Wie wordt er nu nog leraar?

Wie in de Nederlandse en ook buitenlandse literatuur een onderzoek doet naar het beeld van de leraar en dat voor waar aanneemt, zal zijn kinderen nooit of te nimmer adviseren het leraarspad te betreden. Hoewel ik weet dat het gros van onze leerlingen die literatuur nooit gelezen heeft, hebben ze toch dezelfde ideeën over de mensen die voor in hun klas staan.

Een van de door leerlingen meest gestelde vragen tijdens werkweken, uitwisselingen en mentorgesprekken was: “Waarom bent u toch leraar geworden?” De manier waarop de vraag gesteld wordt doet vermoeden, dat dezelfde manier ook gebruikt zou worden als een prostituee de vraag “Hoe bent u in dit beroep terechtgekomen?” voorgelegd krijgt.
De meewarige blik van de vragensteller verraadt dat – wat het antwoord ook zal zijn- hij of zij er eigenlijk al van overtuigd is dat ik een verschrikkelijke keuze in mijn leven gemaakt heb, die eigenlijk meteen teruggedraaid zou moeten worden.

Ik moet dan eerst eerlijk bekennen, dat ik geen leraar wilde worden. Tot mijn 12e was ik ervan overtuigd dierenarts te kunnen worden. Toen bleek dat de exacte vakken voor mij altijd een gesloten boek zouden blijven, moest ik mijn toekomstplannen bijstellen. Later op de middelbare school kwam ik op het idee psycholoog te worden. Omdat ik vrij snel na mijn eindexamen in militaire dienst ging, had ik twee jaar de tijd om te besluiten theologie te gaan studeren.

Ik ben het onderwijs ingerold en ben er bijna 40 jaar gebleven. In die tijd heb ik gedroomd over een correspondentschap voor de Volkskrant in Rome, een friettent in Florence, maar het is gelukkig bij dromen gebleven, want ik zou doodongelukkig zijn geworden. Eenmaal heb ik naar een andere beleidsbepalende functie in het onderwijs gesolliciteerd, maar aanbeland in de laatste ronde was het eerste wat ik dacht: “Ik ga die rotjong veel te veel missen.”

Zou ik 39 jaar terug in de tijd gezet worden, dan zou ik geen andere keuze gemaakt hebben.
Het heeft iets met de magie van de jeugd te maken: jaarlijks komen enkele honderden onbevangen kinderen de Verviersstraat binnen en je ziet ze in vier tot zes jaar zich ontwikkelen tot halve tot hele volwassenen. Het is een proces dat voor iedereen anders verloopt, grote hoogten en diepe dalen kent, maar meestal gekenmerkt wordt door een grenzeloos optimisme. Het is waar wat men zegt: de dagelijkse omgang met jongeren houdt jou ook jong. Het verveelt nooit, is elke dag anders en vraagt om voortdurende creativiteit en aanpassingsvermogen.

In die 39 jaar heb ik jaarlijks een rolletje mogen spelen in het leven van bijna 500 mensen, die volop in beweging zijn naar volwassenheid. Velen van hen zouden nooit bereikt hebben wat ze nu zijn, als ze niet door betrokken docenten uitgedaagd, opgezweept of gedwongen waren prestaties te leveren, waar ze nu de mooie vruchten van plukken. Talloze volwassenen hebben het aan de vasthoudendheid van hun docenten te danken dat ze een diploma gehaald hebben, niet aan hun eigen gebrek aan inzet. Duizenden mensen zijn hun docenten die ze destijds verwenst, verketterd en gehaat hebben, dankbaar dat zij zijn blijven geloven in het talent van hun leerlingen, waardoor ze hebben kunnen uitgroeien tot mensen die morgen beter zijn dan gisteren. Zo kan ik nog wel even doorgaan. Maar wat vaststaat is dat de Nederlandse docenten aanzienlijk aan de emotionele, intellectuele en geestelijke ontwikkeling van hun leerlingen hebben bijgedragen, ondanks alle mogelijk gerechtvaardigde kritiek op ons onderwijs. Ik ben blij en trots dat ik daar deel van heb mogen uitmaken.

Ik wens alle Newmancollega’s toe dat ze deze beroepstrots nooit zullen verliezen en dat hun leerlingen hun Newmantijd zullen koesteren als een waardevolle herinnering.
Gepubliceerd in De Keten, juni 2012