Legitimatie van het vak (6) – Paul Vermeer

Paul Vermeer gaf in zijn speech tijdens de studiedag globaal dezelfde gedachten weer als in het artikel in Narthex. Hij is van mening dat het vak levensbeschouwing zich moet richten naar de godsdienstwetenschap als referentiekader. Hij zegt het in Narthex heel duidelijk: „Wat is het doel van levensbeschouwing? Op basis van het voorafgaande stel ik voor dat leerlingen op een godsdienstwetenschappelijke manier naar de werkelijkheid leren kijken en daarvoor het benodigde cognitieve instrumentarium moeten verwerven. Met andere woorden: leerlingen dienen de elementaire begrippen en methoden te verwerven van de wetenschappelijke discipline die zich met de bestudering van religie bezighoudt: de godsdienstwetenschap.” (66)

De moeilijkheid die ik met Vermeer heb is allereerst dat ik te weinig inzicht heb in wat er in de godsdienstwetenschap aan bod komt. Maar als ik hem goed gelezen heb,  wil hij uitgaan van de zogenaamde type B concepten, waar Erricker het in zijn boek ‘Religious Education’ over heeft.  Waar er B-concepten zijn, zullen er ook andere zijn, te weten A-concepten die betrekking hebben op de menselijke ervaring en niet specifiek religieus zijn. Daarnaast zijn er ook type C-concepten die verwijzen naar specifiek religieuze tradities, zoals triniteit, samsara e.d.

Wat Vermeer nagelaten heeft, is zich bijvoorbeeld baserend op het boek van Erricker het aanbieden van een proeve van een curriculum voor het vak levensbeschouwing, waarover door de aanwezigen gesteggeld kon worden. Nu zit ik met vragen als:

  • Gaan we in ons curriculum van type A naar type C?
  • Moet in dat curriculum alle drie typen aan bod komen?
  • Is er ook een andere achterliggende wetenschappelijke discipline mogelijk?
  • Geldt de godsdienstwetenschap als referentiepunt niet eerder voor een vak als godsdienst?
  • Als we levensbeschouwing geven, gaat dat dan niet verder dan religie: wat doe ik met diverse begrippen als ik een grote groep niet-religieuze leerlingen heb, die wel met levensvragen geconfronteerd worden, maar met de religieuze antwoorden geen kant uit kan?

In mijn vroegere sectie waren we van mening, dat levensbeschouwing fundamenteel te maken heeft met levensvragen, levensbeschouwelijk en ethische. De leerling moet in de loop van het curriculum geconfronteerd worden met allerlei vormen van levensvragen, zodat zhij èn in de gaten krijgt dat levensbeschouwelijk denken hard nodig is om een volwaardig leven te kunnen leiden èn zhij in toenemende mate en in toenemende complexiteit relevante antwoorden kan ontdekken in de levensbeschouwelijke wereld om hem en haar heen. Gezien de weerstand die er tegen dit levensbeschouwelijke denken van verschillende kanten bestaat (hedonisme, indifferentisme, sciëntisme, marktdenken, e.d) hebben we een behoorlijk resultaat behaald als leerlingen aan het eind van hun levensbeschouwelijke carrière op school aangeven dat ze blij zijn uitgedaagd te zijn door de verscheidenheid aan levensbeschouwelijke en ethische vraagstukken en er serieuzer over zijn gaan nadenken.

Vermeer neemt als vergelijkingsvak – in navolging van Erricker – het geschiedenisonderwijs. ”Net zoals het geschiedenisonderwijs zou GL erop gericht moeten zijn om leerlingen te leren de rol van godsdienstwetenschapper te vervullen.” (67)

Ik kan ook een ander model bedenken. In een gesprek met collega’s viel de term ‘leeg vak’. Vakken zoals de talen zou je lege vakken kunnen noemen, omdat je eigenlijk met alles die taal kunt leren. Je kunt Engels leren met teksten van kinderliedjes, maar ook met serieuzere teksten. Op basis van een bepaalde didactische methode kan alles gebruikt worden om de taal meester te worden. Wie focust op conversatie, kiest teksten die daartoe geëigend zijn, wie meer met vaktaal wil, komt met andere bronnen naar de klas.

Op dezelfde wijze kan ik ook naar levensbeschouwing kijken. Als het er om gaat dat de leerling zich de levensbeschouwelijk bril in toenemende eigen maakt, kan de docent uit velerlei vaatjes tappen, vooropgesteld dat een basiskennis aanwezig is en met in het achterhoofd steeds het belang van de leerling. Hoewel ik tegen leerling altijd beweerd heb, dat Alles Levensbeschouwing Is, acht ik nadenken over dood en eindigheid belangrijker dan de levensbeschouwelijkheid van een fietsbel.