Legitimatie van het vak (7) – Toetsen als andere vakken

Op verschillende plaatsen in het Narthexnummer komt als een belangrijke legitimatiefactor de professionaliteit van de docent naar voren. Kwaliteit als legitimatie heet dat. De collegiale visitatie, zoals voorgestaan door de Besturenraad, is dan een goed uitgangspunt om elkaars visies en uitgangspunten te evalueren en te toetsen.

Een duidelijk verschilpunt met andere vakken is volgens sommigen de kwaliteit van de toetsing. Je kunt gemakkelijker toetsen hoever een leerling is met zijn voortgang in het Frans dan te meten hoeveel vooruitgang een leerling gemaakt heeft in het beantwoorden van levensvragen. “Meten is weten” is de bedrieglijke slogan van de voorstanders van gemillimeterd toetsen. Feit is dat zeer velen er met genoegen intuinen, want het schept zekerheid. Valse zekerheid met name als je het hele toetsingsgebeuren nader gaar bekijken.

In dit Narthexnummer is het een artikel van Jos de Pater, die probeert de legitimiteit te vergroten door het volgende te benadrukken :

“Een groot voordeel van het verhelderen van de voortgang van leerlingen in hun levensbeschouwelijke leerproces is dat het de motivatie van leerlingen voor levensbeschouwing vergroot. Een vak dat niet inzichtelijk maakt wat het je precies leert, is voor leerlingen minder motiverend.  Bovendien zal de relevantie van het vak daardoor kunnen verminderen. Maar dit is volgens mij de  belangrijkste reden voor de relevantie van toetsen en beoordelen: elke docent wil toch voor zijn leerlingen inzichtelijk maken  wat zij geleerd hebben, wat hun leerproces en hun tussentijdse leerresultaat is?” (79)

Hij laat dat zien aan de hand van het toetsen van discussiëren. Een boeiend betoog dat laat zien hoe lastig het is om communicatievaardigheden goed te toetsen. Hij ziet veel heil in het opdelen van de leerprocessen in kleinere onderdelen, zodat een beoordeling stapsgewijs gestructureerd kan worden.

Het moet gezegd worden dat een docent die deze toetsmethode gaat hanteren de kans loopt veel meer tijd kwijt te zijn dan de docent die zich veilig bij de reproductietoetsen houdt.

De Pater geeft in zijn artikel enkele voorbeelden van mogelijke opdrachten bij de discussianten en eveneens enkele opdrachten bij de luisteraars. Als ik er van uitga dat de leerlingen verslag doen van hun werkzaamheden en bevindingen op papier, moet ik dan er ook van uit gaan dat deze papieren door mij gelezen, beoordeeld en van een punt voorzien worden? Het zou niet verkeerd zijn om in artikelen zoals dit van Jos de Pater een schatting aan te geven van de tijd die er in het beoordelen gaat zitten, zodat de docent kan beoordelen of het beoordelen van deze vaardigheid de tijd en moeite waard is. Ik stel me de vraag of we het ons niet nodeloos moeilijk maken, waarbij we zaken proberen te beoordelen die in andere vakken amper gehonoreerd worden.

Ik kan me ook andere vormen van beoordelen voorstellen, die minder uitgaan van ‘meten is weten’ en wel duidelijk aangeven of de leerling voortgang maakt in het zich eigen maken van het levensbeschouwelijke denken. Ik zal het bij vragen laten:

  • Kan het model van het ontwikkelen van een portfolio, zoals we op mijn oude school ingevoerd hebben, de toegenomen levensbeschouwelijke vaardigheden misschien ook dienst doen?
  • Wat te zeggen van zelfreflectie door de leerlingen op de afgelegd leerweg op bepaalde momenten in het curriculum?
  • Wat kunnen we doen met een beoordeling door klasgenoten? Zij kunnen ook vaak kritisch omgaan met de producten van anderen en er relevant commentaar op geven.