Categoriearchief: zingeving

Dood voor beginners

Deze informatie ontleen ik aan de webstek van www.reliwerk.nl:

Vanaf zondag 14 september zenden IKON en EO een achtdelige documentaireserie uit over de kunst van het sterven. Want of we nu willen of niet, dood gaan we allemaal. Maar wat weten we eigenlijk van sterven, afscheid nemen, rouwen en het leven na de dood? Zijn we er bang voor of verlangen we ernaar? En kunnen we het leren?

In een tijd waarin we ons hartstochtelijk vastklampen aan het leven, onder het motto: forever young is het adagium memento mori – gedenk te sterven – geen alledaagse levenswijsheid meer. We zijn als de dood voor de dood: carpe diem, pluk de dag. Maar als het onvermijdelijke einde daar is, hebben we dan nog rituelen om te rouwen? Lastige vragen en geen gemakkelijke antwoorden.

Sluit acht weken lang op rituele wijze de zondag af met Dood voor Beginners, uw survival kit op weg naar het einde, voor beginners & gevorderden.

Dood voor Beginners is te zien vanaf zondagavond 14 september om 23.45 uur op NPO 2.

Aflevering 1 – Ik ga niet dood (14 september)

Aflevering 2 – Als de dood

Aflevering 3 – De dood, de dokter en de anderen

Aflevering 4 – Uit het leven gestapt

Aflevering 5 – Het olifantenkerkhof

Aflevering 6 – Rituelen om te rouwen

Aflevering 7 – Aan gene zijde

Aflevering 8 – Memento Mori

Voor meer informatie: ikon.nl/doodvoorbeginners.

 

Zelfmoordcijfer stijgt opnieuw

In de 38 jaar van mijn werkzame leven heb ik in het mij bekende lesmateriaal geen expliciete aandacht gezien voor het feit, dat het leven voor veel mensen elk jaar weer zo zinloos lijkt te zijn dat ze een einde aan hun leven maken. Daarnaast doen vier keer zo veel mensen een poging een einde aan hun leven te maken.
Deze navrante uitkomst op de vraag ‘Is het leven voor mij zinvol’ is voor mij al vele jaren aanleiding geweest om het thema zin, onzin en zelfdoding in het curriculum op te nemen. En tot mijn ontzetting ben ik de enige gebleven, lijkt het wel. Terwijl allerlei onderzoek erop wijst, dat aandacht op een bepaalde manier positief werken kan op de zinloosheidsgevoelens van ook leerlingen, in ieder geval dat het niet aanzet tot het negatieve gedrag, zoals velen vermoeden en waarom zij er niets mee doen.
Bovenstaande opmerkingen moest ik even kwijt naar aanleiding van het volgende krantenbericht, afkomstig van het ANP:

“1647 mensen hebben vorig jaar een einde aan hun leven gemaakt. Het aantal zelfdodingen ligt daarmee 47 hoger dan in 2010, zo blijkt uit dinsdag gepubliceerde cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Het zelfdodingscijfer is voor het vierde opeenvolgende jaar gestegen en was vorig jaar 9,9 per 100.000 mensen. Het aantal zelfmoorden is daarmee op het zelfde niveau als eind jaren ’90 en het begin van deze eeuw.

In verschillende andere landen is net als in Nederland het aantal zelfdodingen sinds 2008, het begin van de financiële crisis, toegenomen. Het CBS kan echter niets zeggen over een mogelijke samenhang.

Mannen plegen vaker zelfmoord dan vrouwen, zeven op de tien mensen die zelfmoord pleegt, is man. Bij zowel mannen als vrouwen die een einde aan zijn of haar leven maakt, is bijna de helft tussen de 40 en 60 jaar. In grotere steden ligt het aantal zelfdodingen ongeveer 30 procent hoger dan in kleinere gemeenten.

De meest gekozen manier om een einde aan het leven te maken is door ophanging. Alleen bij jongeren onder de 20 jaar is voor de trein springen de meest gekozen methode.”

Zingeving is net zo belangrijk als ademhalen

Bij het afscheid van Frank Koerselman als hoogleraar psychiatrie had Edwin Kreulen een interview met hem in Trouw van 1 juni 2012. Daarin doet de psychiater een aantal behartenswaardige uitspraken over zingeving, depressie en psychiatrie die in mijn ogen het belang van ons vak nog eens onderstrepen.

Toen de bovenbouw van de middelbare school veranderd werd in Tweede Fase, verschenen er voor alle vakken dikke brochures, waarin de deskundigen de eindtermen geformuleerd hadden voor hun vak. In een poging om te onderzoeken waar er dwarsverbanden gelegd konden worden tussen het vak levensbeschouwing en andere vakken in de Tweede Fase ben ik een reis langs de eindtermen van de vakken van de Tweede Fase begonnen. Omdat ik er van uit ga dat zingeving en het denken daarover een belangrijk, zo niet het belangrijkste element van ons vak is en ik vermoedde dat een vak als filosofie daar ook mee bezig zou kunnen zijn, heb ik me ook op de eindtermen van filosofie gestort. Groot was mijn verbazing, vervolgens verbijstering, toen ik merkte dat in het hele document van vele tientallen pagina’s het woord zingeving niet voorkwam. Voor mij toentertijd een duidelijk argument waarom levensbeschouwing niet tot filosofie herleid en zeker niet erdoor vervangen kan worden.

In het interview met Koerselman komt zijn visie op zingeving en de bijdrage daaraan aan een goed menselijk leven duidelijk naar voren. Ik neem de volgende citaten graag over:

“Veertig jaar geleden had je in de Duitse psychiatrische literatuur een mooi onderscheid tussen drie niveaus van gevoelens dat helaas vergeten is. Het begint met de vitale gevoelens, die bij iedereen min of meer hetzelfde zijn. Die hebben voornamelijk betrekking op lichamelijke lust en onlust. Dan zijn er de ‘personale’ emoties, die iets zeggen over je eigen geschiedenis, waar je vandaan komt en wat je meemaakt met anderen. Bijvoorbeeld angst voor liefdesverlies, de behoefte om erkend te worden, schuld of schaamte. Maar daarboven zijn er ook nog de existentiële emoties. Op dat niveau neem je afstand, stap je als het ware uit het gevoel van dat moment, ben je er toeschouwer van. Dat is de kern van zowel geluk als lijden.

“Neem de ouder die het altijd maar druk heeft met kinderen en dan ineens naar een kind kijkt en een geluksmoment heeft. Dat plotselinge gevoel: “dit is niet vanzelfsprekend; dit is een wonder.” Dat plaatst de dagelijkse beslommeringen opeens in een groter verband. Geeft er als het ware zin aan. Zo is het ook met met negatieve gevoelens. Pijn is een vitaal gevoel, de angst om anderen tot last te zijn is ‘personaal’. Mensen lijden als ze daar geen zin aan kunnen geven. Het existentiële gevoel dat iets positiefs een geschenk kan zijn heeft als keerzijde dat iets negatiefs een opdracht kan zijn. Dergelijke gevoelens gaan over zingeving. De een staat er gemakkelijker voor open dan de ander.”

“De meeste somberheid ontstaat doordat men geen betekenis kan geven aan het leven dat men leidt. Ik denk dat we daar in de psychiatrie te weinig oog voor hebben gehad. Als ik vraag aan iemand die depressief is, wat hij mist, zie je vaak hoe dat raakt. Zo’n vraag stellen we te weinig.”

“De uitbreiding van de zorgvraag heeft ook te maken met culturele veranderingen. Mensen accepteren het lijden niet meer. Ze kunnen er geen doel aan geven. Vroeger verloor een soldaat zijn been voor het vaderland, dat gaf zin en erkenning. Ik denk niet dat een militair in Afghanistan dat nu zo nog ervaart. Als vroeger een vrouw haar pasgeboren kind verloor, zei de geestelijke ‘dat is Gods wil’. Daarover worden we nu heel boos. Hoe durfde hij dat te zeggen. Was dat dan een straf die deze vrouw had verdiend? Maar wat die geestelijke eigenlijk bedoelde te zeggen was: ‘dit is onderdeel van het grotere geheel.’ Dat kan juist troost geven. Dat hebben we nu niet meer.”

“We menen nu recht te hebben op zo min mogelijk lijden. Het idee dat je leeft ‘for better en for worse’. Je trouwt tegenwoordig alleen ‘for better’ ans het ‘worse’ wordt, ga je scheiden. Je leeft ‘for better’ en als het ‘worse’ wordt, wil je dood. Dat het nu eenmaal zo gelopen is, dat kunnen we maar moeilijk accepteren. Dan word je verbitterd als je niet meer kunt lopen, in plaats van je te verdiepen in de vraag wat de beste rolstoel is.”

“Ik zie dat ook in de psychiatrie: uitzichtloos is het vooral voor mensen die maar niet kunnen accepteren wat hun is aangedaan door een ander of door het lot. Ze voelen zich miskend en zien niet dat ze door die houding situaties oproepen die dat weer bevestigen. Die hang naar slachtofferschap zie ke ook in de cultuur terug. En we beseffen niet – wat ik al eerder zei – dat het leven niet vanzelfsprekend is. Dat het wel een geschenk als een opdracht is.
Dat je wanneer het einde daar is, kunt zeggen: het is volbracht. Dat is overigens wel heel mooi weergegeven in het passieverhaal. Als Jezus zegt “Mijn God, waarom hebt u mij verlaten?” kan hij aan zijn pijn geen enkele zin meer geven. Dat is het echte lijden, veel erger dan de kruisiging zelf. Maar als hij later kan zeggen “Het is volbracht”, dan zijn context en betekenis terug. Dan krijgt het allemaal weer zin. Of je nou gelovig bent of niet, voor mij is de kern dat je het leven ziet als geschenk en je opdracht waard probeert te zijn.”

Coming of Age

Een belangrijk thema, zowel in romans als in films, is het volwassen worden van jongeren. Op velerlei wijzen is dit proces gethematiseerd en in de grote meerderheid van de gevallen is het een verhaal met een positieve uitkomst, zij het meestal na enige strubbelingen die de spanning erin moeten brengen.

Een heel apart verhaal is de roman ‘Staal’ van de jonge Italiaanse schrijfster Silvia Avallone, die in Italië met enkele prijzen ging slepen en een hele tijd op nummer 1 van de bestsellerlijst heeft gestaan. Al is dat zeker geen garantie voor een authentieke roman, ik durf te zeggen, dat ze een fraaie prestatie geleverd heeft en een roman heeft geschreven die je blijft boeien.

Het is het verhaal van Anne en Francesca, twee dertienjarige meisjes, die ontdekken dat hun zich ontwikkelende lichaam hen tot het middelpunt van de kleine wereld van Piombino maakt. Piombino is een stad met een fikse staalindustrie aan de Middelllandse Zee en ligt tegenover Elba. De meeste mensen zijn nog nooit naar Elba geweest, het is het gebied van de toeristen en de rijken; en zij wonen en werken in Piombino in naargeestige woonkazernes, waar de verdovende middelen het leven een stuk veraangenamen. In Dante’s termen: Elba is de hemel, Piombino is op zjn best het vagevuur en op zijn slechtst de hel.

Anna en Francesca zag ik regelmatig in mijn klas en elke docent kent ze: enkele zeer van zichzelf bewuste meiden in ieder geval wat hun lichamelijkheid betreft, die een leidende rol in een klas kunnen spelen, omdat ze het testosteron van de jongens kunnen richten en ze zich de arrogantie aan kunnen meten zich boven andere minder bedeelde meiden te verheffen. In feite zijn het zielige onzekere meiden die de voortdurende bewondering van anderen nodig hebben om te denken dat ze iets betekenen. Narcisme ten top, en als binnen afzienbare tijd de belangstelling van de omgeving naar andere meiden gaat, vallen ze in een diep gat.

In haar roman laat Avallone de sociale achtergrond sterk meewegen. Je bent in Piombino geboren en ook al behoor je tot de top twee van je leeftijd, je zult genadeloos ingehaald worden en je leven op een ander niveau in Piombino slijten dan je op 13-jarige leeftijd gedacht hebt. Het gaat in haar roman over mensen die nergens meer in geloven; het enige wat ze kunnen en doen, is het creëren van een valse wereld door drugs, seks en drank. Alleen de moeder van Anna blijft geloven in het ideaal van de gelijke mens en deelt pamfletten uit op bepaalde plaatsen en tijden. Alle anderen praten over een beter leven, maar laten door een vorm van zelfdestructief gedrag zien, dat ze er diep van binnen niets van geloven.

Het is geen prettige volwassenheid waarin Avallone de beide meiden laat eindigen. Anna wordt verliefd op een oude vriend van haar broer Alessio, heeft er anderhalf jaar een complete seksuele relatie mee, maar raakt wel gedesillusioneerd. Op een leeftijd, waarin je aan alle kanten geestelijk en lichamelijk aan het ontwikkelen bent een leven leiden dat bijna uitsluitend volwassen is, moet wel sporen nalaten in iemand volwassenwording. Francesca en haar moeder worden lens geslagen door haar vader, zij ontdekt haar lesbische kant in zich en ontwikkelt een flinke mannenhaat. Dat maakt het haar mogelijk om kil en zakelijk te gaan optreden in een stripbar en zo haar geld te verdienen.

Beide meiden groeien uit elkaar en aan het eind komen ze elkaar bij Anna thuis weer tegen. Sandra, Anna’s moeder, stelt hen voor een tochtje naar Elba te maken, wat gemakkelijk kan op een dag. Dat is het enige hoopgevende aan het eind van de roman: als de meiden de werkelijkheid van Elba ondergaan hebben, zal blijken dat het eiland helemaal niet de hemel is, maar een andere werkelijkheid, waar het ook ploeteren en werken is om er het leven mogelijk te maken. Misschien lukt het de meisjes zo om een realistischer beeld van zichzelf en de wereld te krijgen.
[Silvia Avallone, Staal (Italiaanse titel: ‘Acciaio’, De Bezige Bij, 2010, 19,90]

Het gevaar van een enkel verhaal

Van collega Aukje Becherif kreeg ik de volgende tip toegezonden:
Laat je niet verleiden door slechts een enkel verhaal, zegt de Nigeriaanse schrijfster Chimamanda Adichie. Ga op zoek naar de schatten van andere culturen.

De schrijfster Chimamanda Ngozi Adichie (32) groeide op in Oost-Nigeria, in de universiteitsstad Nsukka. Haar vader was daar professor in de statistiek aan de Universiteit van Nigeria, waar ook haar moeder werkte.
Als kind las Adichie verhalen van Britse en Amerikaanse schrijvers. Toen ze 7 jaar was, begon ze zelf te schrijven. “Al mijn personages waren blank en hadden blauwe ogen”, zegt ze later over die verhalen. “Ze speelden in de sneeuw en aten appels. En ze spraken veel over het weer en hoe heerlijk het was dat de zon zich een keer liet zien.”
Het is voor haar een voorbeeld hoe beïnvloedbaar en kwetsbaar mensen zijn wanneer ze worden blootgesteld aan slechts een verhaal. Op haar 19de vertrok Adichie naar de Verenigde Staten. Haar tweede roman Half of a Yellow Sun, uit 2006, die speelt rond de Biafra-oorlog in de jaren zestig, werd een bestseller in de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en ook in Nigeria. In Amerikaanse en Britse kranten verschenen lovende kritieken.
Dit jaar verscheen de korteverhalenbundel The Thing Around Your Neck, vertaald als Het ding om je hals. Volkskrant-redacteur Wim Bossema schreef daarover: “Het overheersende thema is het leven tussen twee werelden, tussen Nigeria en de Verenigde Staten. Het ding om je hals is de beklemming van een jonge Nigeriaanse die in de Verenigde Staten, het land van grote auto’s en leven in villa’s, eenzaamheid en armoede vindt. ’s Nachts grijpt de ontheemding haar naar de keel en verstikt haar bijna voor ze in slaap valt.”

In juli 2009 hield zij een lezing onder dit titel “Het gevaar van één enkel verhaal”. Haar lezing is terug te vinden via de volgende link:


http://www.hartenziel.nl/artikel/Het_gevaar_van_een_enkel_verhaal

Mozes als schepper van Amerika

Eind 2009 verscheen het gelijknamige boek van de New York Times’ journalist Bruce Feiler. Het is een opmerkelijk verhaal, getuige de beschrijving van de inhoud van het boek: “Het exodusverhaal is het verhaal van Amerika. Mozes is onze echte grondlegger, stichter van de VS. Bruce Feiler reist door de toetsstenen in de Amerikaanse geschiedenis en spoort de invloed van de bijbelse profeet op van de Mayflower tot vandaag. Feiler bezoekt het eiland waar de Pilgrim Fathers hun eerste sabbath doorbrachten, beklimt de klokkentoren waar de Liberty Bell een inscriptie van Mozes kreeg, gaat terug naar de Underground Railroad, waar ‘Go down, Mozes’ het volkslied van de slaven was en trekt de mantel aan die Charlton Heston droeg in de “Tien Geboden’.
Deels een avonturenverhaal, deels een literair detectiveverhaal, deels een onderzoek naar het geloof in het hedendaagse leven, neemt Amemerica’s Prophet ons mee van Gettybury naar Selma, van de Silver Screen naar de Oval Office om te begrijpen hoe Mozes het karakter van de natie schiep.”

De duiklok en de vlinder

Tijdens de eerste les over zin en onzin van het leven zochten we naar de grenzen van zin en onzin. Wanneer is het leven zinloos geworden, was een vraag van diverse leerlingen. Ze hadden zelf wel herkenbare voorbeelden, die mij iets te gemakkelijk gingen. Ik herinnerde me enkele jaren geleden de film Le scaphandre et le papillon, het verhaal van de hoofdredacteur van Elle, Jean-Dominique Bauby, die een hersenbloeding krijgt, in het ziekenhuis wakker wordt en ontdekt dat hij nog bij zijn volle verstand is maar alleen met zijn linkeroog kan knipperen. Bauby slaagt erin zijn zelfmedelijden opzij te zetten en besluit het boek te schrijven waarvoor hij al een contract met een uitgeverij had getekend voor het ongeluk. Alleen met zijn linkeroog knipperend lukt het hem het gehele boek te dicteren aan Claude, zijn hulp en secretaresse.

Om te laten zien hoe Bauby toch weer zin geeft, liet ik een fragment van de film zien, ongeveer 20 minuten, van minuut 20 tot 42 ongeveer. We zien daarin het volgende:
De logopediste Heriëtte heeft een alfabetkaart ontwikkeld, waarop de letters in volgorde van de mate van gebruik in het dagelijkse leven staan geordend. Ze leest de letters voor en als het de gewenste letter is, moet Bauby een keer knipperen: ja. Twee keer knipperen betekent nee.
Vervolgens krijgt hij gezoek van Pierre Roussin, een journalist aan wie Bauby zijn plaats in het vliegtuig afstond, waarna het gekapt werd en Roussin meer dan vier jaar in gijzeling heeft gezeten. Hij wist zijn menselijkheid te bewaren door elke dag de grote wijnmerken van Bordeaux te herhalen om zo niet in een zinloze hel te verzeilen. “Houd u vast aan de mens die u bent en u overleeft het.” wilde Roussin hem komen zeggen, ook al heeft Bauby nooit contact met hem opgenomen nadat zijn collega uit de gijzeling in Frank was teruggekeerd.

Een van zijn eerste gedicteerde zinnen aan Henriëtte is: “Ik wil dood”, wat de logopediste heel boos maakt, maar waarvoor ze zich later excuseert. Iets verderop in de film ziet hij beelden van kusten die in zee vallen en hem het leven als een reeks mislukkingen laten zien.
Als hij door die fase van zelfmedelijden heen is, zegt hij tot zichzelf: “Behalve mijn ogen heb ik mijn verbeelding en mijn geheugen nog.” Hij besluit dan het boek te schrijven waar hij al een contract voor heeft en hij gaat aan de slag.

Hoewel er in een film met een hoofdrolspeler die alleen met een oog kan knippen weinig actie zit, viel het me op dat het de leerlingen toch boeide en hen confronteerde met de grenzen van wat zij zelf onder zin verstaan. In de klassen waar zin voortdurend samenviel voor de leerlingen met geluk en genieten, kwam de beslissing van Bauby om niet meer dood te willen als een complete verrassing.
Een aanrader.

Wie ben ik boek

Ik! Wie is dat?

Uit de achterflap: “In het boek “Ik! Wie is dat?’ word je aangespoord om na te denken over wie je bent en wat jij nu juist jou maakt. We willen allemaal iemand zijn of iemand worden. Maar wie en waarom? Ben je wel wie je wilt zijn of speel je een rol?……”
Het boek is speciaal voor jongeren vanaf tien geschreven door professoren van de Kinderuniversiteit van Tilburg.
ISBN: 978 90 487 0653 2 Prijs 14,95
www.dekinderuniversiteit.nl
www.zwijsen.nl

Deze tekst is ook als pdf te downloaden: IK!_Wie_is_dat.pdf

Mijn oordeel
Een fijn boek om aan puberende zoon of neef danwel dochter of nichtje te geven.
Een boek dat een aantal themata aanroert, waarvan de docent levensbeschouwing zich duidelijk af moet vragen of ze in zijn curriculum aanwezig zijn.
Een boek dat duidelijk maakt dat levensbeschouwing uiteindelijk het schrijven van je eigen levensverhaal is.
Een boek dat duidelijk maakt dat het levensbeschouwelijk dagboek een integrerend bestanddeel van een levensbeschouwelijk portfolio dient te zijn.
Een boek dat ook laat zien dat voor levensbeschouwing een groot aantal Bezugswissenschaften aanwezig dienen te zijn om leerlingen verantwoord in te leiden in de wereld van hun eigen levensbeschouwelijke ontwikkeling.

Wie meer over de inhoud wil weten, kan hieronder een samenvatting van de verschillende hoofdstukken vinden.

Ik ben wie ik ben en wie ik wil zijn [Wie ben ik?]
Het antwoord op de vraag ‘wie ben ik?’ is afhankelijk van de plaats, tijd en persoon die de vraag stelt. De psychologen Kuhn en Portland vroegen mensen in 20 verschillende situaties antwoord op de vraag te geven. Als je kijkt naar de punten die op alle lijstjes staan, kom je toch tot een soort kern van jezelf, volgens hen.
Wie ik kan zeggen, heeft zelfbewustzijn ontwikkeld: een kind van twee noemt zichzelf bij de voornaam, zal het niet over ik hebben; een kind van vier al veel meer.
Waar dat zelfbewustzijn zit, is niet precies aan te geven; het blijkt in ieder geval niet op één plaats te zitten.
Je ben ik, van top tot teen. Als je een teen verliest, ben je dan nog jij? De meeste mensen zeggen ja, maar als je een beroemde toptennisser bent en door het verlies van die teen geen bal meer raak slaat, verandert dan je ik?
We leven in een tijd, waarin niet meer anderen zoals ouders en omgeving bepalen wat jij doet en gaat worden en denken, maar we leven in een iktijdperk. Wie je bent, je identiteit, bepaal je steeds meer zelf. Je identiteit is een optelsom van wat je gegeven is, wat je overkomt en wat je er zelf van maakt.
We hebben verschillende ikken in ons leven, met andere woorden, we spelen verschillende rollen, afhankelijk van de positie die we telkens innemen. Tegelijk kijken we niet naar anderen als mensen die rollen spelen: “Alles wat iemand doet en zegt, schrijven we toe aan die persoon.”

Je bent nooit alleen op de wereld [Ik, jij en wij]
Al in de oertijd leefden mensen in groepen. Dat was nodig om samen te jagen en samen te vechten tegen gevaarlijke gebeurtenissen of dieren of mensen.
Lid zijn van een groep bepaalt een deel van je identiteit. Je vertelt dat je dit bent, maar tegelijk ook, dat je dat niet bent.
Bij groepsgevoel hoort ook een ‘wij tegen zij’ gevoel. Je vindt dat de mensen in jouw groep slimmer, eerlijker en mooier zijn dan de mensen in een andere groep. Dat betekent dat jij dus ook mooier, slimmer etc, bent, want jij behoort tot die groep. Op die manier krik je je gevoel van eigenwaarde op.
We komen er dan ook sneller toe om de negatieve dingen aan HEN toe te schrijven, want WIJ doen zulke dingen niet.
We willen ook graag erbij horen, we zijn niet graag buitenbeentje. Mensen gaan heel ver om niet van de groep af te wijken. Het experiment van Asch laat zien dat mensen geneigd zijn de meerderheid van de groep te volgen, ook al is het zonneklaar dat het antwoord van die meerderheid fout is.
Wie zich niet wil aanpassen aan de groepsdruk, heeft het niet altijd gemakkelijk en moet over een positief zelfbeeld beschikken. Als je bereid bent, aan te geven dat je het er niet mee eens bent, is de kans groot, dat anderen ineens het met je eens durven te zijn. Opmerkelijk t.a.v. een positief zelfbeeld is, dat mooie mensen niet altijd gelukkiger of zelfverzekerder zijn dan minder mooie mensen. Hun probleem is dat ze vaak niet weten of ze gewaardeerd worden wegens hun mooie uiterlijk of om wat ze gepresteerd hebben. Daardoor twijfelen deze mensen vaak aan hun kunnen.
Ook in de verschillende groepen waartoe je behoort speel je altijd sociale rollen.

De oma van je oma, van je oma, van je oma [Ben ik een aap]
Honderdduizend oma’s geleden komen we uit bij een vrouw die twee miljoen jaar geleden leefde, een Australopithecus, een aapmens. Nog verder terug vinden we de mensaap-oma, die twee kinderen kreeg. De ene is stammoeder van de mens, de ander van de chimpansee, met wie we 99 procent van het DNA delen.
Dankzij de evolutie hebben de mensen zich kunnen aanpassen aan de veranderende omstandigheden, waardoor ze niet ten onder zijn gegaan, zoals andere diersoorten, die zich niet konden aanpassen.
Wat de mens is is een discussiepunt. Voorbeeld is het eten van vlees. Volgens de darwinisten is vlees eten natuurlijk, want de energie die uit vlees komt hebben we nodig gehad om onze grotere hersenen te ontwikkelen.
Daar staan de kantianen tegenover: mens is wie nee kan zeggen tegen zijn natuurlijke neigingen.
Darwin zegt we onszelf gerust een aap kunnen noemen. Kant zegt dat de mens een zelfbewust wezen is met een vrije wil, met verantwoordelijkheid. Dat heeft een dier niet. Als een hond een kind bijt, wordt niet de hond maar de eigenaar aansprakelijk en verantwoordelijk gesteld.

Stamppot of Allah [Wij en zij]
Twintig procent van de Nederlanders heeft buitenlandse wortels. Dat was honderd jaar geleden heel anders. Je woonde in een kleine gemeenschap, trouwde werkte en stierf in die gemeenschap en je kwam zelden buiten die gemeenschap. Dat is nu anders. En aan mensen die niet dezelfde achtergrond als zijzelf hadden moesten veel Nederlanders erg wennen. Anders zijn is een rare zaak, vonden ze. Hun vertrouwde beelden van Nederland en de Nederlander verdwenen en dat maakte hen onzeker en ze voelden zich onveilig.
We zullen nu moeten leren leven met de multiculturaliteit van de Nederlandse samenleving. Als mensen elkaar ontmoeten en elkaars gewoonten leren kennen en begrijpen, wordt de kloof al snel minder breed. Maar vaak wonen allochtonen en autochtonen in verschillende wijken en bezoeken verschillende scholen.
Hieraan gekoppeld is het gevoel van meer dan vijftig procent van de allochtonen dat ze weleens gediscrimineerd worden, vooral op hun werk. Onderzoek van de Universiteit van Tilburg bracht aan het licht, dat mensen het meest gediscrimineerd worden op de plaatsen waar bazen zeggen dat iedereen gelijk is. “Juist in die bedrijven gelooft niemand dat iemand anders (ongelijk) behandeld worden en kan er dus niet over gepraat worden.”

God en ik, ik en God [Waarin geloof je?]
God is een behoorlijk twistpunt tussen mensen. iedereen denkt dat hij gelijk heeft en dat heeft soms tot bloedige twisten geleid. Ook is waar dat mensen veel aan hun geloof hebben. Alle geloven hebben gemeenschappelijk dat ze lessen in het leven zijn. Geen enkele godsdienst is uit op vernietiging van de aarde.
Een kwart van de Nederlandse bevolking gelooft niet in God, en dat doen ze ook op verschillende manieren. Daarnaast hebben we ook nog een groot aantal ietsisten.
Opmerkelijk is dat in twee van de drie huizen een boeddhabeeld staat: een gezellige dikkerd oogt toch anders dan een lijdende Christus op een kruisbeeld.
Je geloof is mede van invloed op de manier waarop je tegen jezelf aankijkt.
Kijkend naar de rol van de mens in de ogen van hun God:
In de islam kiest de mens om dienaar van Allah te zijn.
In het christendom is de mens slecht, maar kan beter worden door het voorbeeld van Jezus.
In het boeddhisme hebben we geen ik; ik word steeds herboren in een nieuwe vorm omdat dat ik nog niet af is.
Een van de gevolgen van de moderne tijd, waarin de mensen steeds minder naar de kerk gaan, is dat de boodschap om een goed mens te proberen te zijn minder gehoord wordt. We zijn als het ware van God los. Letterlijk, dat iemand de regels van God niet meer naleeft. Figuurlijk, dat iemand zo op zijn eigen houtje bezig is dat het hem niet kan schelen of anderen er last van hebben.

Chips in je hoofd [Ik, versie 2.0]
De computer is momenteel al in staat de wereldkampioen schaken te verslaan. We gebruiken de computer, robots en andere zaken om ons leven te veraangenamen. Tegelijk worden we er ook door beïnvloed. Je speelt op internet met een avatar en iedereen denkt dat jij dat bent, omdat de anderen je nog nooit in het echt hebben gezien.
We maken van allerlei hulpmiddelen gebruik om onszelf beter te maken en te voelen. Studenten slikken Ritalin, niet omdat ze AGHD hebben, maar om een examen beter te kunnen maken.
We staan ambivalent tegenover de techniek. In boeken als Brave New World en 1984 staat de mens tegenover een zich ontwikkelde techniek die hem in zijn macht heeft. De mens moet vechten om weer vrij te worden.
We zien drie denkrichtingen als het gaat om het verbeteren van de mens met electronica.
De Kantianen zeggen: niet doen
De utilisten zijn van mening dat als het nuttig je het moet doen.
De autonomen vinden dat ieder mens zelf moet beslissen hoever hij daarin gaat.
Daarover moet de discussie gaan: in wat voor wereld wil ik wonen? Wie wil ik zijn?

Onbeschoft en asociaal [Steeds meer ‘ik’]
Veertig jaar geleden was de tijd van de verzuiling nagenoeg ten einde. Het tijdperk van de individualisering brak aan. Het individu werd belangrijk dan de groep waartoe hij behoorde.
Dat heeft zijn goede kanten. Daar is iedereen het over eens.
Sinds enkele jaren zien we ook dat er negatieve kanten aan zitten. Mensen denken dan vooral aan zichzelf. Het ‘ik’ is te belangrijk geworden. We hebben minder kinderen, zij krijgen veel meer aandacht dan die van vroeger.
We zijn rijker geworden, alles moet kunnen en mogen.
De opvoeding is veranderd. We zijn onbewust asociaal geworden.
De zingevingssystemen zijn niet meer actief zoals vroeger. Naastenliefde wordt vervangen door de 15 minuten roem op de televisie.
We willen respect en als we het niet denken te krijgen, worden we gefrustreerd.
Frustratie leidt vaak tot agressie, zinloos geweld [ sinds 1997]. We leven in een agressievere samenleving dan vroeger.

Hoe je een talent wordt [Je wordt wat je doet]
Wie schade oploopt in zijn hersenen, kan als het ware een ander worden. De hersenwetenschappers zeggen dat je ik bepaald wordt door je aanleg, je omgeving en je eigen invloed. Onderzoek heeft aangetoond dat mensen die aanleg hebben, 10.000 uur nodig hebben om dat talent ook volledig uit te buiten: Mozart, Beatles, Bill Gates hebben allemaal die tijd doorgebracht alvorens ze tot uitzonderlijke bloei kwamen.
Door bepaalde dingen te oefenen, veranderen je hersenen. Wie verlegen is en zich erop toelegt om stoerder te worden en te doen, ziet een verandering in de hersenen.
Door nieuwe dingen te doen en te oefenen maken je hersenen nieuwe netwerken aan die die taak ter hand kunnen nemen.
Je hersenen kunnen niet alleen nieuwe dingen positief leren, maar ook negatieve gewoontes vormen een hersennetwerk. Duidelijk is wel dat wat je niet doet, zul je ook niet ontwikkelen.
Belangrijk: hoe meer nieuwe dingen je doet, hoe meer je hersenen worden uitgedaagd.

Een onderbroek van Björn Borg voelt anders [Je ben wat je hebt]
Ons zelfbeeld schijnt samen te hangen met wat we bezitten. Evolutiebiologen zeggen dat het te maken heeft met onze drang om te overleven.
Topbestuurders kijken niet naar wat ze verdienen, maar vergelijken hun salaris met anderen die meer verdienen. Jaloezie is de drijfveer.
Dingen die we kopen helpen ons om een beeld van onszelf te scheppen: ons imago.
Dat imago krijgt een extra impuls als we dingen hebben die anderen niet hebben.
Het geeft zelfvertrouwen èn het laat ons bij een groep horen.
Je uiterlijk bepaalt voor een deel hoe je omgeving op je reageert. Ga collecteren voor een goed doel in dure merkkleren en je haalt meer op.
Dure spullen kopen die we eigenlijk niet nodig hebben, heeft te maken met het snobeffect.
Er is ook sprake van het countersnobeffect: ik heb geen dingen nodig om iemand te zijn.
Je ziet de gevolgen van het imago-opkrikken in het toenemen van schulden bij mensen die luxe schulden hebben: een goed inkomen, maar veel te veel uitgaven aan luxe artikelen.
Op iemand die veel heeft kunnen mensen reageren met afgunstig zijn of benijden.
Wie hard voor een Iphone heeft gewerkt, werd benijd, maar men gunde hem het ding. Wie vertelt dat hij die van zijn vader heeft gekregen, kreeg afgunstige reacties en men gunde hem het ding niet!

Op avontuur met wonderlijke vragen [Waarom ik?]
Als over allerlei dingen die normaal lijken te zijn diepere vragen gaat stellen, word je een Alice en leef je in Wonderland.
Vragen die dieper gaan noemen we levensvragen, het zijn vragen die vaak een leven lang meegaan. We weten een heleboel over het hoe van de dingen, maar niet van het waarom.
“Door al die levenservaringen groeit je kijk op het leven. Je rijgt net zo lang je favorieten aan elkaar totdat er een glinsterend juweel overblijft: een halssnoer of stoere armband vol met kleine waarheden die samen een prachtig juweel zijn. OM dit sieraad met trots te dragen, moet het helemaal JIJ zijn.” [100]

De geheimzinnige dood [Het einde van ik]
Het ik houdt op bij de dood. Mensen proberen wel een antwoord te geven op wat erna komt.
In schema gezet zijn er twee uitersten: een van weten en een van geloven. Natuurwetenschappers meten; bijna dood ervaringen stellen vragen bij dit meten. Maar je moet zelf bepalen of die BDE’s ook werkelijk een kijkje achter het gordijn van de dood zijn.
Tussen weten en geloven is ook niet weten, zich laten verrassen, een knutselantwoord.
Wie iemand verliest, gaat een rouwperiode in, die ieder op een eigen manier meemaakt. rouwen blijkt het snelst te gaan als je de rottige gevoelens er gewoon laat zijn.
Ervaringen met de dood maken soms van mensen andere mensen. Ze leren dat leven niet draait om geld en succes, maar om liefde en samenzijn.
“Wanneer de dood plots dichtbij komt, beginnen veel volwassenen dus pas aan het echte leven. eigenlijk is dat doodzonde. Want draai het eens om. Heb je er ooit aan gedacht dat het niet voor niets is dat er een soort gordijn aan het einde van het leven hangt waar we niet achter kunnen kijken? Misschien is de zin van het leven: leven. Je bent niet geboren om dood te gaan, maar om te leven. Een mens heeft niet eeuwig de tijd. Maar weinig tijd maakt het leven gewild en kostbaar. Niet de dood is bijzonder, het leven is bijzonder.” [110]

Film: Groundhog Day

Vlak voor Kerst 2010 werd Groundhog Day op rtl-7 vertoond. Het is een film uit 1993 met in de hoofdrol Bill Murray and Andie MacDowell. Als Phill Connors, een bekende televisieweerman, en Rita, de producer [krijgt in de film geen achternaam] elkaar ontmoeten, hebben ze de opdracht om de Groundhog Day te verslaan.

“Groundhog Day is een jaarlijkse gebeurtenis in het gehuchtje Punxsutawney waarop bosmarmot Phil voorspelt hoe lang de winter nog zal aanhouden door wel of niet naar zijn schaduw te kijken. Deze gebeurtenis wordt jaarlijks op 2 februari georganiseerd. Phil Connors (Bill Murray) is een nukkige weerman van een lokaal televisiestation. Hij wordt samen met producente Rita (Andie MacDowell) en cameraman Larry (Chris Elliott) op pad gestuurd om verslag te doen van deze gebeurtenis. Connors heeft totaal geen zin om de kleine opdracht voor de zoveelste keer te doen en vindt het maar gezeur. Hij doet de reportage met duidelijke tegenzin, wat irritatie bij zijn team oplevert. Rita waardeert Punxsutawney en Groundhog Day wel en ergert zich aan Connors’ gedrag.

Als het team ’s avonds terug naar huis wil, zet er een gigantische sneeuwstorm op en is het drietal gedwongen om in het dorp te blijven. De volgende morgen wordt Connors wakker en hoort hij exact dezelfde grappen en hetzelfde nummer (I’ve Got You Babe) op de radio. Op straat ontmoet hij dezelfde mensen (die hij allemaal heikneuters vindt) die precies hetzelfde zeggen. Ook gebeuren precies dezelfde dingen. Tot zijn ontsteltenis blijkt het wéér Groundhog Day te zijn en moet hij dus weer het verslag doen.” [Wikipedia]

Aanvankelijk komen met name de onaardige kanten van Phill naar voren: zijn arrogantie doet hem de werkelijkheid om hem heen vergeten en komt zo voortdurend in aanvaring met andere mensen, die er een andere visie op na houden. Als hij enkele drinkebroers de vraag stelt, wat er gebeurt als je maar een dag hebt, komen ze gedrieën tot de conclusie dat je dan nergens voor verantwoordelijk voor hoeft te zijn, want er komt geen morgen. Dus gaan ze in een dronken bui op weg en worden vervolgens door politiewagens achternagezeten.

Phills reactie doet denken aan de puberale reacties van jongeren, die weten ongestraft iets te kunnen doen en dan ineens een ander waardepatroon hanteren. Je ziet dat ook in de film Hollow Man, waarin een wetenschapper de kans krijgt onzichtbaar te worden en er vervolgens in slaagt anderen allerlei onaangename dingen aan te doen in plaats van zich af te vragen hoe hij zijn onzichtbaarheid voor nobelere doeleinden kan gebruiken.

Phill gaat erg lang door om mensen te manipuleren. Elke keer als hij bijvoorbeeld een gesprek met een vrouw heeft die hij wil versieren, gebruikt hij de informatie die hij deze dag heeft gekregen tijdens het afspraakje de volgende dag, zodat zij opgetogen en verrast reageert, in de veronderstelling een maatje gevonden te hebben. Terwijl in feite alles pure manipulatie is. Hetzelfde probeert hij ook bij zijn producer Rita, want wat moet je in een gat, als elke dag toch weer hetzelfde verloopt? Rita is niet gemakkelijk te krijgen en als hij een keer de verstrekte gegevens repeteert omdat hij die moet onthouden voor de volgende dag, vraagt ze hem woedend of hij soms vriendinnen gebeld heeft om een goede indruk te maken en haar zo in bed te krijgen.

Gaandeweg ontdooit de arrogante Phill en begint hij de dorpelingen te waarderen. Doordat hij weet wat er elke dag gaat gebeuren, kan hij diverse ongelukken voorkomen. Dat mensen hem daarvoor bedanken en hem een jofele vent vinden, begint hij zelf als positief te waarderen. Zijn gedrag verandert verder en Rita valt dan toch voor hem. Als ze samen naar bed gaan, gebeurt er niets manipulatiefs, in feite gebeurt er niets, alleen zegt hij lieve woorden tegen de al bijna slapende vrouw. De volgende morgen wordt hij tegen zijn verwachting wakker met Rita naast hem. Ze is niet verdwenen en als hij uit het raam kijkt is het echt een dag later. De doem van het steeds weer moeten meemaken van de tweede februari is doorbroken.

Aan het eind van de film lijkt het erop dat hij in het dorpje met de moeilijke naam wil blijven wonen.

Leerlingen die aan de slag willen gaan in een extra- of zelfstandige opdracht, zouden kunnen kijken naar de volgende aspecten:
– Wat zou ik doen als ik deze ene dag voortdurend zou moeten overdoen, terwijl de anderen niet weten dat het zo is?
– Wat maakt Phill tot de man die hij in het begin is?
– Is zijn verandering naar het eind van de film toe geloofwaardig? Hoe zo?
– Wanneer ben je aan het manipuleren en wanneer ben je authentiek, als je naar het gedrag van Phill kijkt?
– zou je het verschil tussen manipulatie en jezelf zijn ook in je eigen bestaan kunnen onderscheiden?
– Wat is uiteindelijke beoordeling van deze film? Wat zegt hij je levensbeschouwelijk?

Obesitas, welbevinden en religiositeit

Obesitas
In september 2010 verscheen een onderzoek van Gallup naar de geestestoestand van mensen met zwaarlijvigheid. Niet alleen hebben deze mensen meer lichamelijke klachten dan de gemiddelde Amerikaan, maar ongeveer een kwart van de zwaarlijvige Amerikanen kampt met gevoelens van depressie, stress, zorg, angst en verdriet. Het gaat hier om 23,2 van de zwaarlijvige Amerikanen tegenover 14,3 % van de Amerikanen met een normaal gewicht.

De onderzoekers stellen wel vragen bij de richting van de relatie. Het is mogelijk dat Amerikanen met een diagnose van depressie en negatieve emoties hoogstwaarschijnlijk sneller zwaarlijvig zullen worden. Maar het kan ook zijn dat mensen die zwaarlijvig zijn een neergang in emotioneel welbevinden ervaren als gevolg van hun persoonlijke gewichtssituatie. Het meest waarschijnlijk is dat de resultaten een combinatie van beide mogelijkheden weerspiegelen.

Religiositeit
Het onderzoek van Gallup in 114 landen in 2009 toont aan dat religie een belangrijke rol blijft spelen in vele landen in de wereld. De globale gemiddelde hoeveelheid volwassenen die zeggen dat religie een belangrijke rol in hun leven speelt is 84 procent, onveranderd sinds enkele jaren. In tien landen en gebieden is religie belangrijk voor 98 % van de mensen.
Elke van bovenstaande landen is relatief arm met een inkomen per hoofd van de bevolking onder de 5000 dollar. Dit weerspiegelt de sterke verhouding tussen de sociaal-economische situatie van een land en de religiositeit van zijn inwoners.
In tegenstelling tot deze arme landen zien we dat in de rijkste landen met een per hoofd inkomen van hoger dan 25.000 dollar het percentage 47% is.

De Verenigde Staten is een van de landen die niet met de trend meegaan. Tweederde van de Amerikanen zeggen dat religie belangrijk is in hun dagelijkse leven. Onder de hogere-inkomenslanden geven Italië, Griekenland, Singapore en de inwoners van de Perzische Golf staten aan dat religie belangrijk is.
Estland, Rusland en Bela-russia zijn tot 1991 onder invloed geweest van de anti-religieuze houding van de USSR, terwijl ook Vietnam een vrij negatieve houding tegenover religieuze praktijken en opvattingen heeft gehad. Vandaar deze lage cijfers voor enkele landen die tot de armste in de wereld behoren.

Religie en welbevinden
Een nieuwe analyse van meer dan 550.000 interviews van de laatste anderhalf jaar leidt tot de vaststelling dat Amerikanen die het meest religieus zijn ook de hoogste niveaus van welbevinden hebben. Ook na controle van diverse demografische variabelen blijft het verband bestaan.
Gallup onderscheidt drie groepen:
– Erg religieus: religie is een belangrijk deel van het dagelijkse leven en bezoek aan de kerk/synagoge/tempel/moskee gebeurt iedere week of bijna iedere week. Deze groep omvat 42,7 % van de volwassen bevolking.
– Niet religieus: religie is geen belangrijk onderdeel van het dagelijkse leven en bezoek aan de erediensten vindt zelden of nooit plaats. Deze groep omvat 29,7 % van de volwassenen.
– Gematigd religieus: alle anderen die niet in een van bovenstaande categorieën vallen, maar wel valide antwoorden gaven op religieuze vragen: 26,6 %.

De onderzoekers van Gallup schrijven:
„Het is ook mogelijk dat de relatie rechtstreeks is, dat religiositeit, gedefinieerd als een persoonlijk belang gesteld in religie en regelmatig bijwonen van de erediensten op zijn beurt tot een hoger niveau van welbevinden leidt. Deelnemen aan godsdienstige bijeenkomsten bevordert maatschappelijk verkeer en vriendschap met anderen en de Gallup analyses hebben duidelijk getoond day tijd, die sociaal besteed wordt en sociale netwerken zelf positief met welbevinden worden geassocieerd. Religie omvat in het algemeen een meer meditatieve staat en het geloof in een hogere macht, die beide breed gebruikt worden als manieren om stress en depressie te verminderen en geluk te bevorderen. Religie voorziet in mechanismen om met terugval en problemen in het leven om te gaan, wat op zijn beurt stress, zorg en woede kan verminderen. Veel religies, inclusief het christendom, wat de meest dominante religie in de VS is, benadrukken positieve relaties met je naasten en het doen van caritas, wat tot een meer positieve kijk op de werkelijkheid kan leiden.”

Zelfbeeld van Amerikaanse jeugd

De NRC van 7 september 2010 schreef over het zelfvertrouwen van Amerikaanse jongeren:

“Het zelfvertrouwen van Amerikaanse jongeren is de laatste decennia zo sterk gestegen, dat een eventuele verdere stijging nauwelijks meetbaar is. Psychologen stellen daarom voor de gangbare test aan te passen. Ook pleiten ze ervoor – in Review of General Psychology (september) – om de programma’s die het zelfvertrouwen van de Amerikaanse jeugd moesten vergroten als afgerond te beschouwen.
Maar niet als geslaagd. Ondanks het gestegen zelfvertrouwen presteren Amerikaanse studenten nog steeds slechter dan die in andere westerse landen. Ook is bijvoorbeeld hun drugsgebruik niet afgenomen. Maar volgens de psychologen was allang duidelijk dat het verbeteren van het zelfvertrouwen van kinderen niet de gedroomde oplossing voor sociale problemen was die veel beleidsmakers er zo graag in zagen. In de Verenigde Staten zijn vanaf de jaren negentig allerlei programma’s geïmplementeerd om het zelfvertrouwen van kinderen te vergroten, soms bijvoorbeeld zelfs door op school foute antwoorden niet te verbeteren.

De psychologen toonden al eerder aan dat het zelfvertrouwen van Amerikaanse jongeren tussen 1968 en 1994 sterk was gestegen. Nu bekeken ze latere onderzoeken onder gezonde Amerikaanse scholieren en studenten. Die hadden aangegeven in hoeverre ze het eens waren met stellingen als “over het algemeen ben ik tevreden met mezelf”. Van ruim tweehonderd onderzoeken onder tienduizenden jongeren werden de gegevens (verzameld tussen 1988 en 2008) opnieuw geanalyseerd.

De 11- tot 13-jarigen vertoonden de sterkste stijging; de stijging onder studenten vlakte al wat af. Maar die zaten ook bovenin de schaal: in 2008 haalde 18 procent het maximum van 40 (de modale score); 51 procent had 35 of hoger.”

Film: A Serious Man

Van collega Lonneke Knegtel ontvingen we een filmtip: A serious man, die afgelopen maand in première is gegaan. Zoekend naar verdere informatie over de film kwam ik een serieuze recensie in de NRC tegen, waaruit ik het volgende citeer:

“Met A Serious Man hebben de Coens nu een film gemaakt die in allerlei opzichten typerend is voor hun stijl en aanpak, maar die de bezwaren daarvan volledig overstijgt.

Dat komt allereerst omdat ze nu eens niet voor een ‘idioot’ als hoofdpersoon hebben gekozen, maar voor de hyperintelligente Larry Gopnik (een sublieme rol van toneelacteur Michael Stuhlbarg). Hij doceert natuurkunde aan de universiteit en staat op het punt een vaste aanstelling te krijgen. Hij kan in een briljante wiskundige som, die een enorm schoolbord beslaat, aan zijn studenten uitleggen wat het ‘onzekerheidsprincipe’ behelst.

Niet dat hij daar iets aan heeft. Zijn leven begint uit de rails te lopen als zijn vrouw Judith (Sari Lennick) vraagt om een scheiding. Ze is een verhouding begonnen met de zoetgevooisde, zelfingenomen weduwnaar Sy Ableman (Fred Melamed). Vervolgens pellen de Coens hun held laag voor laag af, ze verpulveren hem. Dat gaat de kijker eindelijk eens aan het hart, omdat het de filmmakers zelf dit keer iets kan schelen.

De locatie en het historische tijdvak waarin de film zich afspeelt, zijn bijzonder. A Serious Man is gesitueerd in een buitenwijk in het Midden-Westen van de Verenigde Staten, waar de Coens vandaan komen. In 1967, ongeveer in dezelfde tijd waarin zij zelf zijn opgegroeid, en in een nadrukkelijk joods milieu, waaruit de broers afkomstig zijn. Hun eigen ervaringen met hun religieuze opvoeding klinken in de film door. Al is de film niet in de strikte zin van het woord autobiografisch, dichter bij het vertellen van een persoonlijk verhaal zijn ze nog niet gekomen.

Verankering
Door de film – met medewerking van leden van de joodse gemeenschap in Minneapolis – stevig te verankeren in een specifieke plaats en tijd blijven ze uit de buurt van het funshoppen in de filmgeschiedenis dat veel van hun andere films kenmerkt. De enige andere film die zo precies is gesitueerd is Fargo (in North Dakota); niet toevallig een van hun beste.

Sy Ableman, de minnaar van Larry’s vrouw, is de ‘serieuze man’ van de titel. Larry neemt zich voor die kwalificatie ook te verdienen, want zijn vrouw verwijt hem dat hij zo kinderachtig is („Don’t be such a child”). Hij moet een serieuze man worden. Maar hoe? Hij wendt zich ten einde raad tot drie rabbijnen en hun wijze levenslessen komen in achtereenvolgende episoden in beeld. Daaruit spreekt een komische, nauwelijks verhulde agressie tegen de pretenties van religieuze en andere autoriteiten dat ze de antwoorden op levensvragen in huis te hebben. Dat zijn antwoorden die volgens de Coens nergens te vinden zijn, omdat ze niet bestaan.

A Serious Man is een komedie over volmaakte zinloosheid en onvoorspelbaarheid van het aardse bestaan. Minder valt er niet van te maken. Wie zo’n groot thema bij de kop wil pakken, zet zichzelf voor het blok, want een film met zo’n strekking moet natuurlijk wel heel, heel goed zijn.

Levensangst
Zelfs de slimmeriken komen er deze keer niet uit. Nihilisme is in meeste films van de Coens aanwezig, maar gaat hier voor het eerst – met uitzondering wellicht van Gouden Palm-winnaar Barton Fink (1991) – vergezeld van pure levensangst en wanhoop.

Dat maakt A Serious Man, met de scherpe ironie, de schitterende vormgeving en het majestueuze camerawerk van vaste kracht Roger Deakins, tot een verpletterende ervaring, die de kijker gebutst en geschramd achterlaat. Alleen in de bioscoopstoel blijven zitten totdat de eindtitels voorbij zijn – waarin de Coens overigens nog een aardige grap verstopten – is niet genoeg om weer bij te komen na het zien van A Serious Man. En dat is niet ironisch bedoeld.”

Door Peter de Bruijn
NRC, 20 januari 2010

VWO-ers en comazuipen

Een opmerkelijk bericht uit het Nederlands Dagblad van 16 februari 2010:

“Comazuipers blijken steeds vaker vwo’ers. Het aantal mbo’ers dat zich bewusteloos drinkt, neemt gestaag af, evenals het aantal allochtonen.

Dat blijkt uit gegevens van de Stichting Alcoholpreventie, de Universiteit van Twente, de Reinier de Graaf Groep in Delft en het Signaleringscentrum Kindergeneeskunde.

Vorig jaar was ruim een op de vijf comazuipers een vwo-leerling. Een jaar eerder was dat nog ongeveer een op de tien. Het aantal vmbo’ers daalde met vijf procent, maar zij vormen met 41 procent van het totaal nog wel de grootste groep drankmisbruikers. De jongeren zijn gemiddeld vijftien jaar en liggen ongeveer drie uur in coma, een uur langer dan in 2007.

De Delftse kinderarts Nico van der Lely van het Signaleringscentrum Kindergeneeskunde constateert dat het comazuipen voornamelijk een probleem is geworden van blanke kinderen uit traditionele Nederlandse gezinnen. Van der Lely stelt dat het alcoholgebruik onder jongeren ‘zo’n gigantisch probleem” is dat de verkoop verboden moet worden aan iedereen die nog geen achttien jaar is. Momenteel ligt die grens op zestien jaar.”

Aanvaring met een ouder

In mijn inmiddels 35-jarige schoolcarrière heb ik het de ouders nooit allemaal naar de zin kunnen maken. Er zijn altijd wel enkele ouders geweest die opmerkingen moesten maken over de themata die we in de klas aan de orde stelden. De eerste jaren waren het ouders, die onze vrijzinnige lezing van Oude en Nieuwe Testament maar niks vonden en daarover contact met de schoolleiding opnamen. Opmerkelijk, want ik was degene die de lessen gaf. Mijn eerste rector was ook van het type van dik-hout-zaagt-men-planken, en hij sprak me aan over dat de ouders geklaagd hadden. Bij nadere informatie bleek het een ouder te zijn geweest, maar je kunt altijd denken dat een klagende ouder een heel nest klagers vertegenwoordigt.

Later waren het ouders die ongelukkig waren met opdrachten, waarin inkomensongelijkheid aan de orde kwam. Wie daarbinnen een tandarts een gediplomeerde loodgieter noemde, was zeker van een reactie. Er waren ook ouders die vonden dat hun kinderen geen levensbeschouwing hoefden te volgen, want ze hadden er al een: jehova getuigen bijvoorbeeld. Tot die ouders in de gaten kregen dat juist in het vak levensbeschouwing hun kind wel gerespecteerd werd en alle ruimte kreeg om vanuit zijn opvattingen te reflecteren op de behandelde onderwerpen. Van mormoonse en streng islamitische ouders hebben we daarna ook nooit meer een afkeurende reactie gehoord.

Mijn ervaringen van de laatste jaren betreffen de lessen over dood en zelfdoding. Een ouder, wiens dochter serieuze moeilijkheden had met het leven belde verontwaardigd de staf op zonder ondergetekende erin te kennen. De afdelingsleider was zo attent de vader naar mij door te verwijzen, waarna ik hem kon vertellen, dat we de eerste les over dit soort onderwerpen de leerlingen op het hart drukken, dat als ze problemen met de materie hebben ze ook een alternatieve opdracht kunnen maken.
De laatste ouder die het speelde via de interimafdelingsleider was van mening dat we veel te zware onderwerpen aan de orde stelden, dat we akelige films lieten zien en dat we in ons curriculum veel meer luchtigere onderwerpen moesten opnemen. Deze moeder eiste ook dat we een enquête onder de leerlingen van de betreffende klassen moesten houden om te zien hoe zij erover dachten. Meer daarover in de volgende bijdrage.

Een ervaren collega die ik het verhaal vertelde, suggereerde dat we nu te maken krijgen met de Happinezgeneratie, die als echte newagers de werkelijkheid van wat een mensenleven nu eenmaal is aan hun kinderen willen onthouden door hen vooral leuke, luchtige en niet te zware levenslessen te geven. Docenten die er hun beroep van maken het leven te problematiseren, waardoor de goede en minder goede kanten van het leven alle ruimte krijgen zijn dan vervelende beren op de weg, die de pas afgesneden moet worden.

Mijn vraag aan de collegae is of zij ook soortgelijke ervaringen hebben dan wel hoe ze daarmee gevaren zijn, met of zonder steun van de schoolleiding.

Eenzaamheid in Nederland

Driekwart van de Nederlanders is van mening dat steeds meer mensen zich eenzaam voelen door de toenemende individualisering. Dat eenzaamheid een groot probleem is binnen de Nederlandse samenleving is te zien aan een forse stijging van het aantal Nederlanders dat zelf aangeeft zich eenzaam te voelen. Tien procent van de Nederlandse bevolking – meer dan 1.100.000 mensen – geeft aan zich vaak eenzaam te voelen. Dit is een verdubbeling ten opzichte van meetjaar 2003 (5%). Eenzaamheid treft niet alleen ouderen: 12% van de 18 – 24 jarigen geeft aan zich vaak eenzaam te voelen.

Het Leger des Heils laat regelmatig in kaart brengen hoe de Nederlandse bevolking aankijkt tegen sociale issues in onze samenleving. Motivaction heeft in opdracht van het Leger des Heils onlangs zo’n representatief onderzoek uitgevoerd. In het onderzoeksrapport ‘Geloof jij dat je betrokken bent’ staan een aantal opvallende feiten.

Tevredenheid en zingeving
Vergeleken met vijf jaar terug zijn minder Nederlanders tevreden met hun leven. Het betreft vaker mensen die zich buitengesloten voelen, alsmede zich niet verbonden voelen met de omgeving. Mensen die ontevreden zijn hebben vaker geen vrienden of hebben nooit vrienden gehad. In de meting van zeven jaar geleden (2001) gaf 27% aan het eens te zijn met de stelling ‘ik heb echt behoefte aan iets wat mijn dagelijks leven nog zinvoller maakt’, nu is dat 34%. Acht procent van de geënquêteerden geeft aan dat het leven geen zin heeft (2003: 3%).

Toename problematische schulden
670.000 mensen (6%) hebben financiële schulden die ze niet op eigen kracht kunnen aflossen. Mensen die financiële zorgen hebben, geven vaker aan zich buitengesloten te voelen en zich weinig verbonden te voelen met de omgeving. Een meerderheid van de Nederlandse bevolking is van mening dat deze problemen de maatschappij geen goed doen en leiden tot een toename van eenzaamheid. Dit sluit aan bij de dagelijkse ervaringen van medewerkers van het Leger des Heils dat het hebben van problematische schulden belemmerend werkt bij het oplossen van andere problemen.

Opvatting over daklozen en andere kwetsbare groepen

Nederlanders hebben in vergelijking met voorgaande jaren een realistischer beeld van daklozen en kwetsbare groepen in de samenleving. De problematiek rond deze groepen wordt erkend. Minder Nederlanders wijten de problemen waarin deze kwetsbare groepen zich bevinden aan de kwetsbaren zelf. Desondanks maken minder Nederlanders zich zorgen over deze groepen, hetgeen een dalende actieve betrokkenheid impliceert. Met het te dichtbij komen van de problemen in de samenleving, lijkt het NIMBY-effect (Not In My BackYard) in onze maatschappij te groeien.

Samenvattend
Sociale issues worden waargenomen of zelfs persoonlijk ervaren. Nederlanders weten steeds beter wat de problematiek is van kwetsbare groepen. Tegelijkertijd maakt de gemiddelde Nederlander zich minder zorgen om kwetsbare groepen zoals eenzamen en mensen die niet meer meedoen in de samenleving. De actieve betrokkenheid vermindert. Dit blijkt ook uit het gegeven dat de overgrote meerderheid van mening is dat mensen in Nederland te veel op zichzelf zijn gericht en te weinig rekening houden met anderen. Nederlanders relateren dit echter niet aan het eigen leven en de eigen verantwoordelijkheid. De reactie van Ine Voorham, directeur van de Stichting Leger des Heils Welzijns- & Gezondheidszorg hierop is: ‘Iets voor een ander kunnen betekenen maakt de ander en jezelf gelukkig. Duizenden professionals en vrijwilligers van het Leger des Heils ervaren dat. Zo’n ervaring gun ik eigenlijk iedereen’. ‘Geloof jij dat je betrokken bent?’ is daarmee een passende titel van het onderzoeksrapport.

Bron: Geloof jij dat je betrokken bent?, Leger des Heils 09.01.2009
LIA 133 15-6-2009