Categoriearchief: wetenschap

Tien blunders van geniale wetenschappers

Wetenschap moeten we bloedserieus nemen, daar ben ik van overtuigd. Dat sommige wetenschappers zich wel erg bloedserieus nemen en weinig oog hebben voor andere vormen van waarheid zoeken is in de vorige bijdragen wel duidelijk geworden. Het kan nooit kwaad om aan die bloedserieusheid, die we ook bij leerlingen aantreffen als een vorm van eerstetaalarrogantie, wat te knagen. Niet om de poten onder de stoel van de wetenschappers uit te halen, maar om hen opmerkzaam te maken op gepaste bescheidenheid waar het om menselijk handelen gaat. Mijn onvolprezen lijstenfabriek ‘Listverse’ heeft bij monde van Radu Alexander een mooie lijst van tien wetenschappelijke blunders van geniale mensen geproduceerd. Daar komen mensen in voor als Tesla, Edison, Einstein,  Hoyle, Franklin, Hubble, Pauling, Darwin, Galileo en Newton zelfs. Goed lezen en op het gepaste moment in de strijd werpen.

http://listverse.com/2014/07/30/10-scientific-blunders-of-genius-minds/

 

179062209-e1406368796835
Albert_Einstein_1947
West_-_Benjamin_Franklin_Drawing_Electricity_from_the_Sky_ca_1816

Mikhail Katsnelson

Een heel ander geluid dan dat van de boze biologen is te horen van de Russische wetenschapper Mikhail Katsnelson. Hij is door Elma Drayer voor Trouw geïnterviewd en heeft de volgende mooie citaten:

Hij geldt als een van de knapste fysici van deze tijd, en is behalve dichter ook belijdend christen. Zelf vindt de Nijmeegse hoogleraar Mikhail Katsnelson, geboren in de toenmalige Sovjet-Unie, dat geen contradictie. ‘Ik verzet me tegen de gedachte dat de wetenschap onze enige bron van kennis zou zijn.’

Nee, zegt hij, hij gelooft niet dat de natuurwetenschap op een dag alle raadselen zal oplossen. “Als je de kranten moet geloven is de wetenschappelijke vooruitgang enorm. Dat komt ook door de slechte gewoonte van mijn collega’s om publiekelijk wel te vertellen over hun successen en niet over hun falen. Omdat ik géén buitenstaander ben, weet ik hoe extreem moeilijk wetenschap in werkelijkheid is. Je kunt alleen volkomen zeker zijn over enkele zeer eenvoudige systemen. Ik ben sowieso heel sceptisch over wetenschappelijke vooruitgang.”

(….)

Menigeen denkt dat religie en natuurwetenschap niet samengaan.

“Waarom niet? De wereldbeschouwing van de Sovjet-Unie was gebaseerd op wetenschap. Alles wat je niet wetenschappelijk kon aantonen was onwaar of niet belangrijk. Als je deze visie nog steeds aanhangt, dan kan natuurwetenschap inderdaad niet samengaan met religie. Maar zo heb ik er nooit tegenaan gekeken. Ik ben een praktisch mens, in de zin dat ik iets nodig had om mijn mystieke ervaring te ordenen en te kanaliseren. De natuurwetenschap kon me daar niet bij helpen, de christelijke traditie wel. Nu kon ik bidden, rituelen volgen, een bijbels onderscheid maken tussen kwade en goede entiteiten. Als ik me daartoe niet had gewend, was ik vermoedelijk gek geworden.”

Natuurwetenschap en religie, vindt Katsnelson, spelen zich af ‘op twee totaal verschillende’ niveaus. “Ik verzet me tegen de gedachte dat wetenschap onze enige bron van kennis zou zijn. Als ik wil begrijpen wat magnetisme is dan kan ik dat niet vinden in de Bijbel. Omgekeerd is de menselijke psyche veel te gecompliceerd voor de wetenschappelijke benadering. Ik betwijfel sowieso of je daarover ook maar iets wetenschappelijk betrouwbaars kunt beweren. Religie biedt wél antwoorden. Religie gáát over de ziel, over de mens, over zijn plaats in de wereld. Mijn geloof vertelt me hoe ik mijn vrienden en mijn vijanden moet behandelen. Vanuit mijn geloof kan ik uitleggen waarom eerlijkheid goed is, en bedrog slecht. In al dat soort zaken heb ik niets aan de wetenschap.”

Wetenschap helpt u niet bij de moraal, bedoelt u?

“Om een probleem wetenschappelijk op te lossen moet je diep nadenken, je moet lezen wat andere mensen erover hebben geschreven, jaren onderzoek doen. Als je moet kiezen tussen goed en kwaad heb je daar geen tijd voor. Dan moet je meteen beslissen.”

Stel, zegt Katsnelson, iemand heeft je iets aangedaan en je komt hem tegen. “Moet je hem de hand schudden? Omhelzen? Moet je hem zeggen op te hoepelen? Moet je hem doden? Ik kan niet dertig jaar van mijn leven besteden aan uitzoeken wat het juiste is. Ik heb iets anders nodig, en wel onmiddellijk. Weet u, als de wetenschap zou beweren dat ik mijn vijanden moet doden terwijl mijn religie dat verbiedt, dan zou dat een contradictie zijn. Maar mijn wetenschap zegt daar niets over. Dus hoe kun je volhouden dat wij alles in de werkelijkheid wetenschappelijk moeten benaderen?”

Arrogante wetenschap

Michiel Bussink schrijft in de Genoeg, herfst 2014 over rellen in de wetenschap:

“In 2013 ontstond er een enorme rel over de promotie van Joris van Rossum aan de Vrije Universiteit. Deze bioloog stelde dat het moeilijk is om seksuele voortplanting te begrijpen aan de hand van Darwins evolutietheorie. Vier biologen van de universiteiten van Utrecht en Wageningen reageerden woedend en in hun kielzog wetenschapsjournalisten als Marcel Hulspas.

Ze diskwalificeerden het proefschrift – Van Rossum had niet mogen promoveren – en tegelijk de hele Vrije Universiteit.  Voor hoogleraar wiskunde Ronald Meester, een van de promotoren van Van Rossum, was dit, én een soortgelijk geval in de VS, aanleiding om het boek ‘Arrogant’ te schrijven.

Hij verbaast zich er allereerst over dat de reacties op het proefschrift zo enorm agressief waren, terwijl Van Rossum niet eens de evolutietheorie ter discussie stelde. “De wetenschap zelf leek op het spel te staan,” schrijft hij. Volgens Meester komt het incident voor uit het dominante idee dat de wetenschap in principe antwoord kan geven op alle vragen. Dat idee is volgens hem arrogant én spijtig. “De roep om voor alles wetenschappelijk bewijs aan te leveren bedreigt de waarde en betekenis van wijsheid”.

Een overmatig beroep op de rede en wetenschap leidt volgens hem tot zingevingsproblemen. De meest essentiële levensvragen zijn nu eenmaal niet alleen met behulp van de rationaliteit te beantwoorden of misschien zelfs helemaal niet te beantwoorden.

Meester noemt zichzelf ‘niet ongelovig, maar geen anti-wetenschapper.” Dat laatste mag je verwachten van een hoogleraar wiskunde. Met des te meer gezag kan hij dan ook zeggen waar veel wetenschappers niet aan willen: “De wereld is ten diepste onbegrijpelijk.”

Ronald Meester, Arrogant, waarom wetenschappers vaak minder weten dan ze denken, ten Have, € 14,99

Wie kennis wil nemen van een kritische reactie op het boek van Meester, kan het artikel van Riemersma op http://www.geloofenwetenschap.nl/index.php/boeken/item/470-meester-ronald-arrogant-2014.html lezen.

Godsdeeltje

Het kan bijna niet anders, of in de hogere klassen met veel betaleerlingen kan de vraag naar het zogenaamde ‘godsdeeltje’ nar voren komen. Mijn beperkte natuurkundige kennis belet me om het ook maar enigszins te begrijpen, maar ik kan me voorstellen dat docenten levensbeschouwing toch graag weten waar de klok en de klepel precies hangen. Over het Higgsdeeltje en de naam ‘godsdeeltje’ schrijft de Nederlandse wikipedia:

“De bijnaam van het higgsboson is ‘Godsdeeltje’, in het Engels God particle. Deze naam zou volgens onderzoekers voor het eerst gebruikt zijn in 1993. De natuurwetenschapper en nobelprijswinnaaar Leon Lederman schreef een boek over het deeltje, getiteld The God Particle: If the Universe is the Answer, What is the Question?. Lederman zou tegen een aantal vrienden gezegd hebben, dat hij zijn boek The Goddamned Particle had willen noemen, om zo uiting te geven aan de frustraties over het niet kunnen vinden van het deeltje. Zijn uitgever zou die titel niet hebben geaccepteerd, mogelijk omdat het kwetsend voor gelovigen zou kunnen zijn. Hij zou de uiteindelijke titel hebben voorgesteld.
‘Lederman heeft een hoop uit te leggen’, zei de Britse wetenschapper Peter Higgs, die in de jaren zestig het bestaan van het veelbesproken deeltje voorstelde.
James Gillies, woordvoerder van het CERN, was meer vergevingsgezind ten aanzien van de bijnaam. ‘Het deeltje heeft natuurlijk niets met God te maken’, verklaarde hij. ‘Maar ik begrijp waarom mensen het zo noemen. Het higgsboson is cruciaal om de natuur te begrijpen.’ ”
Wie zich in deze materie op een onderhoudende manier wil verdiepen kan een mooie animatie vinden op http://www.phdcomics.com/higgs/

Wij lijken echt niet op apen

Regelmatig terugkerend thema in de lessen is de vergelijking die leerlingen maar al te gemakkelijk maken met de dierenwereld. Met name apen zijn daarbij geliefde voorbeelden. Mijn categorische afwijzing om mensen en chimpansees ook maar in de verte met elkaar in verband te brengen wordt ondersteund door een artikel in Trouw “Wij lijken echt niet op apen” van 12 mei 2012 van de hand van Marco Visscher, hoofdredacteur van Ode.

Het artikel is te lezen op de webstek van Trouw. Downloaden gaat tegenwoordig wat moeilijker, maar het is het proberen waard. Enkele citaten wil ik u niet onthouden:

“En wat die overeenkomsten in onze genetische code betreft: inderdaad, 98 procent is nogal wat. Maar we delen ook 60 procent van ons DNA met goudvissen en 50 procent met fruitvliegjes en bananen. Moeten we die dan ook beschouwen als halfmensen?

Ik denk dat we onszelf een fundamentele vraag moeten stellen. Is er niet iets geks aan de hand als we ons vergapen aan al die suggesties waaruit zou blijken hoezeer we gelijk zijn aan apen? Het lijkt zo onschuldig, maar misschien is de voortdurende neiging om mensen en chimpansees op één lijn te stellen een teken dat we niet meer precies weten wat het betekent om mens te zijn.
Ik heb niets tegen mensapen – mijn beste vrienden stammen ervan af – maar de opwaardering van al die chimpansees en bonobo’s zou wel eens een signaal kunnen zijn dat we de mensheid eigenlijk beu zijn. Zo’n wankelend mensbeeld is volgens mij een slechte voorbode. Daarmee brengen we het geloof in verandering en vooruitgang eveneens in gevaar.
(…)

Sinds onze verre voorouders zich hebben afgescheiden, is het leven van de mens zozeer veranderd dat we zelfs de holbewoners van enkele tienduizenden jaren geleden nauwelijks herkennen als onze evolutionaire voorganger. Sterker, in de afgelopen tien jaar is in alleen al de wijze waarop mensen met elkaar communiceren méér veranderd dan in hoe apen zich hebben ontwikkeld in zes miljoen jaar evolutie. Dat neem ik die apen niet kwalijk, maar het is niet bepaald een argument om onze onderlinge verschillen binnenkort maar op te doeken. Zelfs lieden als De Waal – die voor de financiering van hun werk natuurlijk gebaat zijn bij het idee dat apen de sleutel hebben tot diepgravende kennis over menselijk gedrag – zouden toch moeten toegeven dat apen er niet in zijn geslaagd hun levenskwaliteit ook maar een beetje te verbeteren. De evolutie van de mensaap heeft geleid tot enkele tientallen gedocumenteerde voorbeelden van het gebruik van gereedschap, communicatie en vlooirituelen. Maar om daarom te zeggen dat apen en mensen hetzelfde zijn geprogrammeerd – alsof er geen immens verschil in culturele overdracht bestaat – is in de woorden van Helene Guldberg, auteur van ‘Just another ape?’, alsof je geen verschil ziet tussen een gletsjer en een auto: “Beide bewegen van A naar B, zij het de een heel wat langzamer dan de andere.” “

Is de hel exothermisch of endothermisch?

Bonusvraag aan het eind van een proefwerk:
Is de hel endothermisch (staat warmte af) of endothermisch (neemt warmte op)?

Antwoord van student:
Allereerst moeten we weten in welke mate de massa van de hel in de loop der tijd toeneemt of afneemt. Toename gebeurt doordat er zielen naar de hel gaan en afname doordat ze eruit komen. Ik denk dat we er met enige zekerheid vanuit kunnen gaan dat, als een ziel eenmaal in de hel terecht gekomen is, deze er nooit meer uitkomt.
Nu gaat het er dus om te achterhalen hoeveel zielen er naar de hel gaan. Daarvoor moeten we te rade bij de godsdiensten die hierover gaan. De meeste religies beweren dat je in ieder geval naar de hel gaat als je geen lid bent van hun godsdienst. Omdat er meer dan één godsdienst is en omdat niemand lid is van meerdere godsdiensten, kunnen we dus concluderen dat alle zielen naar de hel gaan. Op basis van geboorte en sterftecijfers kunnen we vervolgens berekenen dat het aantal zielen exponentieel toeneemt.
Nu kunnen we de mate waarin het volume van de hel toeneemt of afneemt bestuderen. Dat kan met de wet van Boyle; de temperatuur en druk van een gas daalt wanneer het volume toeneemt en stijgt wanneer het volume kleiner wordt. Volgens deze wet zal het volume van de hel bijvoorbeeld sterk moeten toenemen als je de druk en de temperatuur gelijk wilt houden bij het toevoegen van aanzienlijke hoeveelheden zielen.

De volgende mogelijkheden dienen zich nu aan:
1. Als de hel minder sterk in volume toeneemt terwijl er verhoudingsgewijs meer zielen binnengebracht worden dan zal de druk en de temperatuur zoveel stijgen dat de hel losbarst.
2 . Als de hel echter sterker in volume toeneemt dan de toename van het aantal zielen dan zal de druk en de temperatuur tot het vriespunt dalen.

Het antwoord:
Als we de uitspraak eergisteren van mijn vriendin onderschrijven; “de hel zal bevriezen voordat ik met jou naar bed ga” en als we rekening houden met het feit dat ik vannacht bij haar geslapen heb, dan moet de tweede optie waar zijn; dan is de hel exotherm en al bevroren. Daaruit kun je dan weer het volgende concluderen dat het geen zielen meer zal toelaten en helemaal zal verdwijnen. Dan blijft er dus alleen maar een hemel over. Dat bewijst bovendien dat er een God bestaat. Wat op zijn beurt weer verklaart waarom mijn vriendin vannacht steeds maar weer schreeuwde: “Oh mijn God.”

Deze student kreeg een 10

De niet zo donkere middeleeuwen

Elke keer weer – als ik het over de verlichting als levensbeschouwelijke stroming heb en leerlingen nadenken over de naam ervan, komen we uit op de arrogante aanname van de heren verlichters dat zij het licht gezien hebben tegenover de mensen die nog in de duisternis van de middeleeuwen leefden.

Daarom is het niet verkeerd eens te lezen wat de donkere middeleeuwen al voortgebracht hadden, waarop de latere verlichters verder konden bouwen. Zonder een aantal wezenlijke ontdekkingen in de middeleeuwen zouden de verlichters het nakijken gehad hebben.

Een lijst van tien serieuze ontdekkingen omvat de zware ploeg, de getijdemolen, zandloper, blaasbalg, likeur, brilglazen, mechanische klok, het spinnewiel, quarantaine van bepaalde zieken en de drukpers van Gutenberg.

Wie meer over deze uitvindingen wil lezen kan terecht bij:
http://listverse.com/2007/09/22/top-10-inventions-of-the-middle-ages/

Kind moet leren omgaan met eigen fouten

„Jongeren hebben vooral onvoorwaardelijke steun van volwassenen nodig om hen te helpen een reëel beeld van zichzelf te krijgen.”

Jongeren zijn narcistischer dan ouderen, zo blijkt uit onderzoek van de Volkskrant en de NCRV (RD van 13 november). Het is goed als volwassenen de uitkomst van dit onderzoek ter harte nemen, vindt mw. drs. J. A. Engelfriet-Kok.

Jongeren hebben een hoge mate van eigenliefde en zelfwaardering, zo blijkt uit het onderzoek van de Volkskrant en de NCRV. Kenmerkend in het onderzoek is dat een relatief groot deel van de jongeren zichzelf „heel speciaal” vindt. Verder vindt de jeugd zichzelf te verwend. Jongeren worden te veel aangemoedigd zich goed te voelen over zichzelf en zouden mede daardoor te weinig rekening houden met anderen.

In de conclusie wordt genoemd dat narcisme lang niet altijd ongunstig uitpakt. Er is sprake van dat mensen met narcistische trekken meer initiatief tonen en meer doorzettingsvermogen en positieve zelfwaardering hebben.

Het onderzoek en de interpretaties daarvan roepen vragen op. Voor een deel heeft dat te maken met het gebruik van de termen narcisme en positieve zelfwaardering. Het is verwarrend dat deze termen door elkaar worden gebruikt.

Narcisme is een persoonlijkheidstrek waarbij sprake is van ongezonde positieve zelfwaardering. Jongeren met een ongezonde positieve zelfwaardering hebben een opgeblazen gevoel van eigenwaarde. Het is niet voldoende om goed genoeg te zijn, je moet beter zijn dan anderen. Succes wordt sterk benadrukt en falen wordt geminimaliseerd of ontkend.

Jongeren met een gezonde positieve zelfwaardering daarentegen hebben meer intrinsieke motivatie. Ze streven naar positieve resultaten, niet in eerste instantie omdat dat nodig is voor hun zelfbeeld, maar omdat ze er plezier aan beleven iets goed te kunnen. Ze verdragen het wanneer ze falen en kunnen kritiek gebruiken om ervan te leren. Dit maakt hen minder kwetsbaar dan jongeren met een ongezonde positieve zelfwaardering.

Dat jongeren tussen de 16 en de 24 narcistischer zijn dan ouderen, is voorspelbaar. In de ontwikkelingspsychologie kennen we twee fasen waarin het kind meer op zichzelf is gericht dan in andere levensfasen. Dat zijn de eerste levensjaren, waarin het kind zichzelf als middelpunt van de wereld beleeft, en de periode van de puberteit, waarin de jongere vooral bezig is te ontdekken wie hij zelf is, alvorens zich evenwichtig tot anderen te kunnen verhouden.

Dat jongeren zelf zeggen dat ze te veel worden aangemoedigd zich goed te voelen en te veel worden verwend, relativeert de uitkomst over hun narcisme en ongezonde positieve zelfwaardering. Dit neemt echter niet weg dat het goed is de tendens die in het onderzoek beschreven wordt serieus te nemen: namelijk dat het aantal jongeren met een ongezonde positieve zelfwaardering toeneemt.

Ik denk dat er verband bestaat tussen deze toename en de eenzijdige nadruk die vaak wordt gelegd in opvoeding, onderwijs en hulpverlening op een vorm van zelfwaardering waarbij het belangrijkste is dat je positief denkt over jezelf.

Een positief zelfgevoel heeft alleen waarde wanneer het geworteld is in de realiteit. En de realiteit is dat we leven in een gebroken wereld, een wereld die soms hard is en waarin eisen worden gesteld. Opvoeders hebben de verantwoordelijkheid om kinderen te leren met hun mogelijkheden en beperkingen in die maatschappij een plek te vinden.

In het onderzoek wordt gesteld dat jongeren te veel worden verwend. Verwenning is een vorm van verwaarlozing wanneer jongeren alles krijgen wat hun hartje begeert en te horen krijgen dat ze bijzonder zijn, maar ondertussen niet leren om te gaan met hun beperkingen en met negatieve reacties.

Jongeren hebben vooral onvoorwaardelijke steun van volwassenen nodig om hen te helpen een reëel beeld van zichzelf te krijgen. Opvoeders, leerkrachten en hulpverleners helpen pas echt wanneer ze jongeren prijzen en aanmoedigen in wat ze kunnen, confronteren met wat ze niet goed doen en hen vooral ook leren met beperkingen en fouten om te gaan. Dat vraagt inzet, tijd en soms ook zelfopoffering.

Het is daarom goed wanneer we, met name als volwassenen, de uitkomsten van dit onderzoek ter harte nemen.

De auteur is klinisch psycholoog-psychotherapeut bij Eleos en in een eigen praktijk.

Reformatorisch Dagblad 24-11-2008

Milgrams experiment herhaald

Een omstreden wetenschappelijk onderzoek, waarbij proefpersonen wordt opgedragen anderen pijn te doen, is na vijfenveertig jaar opnieuw uitgevoerd. In 1963 veroorzaakte de zogeheten Milgram-test voor veel opschudding, omdat het aantoonde dat de meeste mensen in staat zijn tot het martelen van anderen. Psycholoog Stanley Milgram wilde weten of en wanneer mensen in opstand komen tegen autoriteiten als die hen vragen immorele dingen te doen. Vrijwilligers werd gezegd dat de test draaide om de relatie tussen pijn en leren: bevordert het geven van pijnprikkels het leerproces? De proefpersonen moesten een andere vrijwilliger – gespeeld door een acteur – stroomstoten geven als die een fout antwoord gaf. Het voltage werd bovendien verhoogd na elk fout antwoord. Ook wanneer het ‘slachtoffer’ – die uiteraard helemaal geen stroomstoten kreeg toegediend – begon te gillen van de pijn, bleef acht van de tien vrijwilligers het voltage verhogen. Amerikaanse onderzoekers van de universiteit van Santa Clara voerden de test opnieuw uit. Ze waren benieuwd of mensen nu, vijfenveertig jaar later, minder gezagsgetrouw zijn. Maar opnieuw blijkt een ruime meerderheid van de proefpersonen bereid een ander flink te martelen, als dat wordt opgedragen. Van de 41 vrijwilligers bleven 29 doorgaan met het toebrengen van stroomstoten – zelfs nadat een derde persoon de kamer binnenkwam, en de marteling aan de kaak begon te stellen. Doctor Jerry Burger zegt tegen het Britse persbureau Reuters dat het bizarre experiment niets zegt over de ‘goedheid’ van de vrijwilligers. Het bewijst eerder dat iedereen onder druk in staat is tot ‘verontrustende dingen’.

29-12-08 – © Elsevier

Studiebijbel

Eind oktober is de nieuwe Studiebijbel van de NBV verschenen. Het is een kloek gebonden boek van ruim 2200 pagina’s geworden. De vormgevers hebben voor een leesbare en prettig ogende lay-out zorggedragen. Op alle mogelijke manieren wordt de lezer die meer wil weten tegemoetgekomen. Onder aan de pagina tref je informatieve noten aan, verwijzingen naar relevante andere bijbelpassages vind je in de linker- en rechtermarge. Elk bijbelboek is voorzien van een uitgebreide inleiding. Door heel het boek heen staan 150 verhelderende kaderartikelen, die een beter licht werpen op bepaalde bijbelse zaken. Deze kaderartikelen van een pagina gaan over de geschiedenis [Perzië bijvoorbeeld], dagelijks leven [wie kent alle ins en outs van het zwagerhuwelijk?], godsdienstig leven [lampenstandaard ofwel menora]. Apart aandacht wordt besteed aan belangrijke vrouwen en mannen. De werkelijkheid van de bijbel krijgt mede reliëf door het gebruik van foto’s, kaarten en een duidelijke tijdlijn. Consequent hanteert deze Studiebijbel als godsnaam JHWH in het Oude Testament; in het Nieuwe Testament komen we God weer tegen.

Op vier plaatsen kom je kleurenkaterns tegen, volgens mij een unicum in de geschiedenis van bijbeluitgaven. Het eerste katern gaat over landschap en klimaat van Palestina en het Nabije Oosten, katern 3 en 3 laten de historische en bijbelse achtergronden zien van de wereld waarin het boek tot stand kwam en katern 4 informeert over archeologie en bijbel en bevat een uitgebreide tijdslijnm waarin de geschiedenis van het Nabije Oosten, Palestina en de Bijbel keurig naast elkaar gerangschikt zijn.

Een aanwinst voor iedere (school)bibliotheek. Prijs is € 79,00.

Veelgestelde vragen over suïcide

What should you do if someone tells you they are thinking about suicide?
If someone tells you they are thinking about suicide, you should take their distress seriously, listen nonjudgmentally, and help them get to a professional for evaluation and treatment. People consider suicide when they are hopeless and unable to see alternative solutions to problems.? Suicidal behavior is most often related to a mental disorder (depression) or to alcohol or other substance abuse. Suicidal behavior is also more likely to occur when people experience stressful events (major losses, incarceration). If someone is in imminent danger of harming himself or herself, do not leave the person alone. You may need to take emergency steps to get help, such as calling 911. When someone is in a suicidal crisis, it is important to limit access to firearms or other lethal means?of committing suicide.

What are the most common methods of suicide?
Firearms are the most commonly used method of suicide for men and women, accounting for 60 percent of all suicides. Nearly 80 percent of all firearm suicides are committed by white males. The second most common method for men is hanging; for women, the second most common method is self-poisoning including drug overdose. The presence of a firearm in the home has been found to be an independent, additional risk factor for suicide. Thus, when a family member or health care provider is faced with?an individual at risk for suicide, they should make sure that firearms are removed from the home.??

Why do men commit suicide more often than women do?     
More than four times as many men as women die by suicide; but women attempt suicide more often during their lives than do men, and women report higher rates of depression. Several explanations have been offered: a) Completed suicide is associated with aggressive behavior that is more common in men, and which may in turn be related to some of the? biological differences identified in suicidality. b) Men and women use different suicide methods. Women in all countries are more likely to ingest poisons than men. In countries where the poisons are highly lethal and/or where treatment resources scarce, rescue is rare and hence female suicides outnumber males. More research is needed on the social-cultural factors that may protect women from completing suicide, and how to encourage men to recognize and seek treatment for their distress, instead of resorting to suicide.

Who is at highest risk for suicide in the U.S.?
There is a common perception that suicide rates are highest among the young. However, it is the elderly, particularly older white males that have the highest rates. And among white males 65 and older, risk goes up with age. White men 85 and older have a suicide rate that is six times that of the overall national rate.

Why are rates so high for this group?
White males are more deliberate in their suicide intentions; they use more lethal methods (firearms), and are less likely to talk about their plans.? It may also be that older persons are less likely to survive attempts because they are less likely to recuperate. Over 70 percent of older suicide victims have been to their primary care physician within the month of their death, many with a depressive illness that was not detected. ?This has led to research efforts to determine how to best improve? physicians’ abilities to detect and treat depression in older adults.

Do school-based suicide awareness programs prevent youth suicide?
Despite good intentions and extensive efforts to develop suicide awareness and prevention programs for youth in schools, few programs have been evaluated to see if they work. Many of these programs are designed to reduce the stigma of talking about suicide and encourage distressed youth to seek help. Of the programs that were evaluated, none has proven to be ?effective. In fact, some programs have had unintended negative effects by making at-risk youth more distressed and less likely to seek help. By describing suicide and its risk factors, some curricula may have the unintended effect of suggesting that suicide is an option for many young people who have some of the risk factors and in that sense “normalize” it—just the opposite message intended. Prevention efforts must be carefully planned, implemented and scientifically tested. Because of the? tremendous effort and cost involved in starting and maintaining programs, we should be certain that they are safe and effective before they are further used or promoted.?? There are number of prevention approaches that are less likely to have negative effects, and have broader positive outcomes in addition to reducing suicide. One approach is to promote overall mental health among school-aged children by reducing early risk factors for depression, substance abuse and aggressive behaviors. In addition to the potential for saving lives, many more youth benefit from overall enhancement of academic performance and reduction in peer and family conflict. A second? approach is to detect youth most likely to be suicidal by confidentially screening for depression, substance abuse, and suicidal ideation. If a youth reports any of these, further evaluation of the youth takes place by professionals, followed by referral for treatment as needed. Adequate treatment of mental disorder among youth, whether they are suicidal or not, has important academic, peer and family relationship benefits.??Are gay and lesbian youth at high risk for suicide???With regard to completed suicide, there are no national statistics for suicide rates among gay, lesbian or bisexual (GLB) persons. Sexual orientation is not a question on the death certificate, and to determine whether rates are higher for GLB persons, we would need to know the proportion of the U.S. population that considers themselves gay, lesbian or bisexual. Sexual orientation is a personal characteristic that people can, and often do choose to hide, so that in psychological autopsy studies of suicide victims where risk factors are examined, it is difficult to know for certain the victim’s sexual orientation. This is particularly a problem when considering GLB youth who may be less certain of their sexual?orientation and less open. In the few studies examining risk factors for suicide where sexual orientation was assessed, the risk for gay or lesbian persons did not appear any greater than among heterosexuals, once mental and substance abuse disorders were taken into account.??With regard to suicide attempts, several state and national studies have reported that high school students who report to be homosexually and bisexually active have higher rates of suicide thoughts and attempts in the past year compared to youth with heterosexual experience. Experts have not been in complete agreement about the best way to measure reports?of adolescent suicide attempts, or sexual orientation, so the data are subject to question. But they do agree that efforts should focus on how to help GLB youth grow up to be healthy and successful despite the obstacles that they face. Because school based suicide awareness programs have not proven effective for youth in general, and in some cases have caused increased distress in vulnerable youth, they are not likely to be helpful for GLB youth either. Because young people should not be exposed ?to programs that do not work, and certainly not to programs that increase risk, more research is needed to develop safe and effective programs.

Are African American youth at great risk for suicide?
Historically, African Americans have had much lower rates of suicides compared to white Americans. However, beginning in the 1980s, the rates for African American male youth began to rise at a much faster rate than their white counterparts. The most recent trends suggest a decrease in suicide across all gender and racial groups, but health policy experts remain concerned about the increase in suicide by firearms for all young males. Whether African American male youth are more likely to engage in “victim-precipitated homicide” by deliberately getting in the line of fire of either gang or law enforcement activity, remains an important research question, as such deaths are not typically classified as suicides.

Is suicide related to impulsiveness?
Impulsiveness is the tendency to act without thinking through a plan or its consequences. It is a symptom of a number of mental disorders, and therefore, it has been linked to suicidal behavior usually through its association with mental disorders and/or substance abuse. The mental disorders with impulsiveness most linked to suicide include borderline personality disorder among young females, conduct disorder among young males and antisocial behavior in adult males, and alcohol and substance ?abuse among young and middle-aged males. Impulsiveness appears to have a lesser role in older adult suicides. Attention deficit hyperactivity disorder that has impulsiveness as a characteristic is not a strong risk factor for suicide by itself. Impulsiveness has been linked with aggressive and violent behaviors including homicide and suicide. However, impulsiveness without aggression or violence present has also been found? to contribute to risk for suicide.

Is there such a thing as “rational” suicide?
Some right-to-die advocacy groups promote the idea that suicide, including assisted suicide, can be a rational decision. Others have argued that suicide is never a rational decision and that it is the result of depression, anxiety and fear of being dependent or a burden. Surveys of terminally ill persons indicate that very few consider taking their own life, and when they do, it is in the context of depression. Attitude surveys suggest that assisted suicide is more acceptable by the public and health providers for the old who are ill or disabled, compared to the young who are ill or disabled. At this time, there is limited research on the frequency with which persons with terminal illness have depression and suicidal ideation, whether they would consider assisted suicide, the characteristics of such persons, and the context of their depression and suicidal thoughts, such as family stress, or availability of palliative care. Neither is it yet clear what effect other factors such as the availability of social support, access to care, and pain relief may have on end-of-life preferences. This public debate will be better informed after such research is conducted.??What biological factors increase risk for suicide? ??Researchers believe that both depression and suicidal behavior can be linked to decreased serotonin in the brain. Low levels of a serotonin metabolite, 5-HIAA, have been detected in cerebral spinal fluid in persons who have attempted suicide, as well as by postmortem studies examining certain brain regions of suicide victims. One of the goals of understanding the biology of suicidal behavior is to improve treatments. ?Scientists have learned that serotonin receptors in the brain increase their activity in persons with major depression and suicidality, which explains why medications that desensitize or down-regulate these receptors (such as the serotonin reuptake inhibitors, or SSRIs) have been found effective in treating depression. Currently, studies are underway to examine to what extent medications like SSRIs can reduce suicidal behavior.

Can the risk for suicide be inherited?
There is growing evidence that familial and genetic factors contribute to the risk for suicidal behavior. Major psychiatric illnesses, including bipolar disorder, major depression, schizophrenia, alcoholism and substance abuse, and certain personality disorders, which run in families, increase the risk for suicidal behavior. This does not mean that suicidal behavior is inevitable for individuals with this family history; it simply means that such persons may be more vulnerable and should take steps to reduce their risk, such as getting evaluation and treatment at the first sign of mental illness.

Does alcohol and other drug abuse increase the risk for suicide?
A number of recent national surveys have helped shed light on the relationship between alcohol and other drug use and suicidal behavior. A review of minimum-age drinking laws and suicides among youths age 18 to 20 found that lower minimum-age drinking laws was associated with higher youth suicide rates. In a large study following adults who drink alcohol, suicide ideation was reported among persons with depression. In another survey, persons who reported that they had made a suicide attempt during their lifetime were more likely to have had a depressive disorder, and many also had an alcohol and/or substance abuse disorder. In a study of all nontraffic injury deaths associated with alcohol intoxication, over 20 percent were suicides.??In studies that examine risk factors among people who have completed suicide, substance use and abuse occurs more frequently among youth and adults, compared to older persons. For particular groups at risk, such as American Indians and Alaskan Natives, depression and alcohol use and abuse are the most common risk factors for completed suicide. Alcohol and substance abuse problems contribute to suicidal behavior in several ways.? Persons who are dependent on substances often have a number of other risk factors for suicide. In addition to being depressed, they are also likely to have social and financial problems. Substance use and abuse can be common among persons prone to be impulsive, and among persons who engage in many types of high risk behaviors that result in self-harm.?Fortunately, there are a number of effective prevention efforts that reduce risk for substance abuse in youth, and there are effective treatments for alcohol and substance use problems. Researchers are currently testing treatments specifically for persons with substance abuse problems who are also suicidal, or have attempted suicide in the past.

What does “suicide contagion” mean, and what can be done to prevent it?
Suicide contagion is the exposure to suicide or suicidal behaviors within one’s family, one’s peer group, or through media reports of suicide and can result in an increase in suicide and suicidal behaviors. Direct and indirect exposure to suicidal behavior has been shown to precede an increase in suicidal behavior in persons at risk for suicide, especially in adolescents and young adults.??The risk for suicide contagion as a result of media reporting can be minimized by factual and concise media reports of suicide. Reports of suicide should not be repetitive, as prolonged exposure can increase the likelihood of suicide contagion. Suicide is the result of many complex factors; therefore media coverage should not report oversimplified explanations such as recent negative life events or acute stressors.? Reports should not divulge detailed descriptions of the method used to avoid possible duplication. Reports should not glorify the victim and should not imply that suicide was effective in achieving a personal goal such as gaining media attention. In addition, information such as hotlines or emergency contacts should be provided for those at risk for suicide.?? Following exposure to suicide or suicidal behaviors within one’s family or peer group, suicide risk can be minimized by having family members, friends, peers, and colleagues of the victim evaluated by a mental health professional. Persons deemed at risk for suicide should then be referred for additional mental health services.

Is it possible to predict suicide?
At the current time there is no definitive measure to predict suicide or suicidal behavior. Researchers have identified factors that place individuals at higher risk for suicide, but very few persons with these risk factors will actually commit suicide. Risk factors include mental illness, substance abuse, previous suicide attempts, family history of suicide, history of being sexually abused, and impulsive or aggressive tendencies. Suicide is a relatively rare event and it is therefore difficult to predict which persons with these risk factors will ultimately commit suicide.

Het wonderlijke levensbeschouwelijke leven in de USA

Dankzij een aantal RSS-feeds kom ik regelmatig interessante gegevens tegen die je vaak het hoofd doen schudden over de ideeën van de doorsnee Amerikaan. Opvattingen die mij de indruk geven dat de redelijke kritiek van de verlichting, die mijns inziens in Europa bij veel mensen tot een gezuiverde en kritische geloofsbeleving heeft, daar nog steeds moet plaatsvinden.

Eerst de getallen volgens de onderzoekers van het Gallup-instituut: 77 procent van de volwassen Amerikanen identificeren zich met een christelijke levensbeschouwing – 52 % protestant op de een of andere manier, 23 procent katholiek en 2 procent mormoons -, terwijl 16 procent zegt geen religieuze identiteit te hebben en vijf procent identificeert zich met een niet-christelijke religie. Als het gaat om het belang van religie in het dagelijkse leven of het deelnemen aan godsdienstige vieringen, zijn de mormonen de meest religieuze groepering, de joden zijn het minst religieus. Protestanten en moslims zijn iets religieuzer dan de katholieke Amerikanen.

Een onderzoek van LinfeWay in november 2012 onder 1200 volwassenen liet zien dat het percentage Amerikanen dat homoseksualiteit als een zonde ziet gedaald is van 44 naar 37 procent. Met name in de herboren, evangelische of fundamentalistische kringen ziet niet minder dan 73 procent homoseksualiteit als een zonde. 45 procent van de Amerikanen beschouwt homoseksualiteit niet als zodanig. Onder de niet-kerkgangers is dat percentage 73 procent. Onderzoeker Stetzer: “Obama’s eigen wending om het homohuwelijk en andere homorechten in het afgelopen jaar actief te steunen kaan een rol gespeeld hebben in de veranderingen in de publieke opinie.”

Drie op de tien Amerikanen gelooft dat God een rol speelt in het bepalen welk team de wedstrijd wint, maar een meerderheid (53%) gelooft dat God atleten die gelovig zijn met goede gezondheid en succes beloont. 42 procent is het daar niet mee eens.
Van de Amerikanen die in het zuiden wonen gelooft 36 % dat God een rol speelt in de uitkomst van een sportgebeuren, 28 procent van de Amerikanen in het Midwesten, 20 procent van de Amerikanen in het Noordoosten, 15 procent van de Amerikanen in het Westen.
De helft van de Amerikanen keurt het goed dat atleten hun geloof publiekelijk uien door God te danken gedurende of na een sportwedstrijd tegen 4 procent die dat niet ziet zitten.