Over de liefde

Een levensbeschouwelijk dagboek over de verliefdheid van een leerlinge:

Het is iets waar we allemaal vroeg of laat mee te maken krijgen, de een wat vroeger dan de ander. Ik had er al heel vroeg last van. Een maatje op de camping waar ik dagen achtereen mee optrok, die aan mijn bed zat en er geen moment vandaan ging toen ik ziek was.
Nu heb ik een vriendje, en het is volgens mij behoorlijk “echt”. Ik wil constant bij hem zijn, ik denk bijna aan niks anders meer. Helemaal sinds ik hem van mijn ouders door de week niet meer mag zien. Ik heb mijn rapport gehad, en het was niet slecht, maar ik ben met de helft twee of drie tiende punt naar beneden gegaan, en daar waren mijn ouders niet blij mee.
Het gevolg: een uur per dag op msn, m’n vriendje alleen op woensdagavond zien als ik naar het koor moet (dan mag hij naar de kerk komen, zie ik hem twee minuten vóór het begint en drie minuten als het afgelopen is, dan moet hij weer naar huis) en verder alleen leren. De schat komt wel elke woensdag naar het koor, omdat hij me mist. Dat vind ik zó lief van hem, hij fietst zelfs door de stromende regen. Ik zou hetzelfde voor hem doen, als ik mocht. Ik mag ’s avonds ook niet meer gaan fietsen, dus komt hij meestal naar mij.

Ik heb het gevoel dat mijn hart stilstaat als ik hem zie. Als hij me vastpakt, staat mijn huid bijna in brand. Ik denk dat dit het dichtst bij houden van komt voor mij. Veel beter kan het niet worden denk ik. Ik mis hem al als hij zich omdraait en wegfietst.
Mijn moeder zegt dat ze zich ook zo voelde toen ze papa net had leren kennen, en dat dat iets minder was geworden nu maar dat ze nog steeds een steen in haar maag voelde als papa niet bij haar is. Dat heb ik ook met mijn vriendje. Als hij niet bij me is, ben ik rusteloos en schieten de gedachten als afgeschoten pijltjes door mijn hoofd. Zodra ik dichter bij hem in de buurt kom, wordt ik rustig en blijer. Niet dat ik me depri voel als hij er niet is, maar ik wordt gewoon heel blij van hem. Ik hoorde van zijn moeder en zijn zus dat hij niet kan ophouden over me te praten, dat hij bij elk gesprek mijn naam wel een keer laat vallen, dat hij mijn naam noemt in zijn slaap. Hij had tegen zijn moeder gezegd dat hij me zo miste dat het pijn deed.

Het kost hem moeite niet de fiets te pakken en naar me toe te komen als ik woorden heb gehad met mijn ouders en ik hem niet mag zien. Hij is zó lief voor me. Voor onze verjaardagen (die zijn precies twee dagen achter elkaar, ik zes januari en hij de zevende) hebben we kettinkjes gekocht, twee halve hartjes die in elkaar passen, waar onze namen in gegraveerd staan. Hij draagt die met mijn naam, ik die met de zijne. Ik ben er echt blij mee, het geeft me het gevoel dat hij toch een beetje bij me is, waar ik ook ben.
Dit is een blijvertje, denk ik. De mensen in mijn omgeving zijn van mij gewend dat als ik verkering heb, het na een maand of twee, misschien drie wel uit is. Nu we bijna vier maanden hebben, begint iedereen zich toch wel af te vragen of het serieus is. Wat ons betreft wel, ik wil hem niet kwijt. Hij zegt dat hij me zijn hart zou geven als het kon. Dat zijn leven stilstaat als ik niet bij hem ben.

Dit gevoel gaat niet zo makkelijk meer weg, denk ik.
Hoop ik.