Om alles wat er niet meer is

“Om alles wat er niet meer is” is de intrigerende, door jongeren zelf gekozen titel van een belangwekkend boek. Het boek is gebaseerd op interviews met enkele tientallen jongeren die nabestaanden zijn geworden van iemand die zelfdoding gepleegd heeft. De twee auteurs zijn zeer deskundig in deze materie. Monique van ’t Erve begeleidt jonge nabestaanden van zelfdoding en verloor op veertienjarige leeftijd haar moeder aan zelfdoding. Riet Fiddelaers-Jaspers is rouwdeskundige en auteur van diverse boeken over rouw.

Zelfdoding meemaken hakt er gruwelijk in. Je blijft achter met een heel scala aan gevoelens, die heftig, steeds terugkerend en tegenstrijdig zijn. Boosheid en verdriet, maar ook schuld en opluchting. Gevoelens die eigenlijk te groot zijn voor opgroeiende kinderen, maar als iemand zichzelf doodt, kom je ze gewoon tegen.

De ervaring van de auteurs is dat deze jongeren geen behoefte hebben aan theoretische verklaringen, maar sterk verlangen naar verhalen van lotgenoten. Ze willen weten of hun eigen gevoelens door die van anderen zijn, ze willen weten dat ze niet gek zijn of gek worden als gevolg van de traumatische ervaringen die ze vaak heel lang ondergaan. Geconfronteerd met twijfels en vragen heeft de jongere behoefte aan bevestiging door leeftijdsgenoten die mee kunnen voelen, omdat ze in dezelfde hel hebben gezeten.

Aparte opzet
Het boek is geen verzameling interviews geworden, maar de reacties van de jongeren zijn thematisch gebundeld tot zestien hoofdstukken, waarin steeds verschillende jongeren hun ervaringen vertellen met dat thema. Het gaat dan om zaken als hoe, wat en waar kreeg je de waarheid te horen, voordat het gebeurde, afscheidsberichten, de uitvaart, troost en een luisterend oor, vervelende reacties, etc.

In ieder hoofdstuk zijn stukjes tekst van de jongeren verzameld, die heel direct vertellen wat er gebeurd en gevoeld is, soms allemaal in dezelfde richting wijzend, maar andere keren ook zeer verschillend in ervaring en reactie. Deze hoofdstukken beslaan tweederde van het boek en maken ieder weldenkend mens duidelijk dat alleen al vanwege het leed dat kinderen aangedaan wordt, zelfdoding geen wenselijke, misschien zelfs geen menselijke keuze is. Dat het toch gebeurt, ook bij mensen die zelf kinderen hebben, doet je daarmee tegelijk beseffen, dat iemand de band met de realiteit al verloren moet hebben om die daad te kunnen plegen. De rauwe, dieptrieste verhalen van de kinderen lezend kan ik slechts concluderen, dat ik weinig geloof hecht aan mensen die zeggen dat suïcide ook een bewuste keuze kan zijn.

Het laatste gedeelte van het boek is een privé deel, getiteld Wat helpt. Daarin komen in een zestal hoofdstukken met vragen en opdrachten en suggesties zaken aan de orde als wat is er gebeurd, gevoelens, herinneringen, troost, wat helpt en toekomst. De jongere wordt uitgedaagd om in woorden en beelden uiting te geven aan wat hem of haar naar aanleiding van de zelfdoding allemaal bezighoudt. Op deze manier kan zhij weer een beetje greep op het leven krijgen, een greep die hem of haar meestal ontschoten is.

Helemaal aan het eind vindt de lezer een boeken-, website- en adressenlijst waar zhij verder mee kan.

Op school?
Na lezing van het boek ben ik ervan overtuigd dat het in geen enkele bibliotheek van school dan wel de sectie levensbeschouwing zou mogen ontbreken. Dat wordt mede onderstreept door het feit dat het boek dankzij subsidie van de Vlaamse overheid op alle scholen voor voortgezet onderwijs is verspreid.

Nu we een aantal jaren gewerkt hebben met het levensbeschouwelijke dagboek kan ik zeggen dat tenminste enkele malen per jaar ervaringen met zelfdoding aan de orde komen. ‘Om alles wat er niet meer is’ kan enerzijds aan een jongere gegeven worden ter lezing en informatie, omdat het een boek is dat speciaal voor die leeftijdscategorie geschreven is, anderzijds zouden jongeren die bevriend zijn met een nabestaande er uit kunnen halen wat er door iemand heengaat die deze schokkende ervaring heeft meegemaakt. Als het boek in enkele exemplaren in de schoolbieb staat, kan een docent leerlingen die er baat bij kunnen hebben daarheen verwijzen. Het zal de geestelijke gezondheid van veel kinderen zeker verbeteren.

Monique van ’t Erve en Riet Fiddelaers-Jaspers, Om alles wat er niet meer is, jongeren over achterblijven na zelfdoding; Ten Have, Averbode, ISBN 978-90-784-3410-8, prijs 17, 95