Eenuursvak en proefwerkweek

Via de list levensbeschouwing kwam er een oproep van collega Verhoeven over de manier waarop secties en docenten levensbeschouwing omgaan met het m.i. schandalige feit dat levensbeschouwing – vaak een eenuursvak – volop mee moet draaien in de proefwerkweek. Het betekent een onaanvaardbare werkdrukverzwaring, die alleen ons vak treft en waar directies weinig aandacht voor schijnen te hebben.
Huub Verhoeven heeft volgens eigen zeggen veel interessante reacties gehad. Omdat ik in Italië vertoefde, heb ik zijn verhaal pas recent onder ogen gekregen en ik heb er de volgende opmerkingen over.
Uit mijn verhaal hieronder blijkt mijn voorkeur voor het weghalen van levensbeschouwing uit de proefwerkweek, omdat de kern van levensbeschouwelijk denken niet in proefwerkopgaven te vatten is en leerlingen daar ook van doordrongen moeten worden. Dat gebeurt niet door deelname aan het proefwerkweekcircus.
En kom asjeblieft niet met opmerkingen als: “Je telt pas mee, als je in de proefwerkweek meedoet!” De waardering voor ons vak op mijn oude school is alleen maar toegenomen, nadat de leerlingen verlost waren van het leren van weetjes voor een proefwerk om die daarna wel snel te vergeten.
————–
Hoe overleven ik en mijn vak de proefwerkweek?
Als je een eenuursvak bent en je wordt door de schoolleiding, die zelf nooit meer aan correcties van proefwerken hoeft te doen, gedwongen om met het proefwerkweekcircus mee te doen, dan loop je psychisch en fysiek gevaar.
Psychisch, omdat je je in allerlei bochten moet wringen om ervoor te zorgen dat het proefwerk zo leraarvriendelijk mogelijk is, want anders komt gevaar nummer twee al snel om de hoek kijken: wie 20 klassen heeft – wat geenszins onmogelijk is bij lesuren van 40 – 50 minuten en een volle baan – zit tot laat op de avond zich wezenloos te werken aan het doorploegen van honderden proefwerken van leerlingen met slechte handschriften.

Er zijn verschillende mogelijkheden om er iets aan te doen.

1. Zorg voor docentvriendelijke proefwerken
Bovenstaande is jaren onze werkelijkheid geweest. Creatief als we waren hebben we er het een en ander op verzonnen. We hebben ons suf gezocht naar een model om leraarvriendelijke proefwerken te maken. Tenslotte hebben het gevonden in een door ons toen al zeer betreurd model: we maakten een proefwerk
met reeksen van steeds 10 goed/foutzinnen
Waarbij we niet met ABBAAABBBA werkten, want dat kost ook hopen tijd om na te kijken
Maar steeds een al dan niet bestaand woord als goed antwoord hadden, bijvoorbeeld ZINKPUTTER. Met een oogopslag kon je dan zien wat de leerling fout had gedaan, wat de snelheid van het nakijken zeer verbeterde. We hadden in het algemeen een serie van 120 goed-foutzinnen, waarbij 40 fouten een 6 opleverde.
In noodsituaties kon je dit werk ook uitbesteden aan een lieftallige echtgenote of studerende zoon of dochter, die gezellig langs kwam.

Bij dit model dat ons door de moeilijke tijden heeft geholpen zijn de volgende opmerkingen te maken:
Leraarvriendelijk blijkt vaak leerlingonvriendelijk te zijn. Goed-foutzinnen moeten goed gelezen worden, zijn taalgevoelig, toetsen zijn zeer eendimensionaal, want bijna uitsluitend reproductief. Goede leerlingen worden in de maling genomen, slechte leerlingen worden bevoordeeld.
Goed-foutzinnen zijn van de andere kant relatief gemakkelijk, in die zin dat weinig leerlingen onvoldoendes hebben, maar er ook nooit een dikke negen of tien valt. Subtiele accenten in een zin worden snel over het hoofd gezien.
Probleem is ook dat je een toetsonderdeel moet hebben waar veel feiten over te vragen zijn, anders wordt het een gekunsteld geheel dat de leerlingen snel doorzien.
Het kan moeilijker gemaakt worden door twee zinnen aan elkaar te koppelen en vier mogelijkheden aan te bieden. A is goed, B is fout, A is goed, B is goed, etc. Deze manier vraagt meer detectivewerk van de leerling, want zhij moet op zoek gaan naar de feitelijke correctheid in twee zinnen. De gemiddelde cijfers bij deze vorm zij meestal stukken lager. De gemiddelden hierbij zijn bijna altijd lager dan bij een traditioneel openvragenproefwerk.
De leerling kan gemakkelijk gokken, wat meestal een vijf oplevert, Als je alle linkerantwoorden neemt, kom je op een laag cijfer, maar nooit lager dan een 4. Docenten hebben immers de neiging de goede en foute antwoorden af te wisselen, wat de leerlingen kansen geeft. We zitten niet zo in elkaar dat we een hele rij linkse letter goed maken en de rechtse fout. Leerlingen gaan denken dat al zoveel linkse antwoorden gegeven zijn, er ook een aantal rechtse gekozen moeten worden. En ze veranderen hun antwoorden op grond van de veronderstelde wetmatigheden van de docent.
Iets minder docentvriendelijk is de combinatie van goed-foutzinnen en enkele open vragen, die veel leeswerk vragen en korte gemakkelijk na te kijken antwoorden opleveren.
De school geeft bij ons ook steeds aan dat de leerling de hele proefwerktijd aan het werk moet blijven, dus zorg voor voldoende werk, is de terugkerende oekaze van mensen die zelf geen correctiewerk hebben. Maar dan blijft wel staan dat alles wat je extra geeft ook nagekeken moet worden. Een alternatief is dan om een kruiswoordpuzzel of woordzoeker te maken, die als bonuspunt ingevuld moet worden, bijvoorbeeld met materiaal uit vorige onderwerpen of jaren.

2. Pleit bij de directie op didactische en technische gronden om de klassen te clusteren zodat je per half jaar de helft van het aantal klassen hebt.

3. Pleit voor niet-deelname aan de proefwerkweek voor levensbeschouwing.

Een mogelijke brief van de sectie aan de schoolleiding

Beste schoolleiders,

De sectie levensbeschouwing heeft het volgende vastgesteld. Aangezien iedere proefwerkweek levensbeschouwing wordt opgenomen in het rooster kijkt de gemiddelde docent levensbeschouwing tegen een vracht correctiewerk aan, die ertoe leidt dat zhij gemiddeld drie keer zoveel tijd kwijt is aan correctiewerk dan collegae die en een klas meerdere uren per week hebben en of eindexamenklassen hebben.
Maken we een rekensommetje: 26 klassen van gemiddeld 25 leerlingen levert 650 proefwerken op die nagekeken moeten worden. Als een proefwerk nakijken gemiddeld 4 minuten kost – krap bemeten – kijkt de docent ruim 43 uur na, daarbij het invoeren van punten en het vaststellen van rapportpunten niet meegerekend.

We willen graag met u van gedachten wisselen over de mogelijkheden die we zien om iets aan deze onverkwikkelijke situatie te doen. We hebben voor onszelf drie mogelijke scenario’s opgesteld.

De situatie handhaven zoals die is en van de sectie accepteren dat ze docentvriendelijke proefwerken maakt. Proefwerken die de helft van de reguliere correctietijd vragen kosten minder arbeidstijd. Een tweede mogelijkheid is om de proefwerken via de computer te laten afnemen, zodat de correctie ook digitaal gebeurt.

Docentvriendelijke proefwerken zijn meestal alleen maar reproductieproefwerken, wat niet de bedoeling van de sectie is. Technisch zal het niet mogelijk zijn om alle leerlingen van een bepaald jaar of afdeling tegelijk achter de computers te zetten.

Vandaar dat dit scenario niet onze voorkeur verdient.

De klassen clusteren
De werkdruk kan ook verminderd worden door de klassen zo te roosteren dat elke klas een half jaar twee uur per week levensbeschouwing krijgt, zodat in de proefwerkweek de helft van het aantal klassen bevraagd en gecorrigeerd moet worden.

Deze keuze zou zeker soelaas bieden, maar de sectie begrijpt ook dat roostertechisch een en ander moeilijk kan liggen en voor technische problemen kan zorgen. Vandaar onze voorkeur voor scenario 3.

Levensbeschouwing gaat uit de proefwerkweek
Kijken we naar de doelstelling van het vak levensbeschouwing, dan zouden we die kunnen omschrijven als ‘bijdragen aan de levensbeschouwelijke en ethische ontwikkeling van de jongeren zodat de voorwaarden geschapen worden om tot mensen met een eigen verantwoorde levensbeschouwing uit te groeien’.

Dat gebeurt ons inziens niet door de leerlingen feiten aan te leren en die te toetsen, maar hen uit te dagen na te denken over die feiten, zich af te laten vragen wat die feiten voor hen betekenen en daarover op de een of andere manier te reflecteren.
Reflectie vindt niet plaats binnen de setting van een proefwerkweek, waar stress e.d. de boventoon voeren, Reflectie-opdrachten zijn derhalve ongewenst in de proefwerkweek.

Scenario drie heeft diverse voordelen:
De docent kan zijn werkzaamheden over het jaar verdelen. Hij kan -niet gehinderd door de hete adem van de proefwerkweek – relevante opdrachten voor de leerlingen formuleren die deze in zijn eigen tijd zonder stress kan maken.
De leerling zal meer waardering voor het vak levensbeschouwing krijgen, omdat hij in de gaten krijgt dat werken aan relevante opdrachten meer voldoening geeft dan het maken van proefwerken die vooral op reproductie zijn gestoeld.
De ouders krijgen meer waardering voor het vak omdat ze zien dat het reflecteren van hun kinderen positief uitwerkt in hun volwassenwording
Laten we de leerlingen aan het eind van hun levensbeschouwelijke loopbaan op school een totaalreflectie schrijven op wat zij de afgelopen 5 jaar aan levensbeschouwelijke opdrachten hebben gemaakt, dan zal de overgrote meerderheid tot de conclusie komen dat het vak levensbeschouwing voor hen zin heeft gehad.
De directie weet dat de sectie de kwaliteit zal bewaken door haar accent op relevante opdrachten, die van leerlingen meer vragen dan reproductie, zodat de zorg van de schoolleiding ten aanzien van de kwaliteit van het onderwijs in ieder geval een sectie minder betreft.

In de hoop op een vruchtbare gedachtewisseling,

,,,,,,