar minder gelukkig dan andere groepen.
Dit alles blijkt uit een onderzoek van het bureau Motivaction.

Het recente debat  sluit aan op een discussie over het Bruto Nationaal Geluk als alternatief voor het Bruto Binnenlands Product. En ook trendforecaster Li Edelkoort ziet Wellbeing als een van de belangrijkste trends voor de komende jaren.
Het begrip BNG komt van Koning Jigme Singye Wangchuk van Bhutan die als reactie op de kritiek op de slechte economie van zijn land in 1972 als antwoord een andere maatstaf ontwikkelde. De vier pijlers van BNG zijn volgens hem:
• de bevordering van billijke en duurzame sociaal-economische ontwikkeling,
• behoud en bevordering van culturele waarden,
• behoud van het natuurlijke milieu, en
• goed bestuur van ondernemingen.

President Sarkozy van Frankrijk gaf enkele jaren geleden de opdracht om nieuwe maatstaven in kaart te brengen die verder gingen dat het Bruto Binnenlands Product. Componenten als welzijn en duurzaamheid zouden moeten worden meegewogen bij het meten van economische vooruitgang.
Ook premier David Cameron heeft vorig jaar zijn bureau voor statistiek opdracht gegeven het welzijn van de Britten op te nemen in de periodieke onderzoeken. Hij wil niet langer alleen het GDP (Gross Domestic Product) weten maar ook het GWB (General Well-Being).
In Nederland werkt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) aan een meetmethode, die meer meet dan alleen de economische vooruitgang in euro’s, en laat zich daarbij onder andere adviseren door de Canadese econoom Marc Anielski. Anielski schreef het boek The Economics of Happiness (2007) waarin hij een bruikbaar model beschrijft dat behalve het Bruto Binnenlands Product wel vijftig andere indicatoren gebruikt.”

De niet zo donkere middeleeuwen

Elke keer weer – als ik het over de verlichting als levensbeschouwelijke stroming heb en leerlingen nadenken over de naam ervan, komen we uit op de arrogante aanname van de heren verlichters dat zij het licht gezien hebben tegenover de mensen die nog in de duisternis van de middeleeuwen leefden.

Daarom is het niet verkeerd eens te lezen wat de donkere middeleeuwen al voortgebracht hadden, waarop de latere verlichters verder konden bouwen. Zonder een aantal wezenlijke ontdekkingen in de middeleeuwen zouden de verlichters het nakijken gehad hebben.

Een lijst van tien serieuze ontdekkingen omvat de zware ploeg, de getijdemolen, zandloper, blaasbalg, likeur, brilglazen, mechanische klok, het spinnewiel, quarantaine van bepaalde zieken en de drukpers van Gutenberg.

Wie meer over deze uitvindingen wil lezen kan terecht bij:
http://listverse.com/2007/09/22/top-10-inventions-of-the-middle-ages/

Trends in 2011

Van alle kanten zijn we bestookt met de verwachtingen voor het jaar 2011, zoals ieder jaar opnieuw gebeurt. Wie de trends die vorig jaar zijn uitgesproken voor 2010 wil controleren vindt er weinig of geen sporen meer van. Het lijkt of de trendwatchers na hun glazenboluitspraken daar later niet meer aan herinnerd willen worden. Ze zouden eens misgekleund kunnen hebben.
Second Sight is een bedrijf, dat serieus probeert de tijdgeest te analyseren en daar regelmatig publicaties over verzorgt.

In hun nieuwsbrief hebben ze een elftal analyses van trendwatchers verzameld en die aan de lezers doorgegeven. Ik neem deze lijst ongewijzigd over en laat de collegae graag spitten naar de levensbeschouwelijke aspecten van de verschillende voorspellingen. Als ik het goed heb, heeft levensbeschouwing de wind meer mee dan vroeger. De wal keert het schip, zullen we maar zeggen.

1. Maatschappij: 24/7 – realtime –flat –‘Wiki – world?
Er gloort hoop in de vorm van een ongekende creatieve energie die voortkomt uit de ‘24/7 – realtime –flat –‘Wiki – world’, zegt trendwatcher Christine Boland. “In deze platte, dynamische wereld ontstaan allerlei mogelijke verbindingen, tussen mensen en ideeën, tussen mensen en idealen en tussen wetenschap en technologie (nerds zijn hip!) en de creatieve sector.”

2. Maatschappij: Elitewissel?
2011 wordt een jaar waarin het economisch nationalisme doorzet en de politieke onrust blijft”, verwacht trendwatcher Adjiedj Bakas. “Overal komen nieuwe politici op die de gevestigde politieke orde tarten: Desi Bouterse in Suriname, Sarah Palin in de VS, Thilo Sarrazin in Duitsland, Nichi Vendola in Italië, Thaksin Sinawatra in Thailand, Geert Wilders in Nederland, Pia Kjaersgaerd in Denemarken, Jimmie Aakesson in Zweden en ga zo maar door. ”

3. Economie: Groei emerging markets?
“Wij denken in Europa altijd dat we het meest innovatieve continent zijn. Ik waag het meer en meer te betwijfelen”, zegt trendwatcher Carl Rohde (oprichter van Science of the Time en TrendWatcher Of The Year 2010). “En als we op innovatief niveau ook nog eens onder de voet gelopen worden door de emerging economies, dan krijgen we het helemaal zwaar.”

4. Jongeren: Menselijke maat
“Er lijkt een generatie te zijn opgestaan die carrière en ‘voor grote tenten werken’ niet cool vindt, die zelfvoorzienend wil zijn, die gunnen en ruilen OK vindt, die sterk hecht aan menselijke relaties en menselijke maat”, zegt Herman Rottinghuis (Stratix Consulting Group).

5. Ondernemerschap: Sociaal ondernemen
“De verdeling van de welvaart moet gewoon eerlijker”, aldus mede-oprichter Geraldo Vallen van Join the Pipe. Hij is niet de enige ondernemer die er zo over denkt, constateert hij. ‘Giving is the new taking’, bleek volgens hem in 2010. Hij wijst op de ‘giving pledge van Warren Buffet’. “Hier gaan we in 2011 nog veel meer van zien.”

6. Maatschappij: Betekeniseconomie?
De beleveniseconomie is passé, zegt marktonderzoeker Hedwig Boerboom (Motivaction). “Er is meer nodig dan alleen het prikkelen van de zintuigen, daarvan alleen wordt men niet (meer) gelukkig. Waar we naar toe gaan is een betekeniseconomie. ”

7. Maatschappij: Polarisatie?
Polarisatie is het devies in 2011, meer nog dan in 2010: “Instituten worden gewantrouwd. Het politieke midden is gekortwiekt. Godsdiensten en culturen botsen”, zegt Joost Augusteijn (Rabobank). “Iedereen wil verandering, maar er is grote onenigheid over wat we precies moeten doen. De ene groep wil dat doen door muren te bouwen”, de andere juist door bruggen te bouwen, in de woorden van trendwatcher Hilde Roothart.

8. Fashion: Kleinschaligheid
“De grote global megabrands ontberen de emotie en intimiteit van kleine micro initiatieven, plaatselijke evenementen, locale ingrediënten. Een groeiende interesse voor het intieme en kleinschalige”, zegt Anne Marie Commandeur (Stijlinstituut Amsterdam en TrendWatcher Of The Year, Fashion & Design). In 2011 zullen kleine oplages in kleding ‘in’ zijn, verwacht Nanon Soeters (Rozenbrood).

9. Mode
Expressieve kleuren?”In de komende jaren willen we alle ellende links laten liggen. We gaan voor love, peace en happiness. De ‘feel-good’ factor, daar draait het om. Niets geen poespas, hip en happening, maar gewoon ouderwetse gezelligheid, back to the roots, met een flinke knipoog naar de jaren vijftig en zestig”, zegt forecaster Vivian Sneep. ”

10. Maatschappij: Transparantie?
De ontwikkeling naar een transparantere samenleving is een van de belangrijkste kenmerken van 2010, stellen Thomas Spronk en Ingeborg Bruinewoud (Science of the Time). “Denk aan Wikileaks. Of kijk naar de manier waarop potentieel nieuws steeds vaker streaming wordt gebracht, bijvoorbeeld bij het ‘mijnwerkersdrama’ in Chili. We willen het zien, we willen het weten. In 2011 zullen we meer voorbeelden van de drang naar transparantie zien.”

11. Consument: Hand op de knip als lifestyle?
Consumenten blijven voorzichtig met hun geld omgaan in 2011, verwacht Jeannette van Zee van onderzoeksbureau De Informatiekamer. “Het is een nieuwe levensstijl geworden om met minder ongeveer hetzelfde te doen. Dus wel op vakantie, maar minder ver en luxe. Wel leuke feestjes, met lekkere, wat minder dure, hapjes en drankjes. ”

Bron: http://www.secondsight.nl/page/22556/nl

Negen op tien Nederlanders zijn gelukkig

Negen van de tien Nederlanders van twintig jaar en ouder waren in 2009 gelukkig of tevreden met hun leven. Dat blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Het persoonlijk geluk onder Nederlanders is volgens de onderzoekers al jarenlang redelijk constant. De gelukkigste mensen zijn net getrouwde mensen. In deze groep is 95 procent gelukkig. Na het eerste jaar van het huwelijk daalt het geluksgevoel terug naar dat van de gemiddelde Nederlander.

Gescheiden of weduwe
Mensen die net gescheiden zijn of een partner hebben verloren zijn een stuk minder tevreden. Maar zeven op de tien van deze mensen zegt gelukkig te zijn. Na vijf jaar is de pijn van het verlies gesleten en stijgt het geluk weer. Vrouwen hebben gemiddeld meer tijd nodig om er weer bovenop te komen dan mannen.

Door: Marlies Scheper
Bron: CBS – 05-10-2010

Geloof beïnvloedt agressie jongeren niet

In het Parool van 29 oktober 2010 was de volgende bijdrage te lezen:
“Bij Europese jongeren is niet religie debet aan gewelddadig gedrag, maar zijn sociale uitsluiting en discriminatie juist de drijvende krachten achter agressiviteit. Dat blijkt uit een onderzoek van het Europees Agentschap voor de Grondrechten (FRA) dat woensdag in Wenen werd gepresenteerd.
Aan het onderzoek namen drieduizend jongeren van 12 tot 18 jaar uit Frankrijk, Spanje, Groot-Brittannië en Noord-Ierland deel. Volgens Morten Kjaerum, directeur van het FRA, gaven moslimjongeren vaker dan niet-moslims aan gediscrimineerd of buitengesloten te worden en vergroot dat hun bereidheid geweld te gebruiken. ”Als je geweldsoorzaken wil aanpakken, is het belangrijk dat kinderen niet aan discriminatie of geweld ten prooi vallen”, aldus Kjaerum.

Vooral moslimjongeren uit Frankrijk en Spanje gaven aan discriminatie te ervaren. (ANP)”

Werken aan een vakleerplan levensbeschouwing

Michiel van Veen, eerst werkzaam op het Theresialyceum te Tilburg en met ingang van het huidige schooljaar docent levensbeschouwing aan het Odulphuslyceum eveneens in Tilburg heeft zich tijdens zijn studie aan de Christelijke Hogeschool te Ede ten doel gesteld een vakleerplan als afstudeeropdracht te schrijven. Zijn motivatie: “De keuze om een vakleerplan als afstudeeropdracht te schrijven lag voor de hand nadat het Theresialyceum had gekozen om het vak levensbeschouwing aan te bieden als examenvak binnen het combinatiecijfer. Tijdens mijn studie was binnen de lessen godsdienstpedagogiek het boek, “godsdienstpedagogiek van hoop”, van Bert Roebben een inspirerend werk gebleken, dat mij prikkelde verder te kijken dan de dagelijkse lespraktijk. In de voorbereiding op het schrijven van het vakleerplan heb ik samen met mijn collega Ingrid Toemen een consultatiemiddag van de besturenraad bezocht waarin het belang van een gedegen vakleerplan voor godsdienst/levensbeschouwing als examenvak werd toegelicht. Er werd een belangrijke motivatie gelegd onder het vakleerplan. Vervolgens bezocht ik een werkconferentie van de besturenraad op 15 februari 2008 waarin een voorzichtige blauwdruk werd geboden voor een stappenplan, om tot een vakleerplan te komen. Dit gebeurde aan de hand van het curriculumweb van de stichting leerplanontwikkeling. Op een vervolgconferentie op 19 november 2008 werd dit verder uitgewerkt en werd het belang van een gedegen visie en heldere doelstellingen als basis voor de lespraktijk benadrukt.” (pagina 10)

Van Veen begint zijn versie van het vakleerplan met een beschrijving en uitwerking van het zogenaamde curriculumweb, waarin een tiental componenten het mogelijk maken de onderwijspraktijk in kaart te brengen. Wie het curriculumweb nog niet kent, kan in zijn beschrijving een goed overzicht krijgen van de eisen waaraan een verantwoord vakleerplan zou moeten voldoen.

Het tweede deel van zijn vakleerplan voorziet in de beschrijving van de huidige onderwijspraktijk op zijn oude school. Hij geeft een overzicht van de lesinhouden zoals die momenteel aan de orde komen. Aan de hand van de componenten van het curriculumweb wordt de huidige onderwijspraktijk in kaart gebracht.

Van Veen schrijft in zijn inleiding: “Als derde onderdeel heb ik de documentatie en de onderzoeken die ik heb gedaan per component in een apart hoofdstuk samengevat. Deze informatie is te gebruiken als verdiepingsstof en verantwoording bij het vakleerplan. Per component verschilt de informatie die wordt geboden. Soms zijn het samenvattingen van literatuur die de grondslag is onder de onderwijspraktijk. Soms betreft het een beschrijving van eigen analyses van de onderwijspraktijk.
Het vierde onderdeel van het vakleerplan is een zelfevaluatie waarin ik mijn persoonlijke visie geef op verschillende onderdelen van de onderwijspraktijk. Dit document kan een vertrekpunt zijn om binnen de school en de sectie verder te spreken over de kwaliteitsverbetering van het vak levensbeschouwing. Bovendien heb ik hier een aantal onderwerpen verder uitgewerkt die een aanzet kunnen geven voor verdere bespreking en visie ontwikkeling van de sectie levensbeschouwing.”

De uitwerking is een document van ruim 100 pagina’s geworden. Het geheel overziend zou ik zeggen, dat het schrijven van een vakleerplan het nodige vraagt van een sectie levensbeschouwing. De basiselementen dienen gekend te zijn, de informatie betreffende de stand van zaken moet je overal vandaan halen en het vraagt de nodige tijd om alles leesbaar op papier te zetten. In het begin zal menigeen het gevoel hebben: “Waar ben ik mee bezig?” om hopelijk een eind verder te bemerken dat het zinvol en nuttig is een analyse te maken van de onderwijspraktijk van dit moment, om je vervolgens vragen te stellen als: “Is dit wat we echt willen? Hebben we een evenwichtig curriculum gezien van uit de competities die we van leerlingen en docenten vragen? Spoort ons bezig zijn met de nieuwste inzichten in de godsdienstpedagogiek?”

Het document van Van Veen geeft in de eerste 86 pagina’s een overzicht van doelstellingen, materialen, lesinhouden, docentenrol e.d. De laatste 15 pagina’s wijdt hij aan een evaluatie van het vakleerplan, een toekomstvisie op het vak levensbeschouwing en een visie op de rol van de docent. Daar zitten heel wat opmerkingen tussen die binnen een sectie tot kritische gedachtewisseling kan leiden. Wanneer mensen hun ideeën hardop uitspreken of schriftelijk formuleren, kan de uitkomst zijn dat men verder uit elkaar staat dan aanvankelijk gedacht wordt.
Het aanschaffen van een methode en daaruit lesgeven is daarbij een goede manier om kritische vragen naar elkaar te vermijden. De methode is per slot van rekening goed doordacht door de schrijvers en waarom zou je je dan verder drukmaken?

Mijn ideale setting na het lezen van Michiel van Veens proeve is:
• Werk met een groepje verschillende scholen om het analyseinstrument duidelijk te krijgen. Daarbij kan het eerste deel van Van Veen een goed hulpmiddel zijn, maar je moet er zelf ook in duiken om het in je vingers te krijgen.
• Laat iedere sectie een analyse maken van een onderdeel van het curriculumweb om een idee te krijgen van de verscheidenheid van visies en feitelijke situaties op de verschillende scholen. Deze afzonderlijke analyses kunnen de deelnemers inbrengen in de vergaderingen, waar een open gesprek plaats kan vinden over de overeenkomsten en verschillen.
• Met de gesprekken in het achterhoofd en op papier gezet gaat iedere sectie voor de eigen school aan de slag om de eigen situatie qua doelstellingen, lesinhouden en dergelijke opnieuw te doordenken en antwoord te geven op de vraag: “Wat kunnen we leren van wat de anderen ingebracht hebben?”
• Na het gezamenlijke gesprek en het eigen sectiegesprek kan verantwoord invulling gegeven worden aan het vakleerplan met het oog op de toekomst, voortbouwend op wat feitelijk reeds bereikt is.

Er is nog veel werk te doen. Het moet wel gedaan worden. Wie het vakleerplan van Van Veen wil lezen, kan het downloaden via http://www.uitgeverijwvdoever.nl/download/vakleerplan.pdf . [omvang van het bestand is 1,3 mb] Wie contact met Michiel van Veen wil opnemen: m.v.veen1@gmail.com.