Je mag me altijd bellen

Op 1 juli 2005 stierf Karel Glastra van Loon aan een hersentumor. Vanaf dat moment moet Karin Kuiper, zijn vrouw en moeder van drie kinderen, het leven zonder haar geliefde leiden. Haar ervaringen zijn gebundeld in ‘Je mag mij altijd bellen”, met als ondertitel ‘1001 dagen van rouw’.

Haar boek beschrijft de ervaringen die met rouwen verbonden zijn, die Karins specifieke ervaringen zijn, maar die voor heel veel mensen ook zeer herkenbaar zijn. Ze heeft voor veel mensen geformuleerd wat die zelf altijd gevoeld hebben.

“‘Paint it black’ van de Rolling Stones is de kortste beschrijving van rouw die ik ken.” schrijft ze aan het begin van het boek. Zwart zijn de talrijke ervaringen in het gezin zonder vader, in de relaties met anderen en in het omgaan van anderen met haar rouw.

In de steek gelaten
Na de grote emoties komt er een hele lijst van ergernissen, zoals
“X zou het zo gewild hebben”
“Ik zou willen dat ik wat voor je kon doen”
“Als ik wat voor je kan doen, moet je het zeggen”
“Hoe gaat het met je?”
“Ik wil je zo graag helpen, maar je moet het zelf doen.”
Absolute topper is:”Je mag me altijd bellen!”
Want dat zinnetje laat ons met lege handen achter.

Rouwverdriet lijkt op liefdesverdriet, maar met kinderen is het verdriet in het kwadraat. Je groot houden voor de kinderen, ze moeten er niet te veel van merken.
Verdriet maakt onhandig, vergeetachtig, onrustig, verandert een mens. Soms zou ik willen dat we nog steeds verplicht rouwkleding zouden moeten dragen, verzucht Karin. Als je die draagt, begrijp iedereen meteen waarom je zo vreemd doet en kan ernaar handelen.

Bij de bezoeken aan haar schoonfamilie ervaart ze dat gedeelde smart geen halve smart is. Bij zijn ouders merkt ze aan alles dat hij er niet meer is. En zijn familieleden merken zijn afwezigheid het sterkst bij hun bezoeken aan haar huis, waar de afwezigheid van Karel dominant aanwezig is.

Hartverscheurend is het hoofdstuk over Dantes zoektocht naar zijn vader. Plotseling is hij verdwenen, de straat op gegaan met drie knuffels in zijn armen. Zo klein als hij is, is hij al tientallen meters de straat in, als Karin hem eindelijk kan oppakken. De afwezigheid van Karel is veel te groot voor het kleine mannetje en terug in huis ziet Karin de foto van Karel in het speelgoedhuis, waar Noa vaak mee speelt.

Vier geloven in een huis, die over het leven na de dood praten. Oudste gelooft in God en leven na de dood, Noa is drie, krijgt soms te horen dat papa slaapt – wat betekent dat hij eens zal terugkomen uit die slaap -, de middelste “als papa terugkomt, gaan wij dan dood?”
Opa zegt dat papa slaapt; Karin is de eeuwige twijfelaar.
“We zullen samen een betekenis aan leven en dood moeten geven, een verhaal moeten bedenken dat voor ons allemaal hout snijdt en rust geeft en dat ons tegelijk ruimte laat onze eigen visie over het vervolg erop na te houden.”

Rouwen duurt lang
Ruim een jaar na de dood van Karel heeft de omgeving het idee dat de cirkel nu wel rond is, alles een keer doorgemaakt is en het leven weer een gewone gang kan gaan. Mensen die in het begin zeiden dat rouwen tijd kost, schijnen dat nu een beetje vergeten te zijn. “Want na een jaar verwacht niemand meer dat je zomaar in tranen uitbarst. Na een jaar wil je zelf ook niet meer zomaar in tranen uitbarsten.” En toch gebeurt het dat er een dag is waarop je onverwacht en plotseling toch moet rouwen. Als je zijn geur ineens ergens ruikt, als je iemand ziet die gedurende een fractie ook een fractie op hem kijkt.

“Na de dood van je partner raak je gemiddeld vijftig procent van je vrienden kwijt,” zegt iemand in de rouwgroep. En ook die ervaring valt Karin ten deel. Ze moet de kinderen uitleggen waarom die bepaalde mensen niet meer komen. Ze waren vrienden van Karel en zijn niet meer teruggekomen voor haar en de kinderen.

Op pagina 19 schrijft Karin een intens protest tegen de houding van ‘Je mag me altijd bellen”, waar je in de praktijk niet veel aan hebt.

Wie mij wil helpen
“Eigenlijk is het zo eenvoudig.
Wie mij wil helpen komt op een druilerige dag lekker een kop koffie drinken en gaat aan het begin van een lang weekend niet direct uit zijn werk naar huis, maar haalt eerst bij mij een glaasje wijn. Daarna duiken we samen de keuken in en maken we een echte maaltijd die we met de kinderen opeten aan de gedekte tafel in de woonkamer.
Wie mij wil helpen blijft na het eten om de kinderen een verhaal voor te lezen terwijl ik de keuken opruim en de afwas in de machine zet, of zet de borden in de vaatwasser terwijl ik de kinderen naar bed toe breng. En dan drinken we daarna nog samen een kop koffie en voeren we een grotemensengesprek.
Wie mij wil helpen vertelt ook over de sores en het geluk in zijn eigen leven, omdat het ‘gewone’ leven mijn beloofde land is, het doel waar ik op af moet.
Wie mij wil helpen stuurt mijn kinderen een brief met een mooi verhaal over hun vader en moeder, of gewoon een kaartje om te laten weten dat ze hen niet vergeten zijn – ook niet nu tante Eef en ome Sjaak nooit meer langskomen omdat hun vriend, de vader van mijn kinderen, dood is.
Wie mij wil helpen gaat af en toe met ons naar het zwembad, zodat we samen kunnen zwemmen, die gaat met ons kamperen zodat we samen kunnen zingen, die gaat met ons naar de Efteling, zodat we samen kunnen gillen, en die gaat mee naar de jaarlijkse uitvoering op school zodat we samen kunnen huilen om dat wat die afwezige papa allemaal moet missen.
Wie mij wil helpen, neemt mijn kinderen mee om verjaardagscadeautjes voor mij te kopen, geeft mij twee keer per jaar een paar dagen ‘kindervrij’ zodat ik onbezorgd en onbelemmerd kan huilen, tieren en schreeuwen van verdriet. Die neemt de kinderen een middag zodat ik hysterisch kan huilen bij het opruimen van zijn kledingkast en het lezen van zijn liefdesbrieven.

Wie mij wil helpen schuwt er niet voor samen met ons Sinterklaas en andere familiefeesten te vieren en helpt mij de kamer te versieren voor de kinderverjaardagen.
Wie mij wil helpen wordt tijdelijk mijn geheugensteun en herinnert mij eraan dat het morgen verkleeddag is op school, dat de vuilnis aan de straat moet en dat de schoolreis nog niet betaald is.
Wie mij wil helpen denkt aan de verjaardag van wijlen mijn man omdat hij nog steeds mijn ex niet is en stuurt een kaartje voor onze trouwdag, die nu bitterzoet is.
Wie mij wil helpen geeft me een tegoedbon voor een massage of allerhande klussen in huis. Die bezorgt me een oppas voor een avondje uit, neemt de kinderen te logeren en gaat eens samen met hen het bos in.
Wie me helpen wil slaat woordeloos een arm om me heen als ik moet huilen om Memories, die juicht met me mee als Oranje scoort tegen die Mannschaft, die zwijgt met mij als er wordt geschoten in Birma.
Wie mij wil helpen hoeft niet zoveel bijzonders te doen. Wie mij wil helpen, moet er vooral zijn…

http://www.jemagmijaltijdbellen.com is de website van Karin, waarop meer te vinden is over rouwen en rouwverwerking en waar ze haar verhaal verder vertelt. Daar is ook informatie te vinden over het tweede boek van Karin:
Wat kan ik voor je doen? is het bijna vanzelfsprekende vervolg op Je mag mij altijd bellen.

Hoewel de meeste mensen graag een vriend of vriendin in rouw willen helpen, vragen velen zich af hoe ze kunnen helpen en wat ze kunnen doen.

Wat kan ik voor je doen? is geschreven vanuit het perspectief van de rouwenden, alsof zij reageren op de stille vraag. Het antwoord is een verzameling praktische tips en korte anekdotes die kunnen dienen als vingerwijzing of ideeen-generator voor de omgeving van mensen die een geliefde verloren.

Docenten die iets in de les doen met omgaan met dood en rouw en gelukkig zelf weinig ervaring ermee hebben, kunnen in deze boeken de rauwe werkelijkheid van de rouwende mens proeven.