Het schrijven van een levensbeschouwelijk dagboek

Mensen schrijven dagboeken. Veel leerlingen doen dat ook, soms gedurende lange tijd, soms af en toe, soms zoveel als ze kunnen. In een dagboek beschrijf je de gebeurtenissen van elke dag die je meegemaakt hebt, dingen die belangrijk voor je zijn geweest en die indruk op je gemaakt hebben.

Als je opschrijft wat er zoal van dag tot dag gebeurd is, schrijf je een gewoon dagboek. Je zou het kunnen vergelijken met een krant, maar dan een persoonlijke. Afhankelijk van je interessen filter je de dingen die je meemaakt. Het dagboek van een modebewuste meid zal er zeker anders uitzien dan het dagboek van een NAC-aanhanger. De laatste ziet weinig modetrends en schrijft er dus ook niet over, terwijl de eerste niets zal vermelden over de voetbalwedstrijden waar haar vader en broer heengaan. Het kan dus zijn dat twee mensen die samen op stap gaan en over die dag een dagboek schrijven, twee totaal verschillende verhalen over die dag te vertellen zullen hebben.

Op een bepaalde manier is dat natuurlijk al een vorm van levensbeschouwing. Als levensbeschouwing gaat over de waarden, zingevende zaken en datgene wat mij raakt in mijn binnenste, is het duidelijk dat de keuzes die iedereen maakt in zijn of haar dagboek een levensbeschouwelijke keuze is. Bezig zijn met de eigen privé –omstandigheden is een keuze, schrijven over de mensen om je heen is een andere keuze. Je kunt je laten leiden door geld, maar ook door je medelijden. In beide gevallen levert het een ander dagboek op.

Als je iemand vraagt een week een dagboek bij te houden en het resultaat aan het eind is een opsomming van alles wat geld gekost en opgeleverd heeft, dan hebben we te maken met een levensbeschouwelijk dagboek. Als je iemand vraagt een week alles te benaderen vanuit een financieel gezichtspunt, krijgen we een economisch of financieel dagboek. In het eerste geval heeft iemand zijn eigen persoonlijke = levensbeschouwelijke bril opgezet en die heeft nogal wat financiële aspecten. In het tweede geval heeft iemand zijn levensbeschouwelijke bril afgezet en een financiële opgezet. Dat maakt nogal wat verschil.

Wat we in de opdracht van het levensbeschouwelijk dagboek van je vragen is een stukje dieper te duiken. Je maakt elke dag dingen mee. Die kun je als vanzelfsprekend aannemen en verder gaan. Je kunt ook je verwonderen over die dingen die je meemaakt en als het ware de waaromvraag stellen. Je staat elke dag op. Waarom zou je opstaan? Wat betekent het feit dat je opstaat? Doe je dat omdat je denkt een goede dag te zullen meemaken? Doe je het omdat je gedwongen wordt door anderen? Vind je blijven liggen zonde van je tijd, want je hebt wel betere dingen te doen? Wat zou er gebeuren als je vaker bleef liggen? Ben je dan tevreden met jezelf? Past dat bij je eigen kijk op jezelf? Als je vaak het idee hebt dat je beter in bed kunt blijven, wat zegt dat dan van jezelf? Zal iemand die met een redelijk enthousiasme de nieuwe dag begroet anders antwoorden op de vraag “Wie ben ik?” dan iemand die het liefst diep onder zijn dekbed zou willen wegkruipen?

Zo zie je dat het zogenaamd vanzelfsprekende eigenlijk totaal niet vanzelfsprekend is. Natuurlijk begrijpen we goed dat je niet bij iedere handeling je de ‘waaromvraag’ moet gaan stellen. Dan zou je nooit meer tot handelen komen. Maar het kan geen kwaad zo nu en dan vraagtekens te stellen bij de dingen die zogenaamd normaal zijn. De mooiste denkbeelden, de fraaiste kunstwerken en de handigste uitvindingen zijn het resultaat van het steeds stellen van de vraag “waarom zou ik het zo doen, kan het niet anders, beter?” De kans is beslist aanwezig, dat ook jij andere ideeën krijgt waar je later blij mee bent als je je aanleert de waaromvraag wat vaker te stellen.

Allerlei vragen

Als je zo naar een dag kijkt, komen er allerlei zaken naar boven, die met je eigen leven te maken hebben en best belangrijk zijn. Ik geef enkele voorbeelden:

• Wat betekent het al dan niet in een prettig gezin op te groeien?

• Wat betekent vriendschap voor me?

• Waar liggen de grenzen van vriendschap?

• Wat heb ik voor mijn toekomst over?

• Ben ik in staat nee te zeggen tegen zaken die mijn vrienden voorstellen en die ik eigenlijk afwijs?

• Levert overdadig alcoholgebruik in het weekend iets op?

• Hoe tolerant ben ik?

• Wat geef ik om de zorgen van een ander?

• Waaruit blijkt dat mijn ouders van me houden?

• Heb ik enig idee wat voor mij een passend beroep is?

• Wat wil ik van een relatie?

• Hoe belangrijk zijn jongens/meisjes voor me?

Schematisch gesproken zou een levensbeschouwelijk dagboek er als volgt uit kunnen zien:

• Je noemt een aantal zaken die er die dag gebeurd zijn;

• Je stelt jezelf enkele vragen bij die zaken die levensbeschouwelijk gekleurd zijn;

• Je beantwoordt die vragen in enkele regels.

Toch is dat niet het niveau wat we van je verwachten. Het dagboek dat met de meeste lof gaat lopen ziet er volgens ons als volgt uit:

• Je schrijft over een of twee vragen/ideeën die voor jou aanleiding zijn om het levensbeschouwelijke dagboek te schrijven;

• Je geeft aan welke gebeurtenissen aanleiding tot die gedachten waren;

• Je werkt je vraag/vragen uitgebreid uit.

Dat betekent dat we liever een vraag diepgaand beantwoord zien dan drie vragen min of meer oppervlakkig. De oppervlakkige manier levert nooit meer op dan 5,8; voor de diepgaande benadering gaan we graag stukken hoger.

Eisen

• Zet bovenaan de pagina ‘levensbeschouwelijk dagboek’ en het nummer van je dagboek ( 1, 2 ….5)

• Geef het dagboek een titel, zodat de lezer weet waar het over gaat;

• Zet daaronder de datum

• Zet daaronder je naam en klas

• Schrijf vervolgens de tekst van je dagboek: omvang 1 pagina tik, Times 12, regelafstand 1 en normale kantlijnen (circa 22 mm aan beide zijden)

• Schrijf na je tekst op, of de docent de tekst mag gebruiken als voorbeeld van een goed dagboek, zodat anderen erdoor op ideeën gebracht kunnen worden. Als het wel mag, maar zonder naamsvermelding, noteer dat dan ook hieronder.

Voorbeelden

Een dagboek dat iedereen wel kent, maar waarschijnlijk niet algemeen gelezen is, is het dagboek van Anne Frank. Ze schrijft er in over de gebeurtenissen in het achterhuis waar enkele gezinnen tijdens de Tweede Wereldoorlog ondergedoken zijn. Ze vertelt over de dagelijkse lusten en lasten, maar regelmatig schrijft ze ook wat wij hierboven het echte levensbeschouwelijke dagboek hebben genoemd. Wil je enkele stukken daarvan lezen dan moet je in het boek naar de volgende datums kijken:

• Zaterdag 7 november 1942

• Zondag 11 juli 1943

• Vrijdag 24 december 1943

• Zondag 2 januari 1944

• Donderdag 6 januari 1944

• Dinsdag 7 maart 1944

• Vrijdag 28 april 1944

• Dinsdag 1 augustus 1944 (de laatste dag van het dagboek)

Voorbeeldstukjes

“Mijn ouders hadden ruzie vanochtend. Ik weet eigenlijk amper nog waar het over ging, maar het knalde behoorlijk in huis. Mijn vader is met een kwade kop weggereden en heeft mijn moeder niet eens een zoen gegeven. Het lijkt wel of de ruzies steeds vaker voorkomen en ze elkaar steeds minder aardig gaan vinden. Ik durf niet te vragen of ze uit elkaar willen gaan. Daar moet ik echt niet aan denken. Je bent dan alles kwijt waar je zovele jaren aan gehecht bent geraakt. Mijn leven zou ineens veranderen. Twee verschillend plekken waar een ouder woont, ik zou me net een nomade voelen, die van de ene plek naar de andere trekt. Waar ben je dan eigenlijk thuis? Bij geen van beiden? Betekent dat dan, dat je je steeds minder prettig bij de andere ouder gaat voelen? Als ik de verhalen van enkele klasgenoten hoor, dan gaat het ruzie maken ook na de scheiding nog gewoon door. Bij je moeder moet je dan horen over de rotkanten van je vader en omgekeerd. Terwijl je er eigenlijk helemaal niets mee te maken hebt. Het is toch hun relatie die op de klippen is gestrand; ik ben alleen maar het kind, van wie ze gewoon moeten houden, meer niet………..”

Tijdens de studieles zijn we bezig geweest met het nadenken over wat de beste opleiding voor ons is. Ik zit met een mooi probleem; ik wil iets worden waar ik volgens sommige leraren geen capaciteiten voor heb. Mijn hartenwens is om kinderarts te worden, maar ik zit op de havo. Ik ben redelijk goed in de exacte vakken, maar de decaan zegt dat ik voor de universiteit wel een vwo diploma nodig heb. Ik vraag me soms af of ik al die tijd en moeite er wel in wil stoppen, of het de moeite waard is. Maar tegelijk denk ik, dat ik het nooit zal halen als ik op deze manier al ga twijfelen. Wil ik een kans maken, dan moet ik me in dat toekomstideaal vastbijten en doorgaan tot ik het werkelijk gehaald heb of duidelijk is geworden dat het voor mij een onbereikbaar ideaal is. Als ik er niet voor ga, zal ik nooit weten of ik het eventueel kan halen. En als ik dan dertig ben, en denk: “waarom ben je niet doorgegaan?” kan ik het me de rest van mijn leven blijven verwijten. ….”