Waarom sneed ik mezelf?

De levensbeschouwelijke dagboeken van leerlingen zijn een onuitputtelijke bron van kennis van die leerlingen, maar ook doorkijkjes in het leven van onze leerlingen die soms met zaken zitten waar volwassenen geen weet hebben. Een voorbeeld is het volgende levensbeschouwelijke dagboek van José [niet haar echte naam], die in anderhalve pagina getuigenis aflegt van haar strijd tegen een negatief zelfbeeld en de manier waarop ze met veel moeite er weer bovenop gekomen is. Toen ik haar vroeg om toestemming om dit dagboek te publiceren, reageerde ze heel positief en schreef: “Ik vind dat het belangrijk is dat mensen weten dat je uit elke dal kan komen.”

Ik denk zelf dat haar verhaal ook goed te gebruiken is om in een klas haar vechten, zichzelf de schuld geven en andere herkenbare zaken aan de orde te stellen.

Een andere manier zou kunnen zijn om de tekst aan leerlingen voor te leggen en hen te vragen een brief vanuit henzelf aan José te sturen. De teksten van de brieven kunnen dan

* in groepjes met elkaar besproken worden als er voldoende veiligheid is;

* door de docent verzameld en gelezen worden en vervolgens enkele veelzeggende reacties anoniem in de klas aan de orde gesteld worden. Voor alle veiligheid is het mogelijk een idee de reacties van leerlingen uit de ene klas te gebruiken in een andere.

Mocht iemand van José’s tekst gebruikmaken, dan houd ik me aanbevolen voor een selectie uit de reacties, uiteraard om die aan mijn dappere leerlinge door te geven.

Haar tekst:

Ik begin mijn verhaal bij het begin en dat is de basisschool.

Op de basisschool werd ik gepest, bijna elke dag. Ik had maar twee vriendinnen, maar dat waren eigenlijk ook niet echt vriendinnen. Ze wilden wel met me omgaan, maar ze kozen toch voor de groep die mij pestte. Ik heb het nooit durven te zeggen, want ik schaamde me daar voor. In groep 5 kreeg ik een bril en toen werd ik alleen nog maar meer gepest. Ik snapte niet waarom ik werd gepest. Waarom was ik dan zo anders dan de rest? Door de onzekerheid en de wil om geaccepteerd te worden dacht ik dat het aan mijn uiterlijk lag, maar hoe vertel jij je ouders dat je andere kleren wil? Dat kon dus niet. Dus ik ging harder leren. Toen werd ik de stuud, dus dat had ook al geen effect. Dus ik ging afvallen. Toen zat ik in groep 7. Ik was 10. En ik begon met afvallen. Mijn ouders hadden het toen nog niet door. Maar er kwam geen effect, ze bleven me pesten. Dus in groep 8 pakte ik het afvallen anders aan. Ik snoepte niet meer en ik at nog maar 1 boterham in de middag en de spullen die ik had mee gekregen naar school, at ik niet op. Want ze mochten me niet zien eten. Toen zagen de mensen dat ik ging afvallen. Ik kon me alleen nog maar op mijn gewicht focussen. Mijn ouders werden bezorgd en mijn zus en leraar ook. Maar ze konden er niets aan doen.

Toen kwam ik op het middelbaar onderwijs. Ik dacht dat als ik nog wat meer zou afvallen, dat ik dan hier wel vrienden zou maken. Dus ik bleef afvallen. En inderdaad, ik kreeg vrienden. En ze vonden het geweldig dat ik zo dun was. Maar was ik wel zo dun? Ik begon meer te twijfelen en at ook nu niet meer in de grote pauze, bang dat ze me vies zouden vinden omdat ik at. Mijn moeder kwam erachter en die werd boos door de angsten. Ik at al wat meer, maar ik werd zwaarder, dus ik wilde weer afvallen. Dus dat deed ik ook.

In de tweede ging ik veel om met Mascha en Liesbeth. En ik was nog steeds heel dun. Maar mijn gewicht was gestegen. Ik kreeg vormen, maar dat maakte me niet uit. Ik maakte me zorgen om mijn gewicht. In het begin van de tweede kreeg in een vriend. En dat is de jongen die mij had aangerand. Ik had het tegen niemand verteld, net als het feit dat ik werd gepest op de basisschool. Maar de mensen bleven vragen waarom het uit was. Ze konden er maar niet over ophouden. En toen had ik het na drie maanden huilend verteld. Ze konden het niet geloven. Ik ben daarvoor een tijdje bij de counselor geweest. Ik gaf mezelf de schuld. Waarom had ik hem niet tegen gehouden? Waarom had hij mij als doelwit gekozen? Was ik dan echt zo makkelijk om verliefd te laten worden? De vragen spookten door mijn hoofd, maar er kwamen geen antwoorden op. Ik zie die jongen nu nooit meer. Gelukkig maar. Maar sindsdien ben ik begonnen met snijden. Maar waarom? Komt het door die aanranding? Of door de pesterijen? Ik stelde me voor alles wat fout ging, verantwoordelijk. En mensen vonden dat wel handig, het was toch altijd José’s fout. Dus laten we haar standaard maar de schuld geven. Mascha en Liesbeth hadden geen idee wat er allemaal in mijn hoofd rondspookte. Dat hebben ze ook nooit geweten of begrepen. Ze zagen niet dat ik dood ging van binnen. En doordat ze het niet zagen, stond ik er helemaal alleen voor, want ik vond het beschamend om hulp te zoeken. Dus ik bleef in een vicieus cirkeltje en kwam er niet meer uit. Ik zakte er alleen nog maar verder in. Toen had ik heel veel doodswensen. En ik zag de leuke dingen van het leven niet meer. Iedereen om mij heen was gelukkig, maar ik kon niet begrijpen waar ze het over hadden. Ik heb alleen geluk gevoeld toen ik nog heel klein was. Toen ik nog veilig bij m’n moeder thuis was.

Mascha en Liesbeth en andere mensen vonden het wel leuk om mij afgelopen schooljaar in de uitwisseling met Italië slet te noemen. Ik had toen een vriend. En ik had in Italië sjans van een Italiaan. En toen was ik in hun ogen een slet. Ik vond het nergens op slaan, want zoiets zeg je niet over een persoon en al helemaal niet over een persoon die je een vriendin noemt. Dus ik heb ze laten vallen. Ze deden nog stommer tegen mij dan ooit. Ik voelde me heel slecht en gaf mezelf er de schuld van. Dus ik zat weer in de zoveelste dal en ik sneed weer en ik ging weer afvallen. De mensen waar ik nu mee omga hielpen mij uit die dal. En gaven mij het gevoel dat ik voor de eerste keer in mijn leven echt geaccepteerd werd door mensen buiten mijn familie. Ze gaven mij weer zelfvertrouwen en hadden geen voorwaardes aan hun vriendschappen. Ik ben ze nog steeds dankbaar voor. Maar ik trek me nog steeds alles van iedereen aan. Ik trek de schuld nog steeds onbewust naar mezelf. En daardoor heb ik nog wel van die dagen dat ik liever dood ben dan levend. Maar ik begin telkens meer dingen te zien, die positief op mij inwerken. Net als de kleine dingen die mijn vrienden tegen mij zeggen.

Mijn ouders heb ik het een maand geleden verteld. En toen heb ik ook verteld over de pesterijen op de basisschool. Mijn moeder wist al wel van de aanranding, maar mijn vader nog niet. En ook dat heb ik hem laatst verteld. Ze schrokken, maar vonden het fijn dat ik het vertelde. Maar vonden het wel jammer dat ik niet eerder ermee was gekomen, want dan konden ze me helpen, zeiden ze. Maar ze weten ook dat ik me niet liet helpen.

Ik kijk bijna dagelijks naar mijn littekens op mijn linkerpols en mijn rechterbovenbeen. Dan denk ik terug aan de momenten dat ik dat had gedaan. En ik heb er geen enkel spijt van. Uit elke dal ben ik sterker terug gekomen. En als ik naar die littekens kijk, zie ik de momenten weer voor me, en de redenen waarom ik sneed. En dan kijk ik naar de geweldige vrienden die ik nu heb. En zie dat ik nu eerlijk kan zeggen; ik ben gelukkig. Want ik heb de mensen gevonden die mij respecteren en accepteren om hoe ik van binnen ben en niet om hoe ik eruit zie. En daar ben ik heel erg dankbaar voor.
[LIA 107 – 31-5-2009]